Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:4943

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
05-08-2016
Zaaknummer
C/14/157021 / FA RK 14-1859
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgang

De Raad heeft geadviseerd om de vader het recht op omgang te ontzeggen, omdat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Aan de kant van de vader ziet de Raad geen belemmeringen, maar de belemmeringen doen zich voor aan de kant van de moeder. De zorgen omtrent de minderjarige zijn inmiddels wel toegenomen, zodat de Raad ter zitting heeft aangegeven dat een beschermingsonderzoek toch aan de orde is. De Raad kan niet uitsluiten dat de minderjarige het risico loopt dat zij door de opvoedingssituatie ernstig bedreigd zal gaan worden in haar ontwikkeling. Op de rechter rust een inspanningsverplichting om het redelijkerwijs mogelijke te doen om te bewerkstelligen dat een omgangsregeling tot stand komt. Het enkele feit dat de met het gezag belaste ouder bezwaren heeft tegen de omgang, is echter niet een omstandigheid als bedoeld in artikel 1;377a lid 3, aanhef en onder a respectievelijk d, BW en kan derhalve niet zonder meer een grond zijn om de andere ouder en het kind hun recht op omgang met elkaar te ontzeggen. De rechtbank is anders dan de Raad van oordeel dat de beslissing tot ontzegging van de omgang tussen de vader en de minderjarige thans niet genomen kan worden. De rechtbank kan zich voorstellen dat in het kader van een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel en daarna, indien een ondertoezichtstelling volgt, in het kader van de uitvoering hiervan ruimte gaat ontstaan om het contact tussen de vader en de minderjarige tot stand te brengen. Aanhouding van de zaak voor een periode van 6 maanden pro forma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

omgang

zaak-/rekestnr.: C/14/157021 / FA RK 14-1859

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 15 juni 2016

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: aanvankelijk mr. F.S. Cuperus, kantoorhoudende te Heerenveen, thans mr. J.J.C. Engels, kantoorhoudende te Heerhugowaard,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S. Kuijs, kantoorhoudende te Alkmaar.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikkingen van 24 december 2014 en 22 juli 2015;

- het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), van

31 maart 2016, ingekomen op 4 april 2016.

1.2

De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 19 mei 2016 in aanwezigheid van partijen, de vader bijgestaan door mr. J.C.C. Engels en de moeder door mr. S. Kuijs. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is verschenen [medewerker de Raad] .

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Bij beschikking van 22 juli 2015 (zaaknr. C/14/155536 / FA RK 14-1403) is de vader vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren [geboortedatum] in [geboorteplaats] verleend. De erkenning van [minderjarige] door de vader is inmiddels gerealiseerd.

Bij beschikking van 22 juli 2015, waarvan de inhoud als hier ingelast en herhaald dient te worden beschouwd, is in onderhavige zaak een voorlopige (begeleide) omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat de minderjarige [minderjarige] en de vader elkaar kunnen ontmoeten éénmaal per maand gedurende maximaal anderhalf uur per keer begeleid door het Omgangshuis, op een door het Omgangshuis in overleg met de vader en de moeder te bepalen dag, tijdstip en locatie.

Daarnaast is de Raad verzocht ten aanzien van de omgangsregeling nader onderzoek te verrichten ter beantwoording van de vraag op welke wijze een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is te achten, en daarbij te betrekken de bevindingen en observaties van het Omgangshuis [provincie] en de rechtbank dienaangaande te adviseren. De zaak is pro forma aangehouden tot 28 maart 2016, in afwachting van een nader rapport en advies van de Raad.

2.2

De Raad heeft onderzoek gedaan en heeft de rechtbank middels het rapport van 31 maart 2016 geadviseerd om de vader het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen, omdat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De Raad schat in dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is dat er omgang wordt gerealiseerd tussen de vader en [minderjarige] . De Raad is van mening dat het in het algemeen in het belang van kinderen is dat een kind contact heeft met beide ouders. In deze concrete zaak schat de Raad evenwel in dat met de verwachte spanningen en strijd tussen deze ouders er geen constructieve basis aanwezig is om samen invulling aan het ouderschap en aan een contact- en omgamgsregeling te geven. Deze inschatting baseert de Raad op het verloop van het ingezette traject bij het Omgangshuis dat op niets is uitgelopen en op moeders weigering tot een gezamenlijk gesprek met de vader bij de Raad. De Raad realiseert zich dat de vader zeer bereidwillig is en de weigering bij de moeder ligt. Echter de moeder is van mening dat zij negatieve ervaringen heeft met de vader en ziet op korte termijn geen enkele ruimte tot contact met de vader. Omdat [minderjarige] geen geschiedenis heeft met de vader en in de zorg afhankelijk is van de moeder, is de medewerking van de moeder onlosmakelijk verbonden met het ontstaan van contact tussen de vader en [minderjarige] . Moeder ziet geen enkele ruimte tot medewerking in het aangaan van contact met de vader. De Raad realiseert zich dat het voor de vader bitter is dat hij ondanks zijn verrichte inspanningen en als gevolg van moeders weigerachtigheid geen contact kan hebben met zijn dochter.

Hoewel het voor kinderen van belang wordt geacht beide ouders in zijn/haar leven te hebben, heeft onderzoek ook uitgewezen dat grote spanningen tussen ouders voor een kind schadelijker kan zijn, dan het niet of beperkt contact hebben met een van beide ouders. Alles afwegende lijkt het de Raad daarom in de gegeven situatie voor [minderjarige] de meest gunstige optie dat zij vooralsnog geen contact heeft met haar vader. De moeder wordt zo in de gelegenheid gesteld in alle rust voor [minderjarige] te zorgen zodat [minderjarige] opgroeit zonder spanningen tussen twee ouders waarvan niet te verwachten valt dat hun verstandhouding op korte termijn verbetert.

Wel is het van belang dat de moeder meer inzicht krijgt in de eventuele emotionele gevolgen voor [minderjarige] van het niet hebben van contact met haar vader. Moeder dient zich hierop voor te bereiden en zich af te vragen welke boodschap zij [minderjarige] hierin wil meegeven.

De Raad realiseert zich dat dit advies ook grote gevolgen heeft voor de vader, die daarmee geen invulling aan het ouderschap kan geven en daardoor ook geen band kan opbouwen met [minderjarige] . Echter, geeft de Raad aan, het advies is gericht op [minderjarige] en haar welzijn binnen de gegeven omstandigheden. Mogelijk is de moeder over enige tijd wel in staat contact en omgang tussen de vader en [minderjarige] te ondersteunen. Indien dit niet het geval is, ontstaat bij [minderjarige] mogelijk de behoefte aan contact met de vader wanneer zij ouder is.

De Raad heeft in zijn rapport van 31 maart 2016 aangegeven dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat voor een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel. Dit omdat er geen zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] of haar opvoedingssituatie. Ter zitting heeft de Raad evenwel desgevraagd aangegeven dat de Raad inmiddels wél aanleiding ziet om het opstarten van een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel in overweging te nemen.

3 Beoordeling

3.1

Aan de orde is nog het verzoek van de:

- vader om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige] , welke door de rechtbank in het belang van de minderjarige wordt geacht, bijvoorbeeld wekelijks op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur.

- moeder om, primair, de vader het recht om omgang te ontzeggen; subsidiair als de Raad het belang van omgang heeft vastgesteld, omgang zeer voorzichtig op te bouwen en te laten plaatsvinden in begeleide vorm.

Standpunten partijen

3.2

De moeder kan instemmen met het advies van de Raad. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat zij eerst haar angsten wil aanpakken, omdat zij als gevolg hiervan sinds haar zwangerschap niet meer alleen de straat op durft te gaan. De moeder volgt hiervoor EMDR-therapie. Als deze therapie is afgerond hoopt de moeder zich te kunnen richten op de situatie rondom de contacten tussen de vader en [minderjarige] .

3.3

De vader kan niet instemmen met het advies van de Raad. Hij wil de mogelijkheid open houden om contact met [minderjarige] te kunnen hebben. Voor wat betreft de wijze waarop de omgang wordt opgestart geeft de vader aan dat hij flexibel is. Dit mag ook begeleide omgang zijn. Ook is de vader bereid om, als de moeder daar aan toe is, deel te nemen aan therapie om te bereiken dat de moeder minder angstig voor hem wordt. De vader betreurt het dat hij de tijd die hij nu niet met [minderjarige] kan doorbrengen, nooit meer kan inhalen.

3.4

Ter zitting heeft de Raad gepersisteerd bij het advies en aangegeven dat de Raad omgang op dit moment niet in het belang van [minderjarige] acht. Aan de kant van vader ziet de Raad geen belemmeringen voor omgang, de belemmeringen doen zich voor aan de kant van de moeder. Ter zitting heeft de Raad desgevraagd aangegeven dat de zorgen rondom [minderjarige] inmiddels wel zijn toegenomen. De Raad heeft zich ter zitting dan ook de vraag gesteld of een beschermingsonderzoek wellicht toch aan de orde is. In het kader van een beschermingsonderzoek en een mogelijk daaruit voortkomende ondertoezichtstelling kan gekeken worden naar de hulp die de moeder nodig heeft om met haar angsten om te gaan, de impact die deze situatie heeft op [minderjarige] en er kan informatie opgevraagd worden bij het kinderdagverblijf over de ontwikkeling van [minderjarige] .

3.5

De rechtbank overweegt als volgt. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind, artikel 1:377a, BW. Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van een ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen, zoals volgt uit 1:247 lid 3 BW.

3.6

De rechter stelt op verzoek van de ouders of één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.7

Op de rechter rust een inspanningsverplichting om het redelijkerwijs mogelijke te doen om te bewerkstelligen dat een omgangsregeling tot stand komt. Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling onvoldoende acht ligt het op de weg van de rechter om gepaste maatregelen te nemen om de met gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen. De rechter kan partijen met hun instemming verwijzen naar mediation. Verder kan de rechter zonder de instemming van partijen onderzoek door derden gelasten, zoals een onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming. Voorts kan de rechter een voorlopige omgangsregeling vaststellen. Het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel behoort eveneens tot de mogelijkheden. Niet uitgesloten is dat de aanwending door de rechter van de hem ten dienst staande mogelijkheden onder bijzondere omstandigheden tot gevolg heeft dat de omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind of anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind, een en ander als bedoeld in artikel 1:377a lid 3, aanhef en onder a respectievelijk d, BW. Het enkele feit dat de met het gezag belaste ouder bezwaren heeft tegen de omgang, is echter niet zo’n omstandigheid en kan derhalve niet zonder meer een grond zijn om de andere ouder en het kind hun recht op omgang met elkaar te ontzeggen.

3.8

Uit het rapport van de Raad begrijpt de rechtbank dat de zwangerschap van de moeder, waaruit [minderjarige] geboren is, volgens de moeder niet is ontstaan uit een relatie met de vader, maar, volgens de moeder, uit een verkrachting van haar door vader welke verkrachting op 13 augustus 2013 heeft plaatsgevonden. De vader zou een relatie gehad willen hebben met de zus van de moeder. Na een afwijzing door deze zus, heeft de vader zich aan de moeder opgedrongen, als vorm van wraak. De moeder heeft aangifte van verkrachting gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft de strafzaak geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Moeder ervaart het eenmalige seksuele contact evenwel als een verkrachting van haar door vader.

3.9

De vader heeft een andere visie op de gebeurtenissen op en omstreeks 13 augustus 2013. Hij geeft aan dat er na 13 augustus 2013 nog kort contact met de moeder is geweest, waaruit enige vriendschappelijkheid blijkt. De vader heeft meegewerkt aan het onderzoek door het Openbaar Ministerie. Het onderzoek is volgens de vader afgerond met de mededeling dat hij onterecht als verdachte is aangemerkt.

3.10

De rechtbank stelt vast dat partijen een andere visie hebben op de gebeurtenissen op en rond 13 augustus 2013 welke hebben geleid tot de zwangerschap van de moeder. De moeder wordt in haar beeld van de gebeurtenissen gesteund door haar familie die zich heeft afgekeerd van de vader, waardoor dit beeld naar verwachting van de rechtbank alleen maar steviger en onwankelbaarder zal gaan worden voor de moeder en voor haar netwerk. Er is vooralsnog geen ruimte meer voor een ander beeld op de gebeurtenissen. Vanuit het beeld dat de moeder heeft is haar angst voor de vader invoelbaar. De rechtbank moet evenwel ook vaststellen dat er geen objectieve aanknopingspunten aanwezig zijn die maken dat het beeld dat de moeder heeft van de gebeurtenissen rondom het ontstaan van de zwangerschap het enige juiste beeld kan zijn. De huidige - in de ogen van de rechtbank- extreme angst van de moeder voor de vader kan ook niet worden onderbouwd door gedragingen van de vader. Desgevraagd heeft de moeder ter zitting verklaard dat de vader op geen enkele wijze contact met haar zoekt. Uit het onderzoek van de Raad komt ook geen negatief beeld van de vader naar voren, integendeel de Raad ziet aan de zijde van de vader geen contra-indicaties voor omgang tussen hem en [minderjarige] .

3.11

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij zich niet kan voorstellen dat er voor haar ooit een moment gaat ontstaan waarop zij contacten tussen de vader en [minderjarige] kan gaan toestaan. De moeder wordt hierin gesteund door haar eigen netwerk en mogelijk ook door haar begeleiders. De door de Raad in zijn rapport uitgesproken mogelijkheid dat de moeder over enige tijd wel in staat is om contact en omgang tussen de vader en [minderjarige] te ondersteunen, acht de rechtbank te optimistisch. De rechtbank maakt zich grote zorgen dat indien er niets gebeurt, de vader en [minderjarige] nimmer een band met elkaar kunnen gaan opbouwen. Voorts vraagt de rechtbank zich af in hoeverre de moeder - met haar huidige beeld van en angsten voor vader - in staat is om [minderjarige] op een objectieve wijze te informeren over het bestaan van vader en over de rol van de vader in het leven van [minderjarige] .

3.12

Zoals hierboven onder punt 3.4. reeds is besproken, heeft de Raad aan de hand van hetgeen ter zitting met de moeder en de vader is besproken, desgevraagd aangegeven dat de Raad inmiddels wél aanleiding ziet om een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel op te starten. De Raad kan niet uitsluiten dat [minderjarige] het risico loopt dat zij door de opvoedingssituatie ernstig bedreigd zal gaan worden in haar ontwikkeling.

3.13

Gelet op al het voorafgaande is de rechtbank, anders dan de Raad in zijn rapport van 31 maart 2016, van oordeel dat de beslissing tot ontzegging van de omgang tussen de vader en [minderjarige] , thans niet genomen kan worden. De rechtbank kan zich voorstellen dat in het kader van een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel en daarna, indien er een ondertoezichtstelling volgt, in het kader van de uitvoering van deze ondertoezichtstelling, ruimte gaat ontstaat om het contact tussen de vader en [minderjarige] tot stand te brengen.

3.14

Nu de Raad ter zitting heeft aangekondigd een beschermingsonderzoek in te willen stellen, stelt de rechtbank de Raad daartoe in de gelegenheid, en houdt de rechtbank de zaak in afwachting van de uitkomsten van dit beschermingsonderzoek aan voor een periode van 6 maanden PRO FORMA.

Beslissing

De rechtbank:

4.1

houdt de beslissing over de omgangsregeling aan tot 7 december 2016 PRO FORMA;

4.2

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming de rechtbank schriftelijk te berichten omtrent de stand van zaken en aan te geven wanneer het beschermingsonderzoek afgerond zal zijn en verzoekt de Raad het rapport ter zake het beschermingsonderzoek aan de rechtbank te zenden;

4.3

bepaalt dat het schriftelijk bericht uiterlijk op 30 november 2016 door de rechtbank ontvangen dient te zijn en wijst er op dat de rechtbank daarna zal beslissen over de verdere voortgang van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.I. Vleeming-Wever als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2016.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.