Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:4988

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1816
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening, Wmo, huishoudelijke hulp, tijdelijke maatwerkvoorziening

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 2.3.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/1816

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigden: mr. C.B.B. Dohmen, M.C. Legemate en E.S. de Jong).

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van een tijdelijke maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.3 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), zoals dat blijkt uit verweerders brief van 8 april 2016. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2016. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en G. de Pachter, werkzaam bij de FNV. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

Verzoekster, geboren in 1935, is alleenstaand. Zij heeft beperkingen als gevolg van medische aandoeningen. Zij ontving 4 uur per week huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

2.2.

Verweerder heeft bij besluit van 15 december 2014 aan verzoekster een maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van huishoudelijke ondersteuning met als resultaat een schoon en leefbaar huis. Op 24 juni 2015 is een ondersteuningsplan opgesteld en door verzoekster ondertekend.

2.3.

Verzoekster heeft op 4 april 2016 een melding behoefte aan huishoudelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 gedaan. Door de FNV is de behoefte van verzoekster aan huishoudelijke ondersteuning en zorgtaken beoordeeld aan de hand van de GITHA-systematiek en berekend op 14,4 uur per week. Verzoekster heeft daarbij verzocht om een tijdelijke maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015.

2.4.

Verweerder heeft bij brief van 8 april 2016 aan de toenmalige gemachtigde van verzoekster (en zestien anderen) bericht de meldingen nog niet in behandeling te nemen, dit in afwachting van uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en van de Centrale Raad van Beroep over de huishoudelijke ondersteuning onder de Wmo 2015. Verder heeft verweerder verzoekster voor haar verzoek om een tijdelijke maatwerkvoorziening op grond van artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 verwezen naar de zorgaanbieder.

2.5.

Op 23 april 2016 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen verweerders weigering om de melding in behandeling te nemen en een tijdelijke maatwerkvoorziening toe te kennen. Op diezelfde datum heeft verzoekster haar verzoek aan de voorzieningenrechter ingediend. Zij vraagt de voorzieningenrechter om verweerder op te dragen de melding ex art 2.3.2 van de Wmo 2015 in behandeling te nemen en om als voorziening ex artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 per direct 14,4 uur per week huishoudelijke hulp toe te kennen.

3. Nu de melding op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 vooraf gaat aan de aanvraag is ten aanzien van die melding geen sprake van een schriftelijke weigering om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek om verweerder op te dragen de melding op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 in behandeling te nemen zal daarom worden afgewezen.

4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevat de brief van 8 april 2016 ten aanzien van het verzoek om een tijdelijke maatwerkvoorziening als bedoeld in art 2.3.3 van de Wmo 2015 een afwijzend besluit. Het door verzoekster gemaakte bezwaar tegen deze weigering is daarom ontvankelijk. Dit brengt met zich dat verzoekster ook in haar verzoek om een voorlopige voorziening ontvangen kan worden.

4.2.

De voorzieningenrechter ziet zich aldus geplaatst voor de vraag of verweerder op goede gronden weigert een tijdelijke maatwerkvoorziening toe te kennen.

5.1.

Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat de melding als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 naar verwachting binnen afzienbare tijd in behandeling zal worden genomen. Verweerder blijft bij zijn afwijzing van het verzoek om een tijdelijke maatwerkvoorziening. Die weigering is gebaseerd op dossieronderzoek en contacten met de zorgaanbieder. Er is volgens verweerder geen sprake van een spoedeisend geval waarin onverwijld een tijdelijk maatwerkvoorziening moet worden ingezet. Verweerder stelt dienaangaande dat verzoekster in aanmerking is gebracht voor een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning en dat tegen die toekenning geen bezwaar is gemaakt. Ook tegen het ondersteuningsplan van 24 juni 2015 heeft verzoekster niet geageerd. Uit zijn contacten met de zorgaanbieder blijkt volgens verweerder dat voldoende zorg in de huishouding geboden wordt. Voor zover verzoekster meent dat meer zorg of hulp is aangewezen, dient zij dat met de zorgaanbieder te bespreken en aan het ondersteuningsplan opnieuw invulling te geven. Verzoekster heeft ook niet aangetoond dat de zorg tekortschiet en dat de woning vervuilt, zodanig dat de medische klachten daardoor verergeren. De in het ondersteuningsplan vastgestelde zorg is vooralsnog voldoende, aldus verweerder.

5.2.

Namens verzoekster is toegelicht dat zij onder de Wmo 2015 nog ongeveer 3 uur per week hulp krijgt, terwijl zij daarvoor 4 uur per week hulp had. De huidige hulp is onvoldoende, zoals ook blijkt uit de door de deskundige van het FNV opgestelde berekening. Daaruit blijkt begin april 2016 een behoefte van 14,4 uur.

In de praktijk blijkt ook dat niet alle huishoudelijke taken in voldoende mate uitgevoerd kunnen worden. Dit heeft, gezien de aard en ernst van de medische aandoeningen, negatieve gevolgen voor de gezondheidssituatie van verzoekster. Verzoekster kan geen aanvullend beroep doen op mantelzorg.

6. Op 1 januari 2015 is de Wmo 2015 in werking getreden en is de Wmo ingetrokken. Op dit geding is de Wmo 2015 van toepassing.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, van de WMO 2015 wordt onder maatwerkvoorziening verstaan:

op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen.

Uit artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 volgt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt waarin in ieder geval wordt bepaald op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

Ingevolge artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 draagt het college er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

In artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 is bepaald dat, indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uitvoert overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.

In artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 is bepaald dat in spoedeisende gevallen, het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onverwijld beslist tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt.

De raad van de gemeente Haarlem heeft ter uitvoering van artikel 2.1.3, eerste lid, van de Wmo 2015 de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem (de Verordening) vastgesteld. Daarnaast heeft verweerder ter concretisering van de uitvoering van de Verordening de Uitvoeringsregels maatwerkvoorzieningen wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2015 – in werking getreden op 1 januari 2015 – vastgesteld.

7.1

Verzoekster heeft geen rechtsmiddel ingesteld tegen de toekenning van de maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. De voorzieningenrechter stelt vast dat inmiddels is gebleken dat het systeem dat verweerder hanteert bij de besluitvorming over de maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 gebrekkig is. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraken die de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op 18 mei 2016 heeft gedaan over de huishoudelijke ondersteuning onder de Wmo 2015 en de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 28 april 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:3799. Verweerder heeft tot nu toe geen objectief onderzoek gedaan naar de tijd die is nodig is voor de ondersteuning bij het huishouding. Ook de melding als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 is voor verweerder geen aanleiding geweest om alsnog een dergelijk onderzoek te doen. Dat verzoekster het ondersteuningsplan heeft ondertekend en dat zij met de zorgaanbieder in overleg had kunnen treden over wijziging van het ondersteuningsplan kan niet afdoen aan de op verweerder rustende verplichting zijn besluiten zorgvuldig voor te bereiden en deugdelijk te motiveren. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheid dat de medische situatie van verzoekster niet is verbeterd, terwijl nu met minder uur huishoudelijk hulp dan voorheen wordt volstaan en in de door verzoekster overgelegde berekening aanwijzing dat de nu verstrekte maatwerkvoorziening onvoldoende is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal het besluit van 8 april 2016 in een bezwaar- of beroepsprocedure niet in stand kunnen blijven.

7.2

De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Hierbij is tevens meegewogen dat eventuele besluitvorming naar aanleiding van de melding als bedoeld in artikel 2.3.2 van Wmo 2015 nog enige tijd op zich zal laten wachten. De voorzieningenrechter zal daarom verweerder opdragen aan verzoekster een tijdelijke maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 toe te kennen, te weten 4 uur per week huishoudelijke hulp. Bij de bepaling van de omvang van deze voorziening heeft de voorzieningenrechter aanknoping gezocht bij het aantal aan verzoekster toegekende uren aan zorg voor de invoering van de Wmo 2015. Deze tijdelijke maatwerkvoorziening geldt tot zes weken na bekendmaking van de te nemen beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 8 april 2016 of zoveel eerder als is beslist op de aanvraag om de maatwerkvoorziening.

Verweerder dient er onverwijld voor te zorgen dat de huidige of een andere zorgverlener deze zorg aan verzoekster verstrekt.

8.1.

Bij deze uitkomst is er aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten vanwege de indiening van het verzoek voorlopige voorzieningen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de voorzieningenrechter die kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,00 (twee punten, te weten één punt voor het indienen van het verzoekschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,00 en wegingsfactor 1).

8.2.

Verweerder dient tevens het betaalde griffierecht van € 46,00 aan verzoekster te vergoeden

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af voor zover dat ziet op artikel 2.3.2 van de Wmo 2015;

- wijst het verzoek toe voor zover dat ziet op artikel 2.3.3 van de Wmo 2015;

- schorst het besluit van 8 april 2016 tot en met zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar, of zoveel eerder als is beslist op de aanvraag op de maatwerkvoorziening;

- bepaalt dat verweerder overgaat tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening, in die zin dat verzoekster in aanmerking wordt gebracht voor 4 uur huishoudelijk hulp per week. Deze tijdelijke maatwerkvoorziening loopt tot en met zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar, of zoveel eerder als is beslist op de aanvraag op de maatwerkvoorziening;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 992,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G. van Roest, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C.H. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.