Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:4872

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
15/800296-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van twee winkelovervallen en een poging daartoe.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en verklaring medeverdachte. Vrijspraak medeplegen. Deskundigen kunnen geen conclusie geven ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank houdt bij de strafoplegging wel rekening met de bij verdachte geconstateerde ziekelijke stoornissen. De rechtbank is mede gelet op de justitiële voorgeschiedenis van verdachte, van oordeel dat de ernst van de feiten in relatie tot de zwaarte van de geëiste TBS-maatregel thans niet proportioneel en dus niet passend is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800296-15 (P)

Uitspraakdatum: 2 juni 2016

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 februari, 28 april en 19 mei 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M. Kubbinga, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. Kaaij, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

(onderzoek Haine)

hij op of omstreeks 16 juli 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 55 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Drogisterij Sandra, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij verdachte met een schroevendraaier, althans een steekwapen gelijkend voorwerp in de hand die [slachtoffer 1] dreigend de woorden "geld, geld, geef geld" heeft toegevoegd en/of een greep in de kassa heeft gedaan en/of geld uit de kassa heeft gepakt;

Feit 2 (voorheen feit 3)

(onderzoek Dijle)

hij op of omstreeks 01 juni 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een onbekend geldbedrag en/of een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan Deen supermarkt, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte met een schroevendraaier in de hand dreigend de woorden "kluis openmaken", althans woorden van gelijke aard of strekking heeft toegevoegd aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

of

hij op of omstreeks 1 juni 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van een onbekend gebleven hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Deen Supermarkt, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met een schroevendraaier in de hand dreigend de woorden "kluis openmaken", althans woorden van gelijke aard of strekking heeft toegevoegd aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3 (voorheen feit 4)

(onderzoek Sure)

hij op of omstreeks 23 mei 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1156,-, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Hema Zaandam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte op voornoemde [slachtoffer 4] af kwam rennen met een mes, althans een steekvoorwerp gelijkend voorwerp, in de hand en/of daarbij dreigend de woorden "overval" aan die [slachtoffer 4] heeft toegevoegd.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 (eerste alternatief) en 3 (met uitzondering van het bestanddeel medeplegen) ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde geweldselement (art. 312 Sr) en zich wat betreft de ten laste gelegde diefstal gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1] om verschillende redenen onvoldoende betrouwbaar is om tot het bewijs te worden gebezigd. Daarenboven vertonen de schoensporen die zijn veiliggesteld, geen overeenkomsten met de schoenen van verdachte. De lengte van de dader, zoals hierover door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] is verklaard, komt voorts niet overeen met de lengte van verdachte. Daarnaast zijn zowel de camerabeelden van de Deen als de camerabeelden van Zaan INN onvoldoende duidelijk om op grond hiervan vast te stellen dat verdachte de dader is geweest. Dit kan evenmin uit de gelijkenissen van de pet en kleding van verdachte met die van de dader op de foto’s worden afgeleid, nu deze bevindingen zeer algemeen van aard zijn.

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat verdachte bij gebreke van wettig bewijs dient te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank de verklaring van [getuige 1] wel tot het bewijs bezigen, dan geldt nog steeds dat er geen wettig bewijs is, laat staan overtuigend bewijs, zo stelt de raadsman.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman primair aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat er geld is weggenomen, zodat slechts een poging tot diefstal, die niet ten laste is gelegd, wettig en overtuigend zou kunnen worden bewezen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [medeverdachte] onvoldoende betrouwbaar is om tot het bewijs te worden gebezigd. Bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de dader is dient hij van dit feit te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 16 juli 2015 is aangeefster [slachtoffer 1] aan het werk in Drogisterij Sandra, gevestigd in het winkelcentrum Westerwatering te Zaandam. Omstreeks 14:45 uur staat zij achter de kassa en is zij bezig met een klant, die aan het afrekenen is. Op dit moment loopt een man de winkel binnen. De man heeft een Turks/Iranees uiterlijk en een ongeschoren baardje, hij is tussen de 20 en 25 jaar oud, en heeft een wit met rood petje op.2 Hij draagt een grijs trainingspak.3 De man loopt direct achter de toonbank in de richting van [slachtoffer 1] en blijft op ongeveer 50 centimeter van haar staan. In zijn ene hand heeft hij een schroevendraaier vast, in zijn andere hand een plastic tas. Terwijl de man de schroevendraaier ter hoogte van de borst van [slachtoffer 1] houdt, met het uiteinde van de schroevendraaier op haar gericht, kijkt hij haar recht in haar ogen aan en zegt: “Geld, geld, geef geld”. Uit vrees dat verdachte de schroevendraaier tussen haar ribben zal steken, opent [slachtoffer 1] de kassa. Op het moment dat de kassa open gaat, grijpt de man met zijn hand in de kassa, meteen naar het briefje van 50 euro. Collega [getuige 3] duwt verdachte vervolgens opzij en probeert de kassa dicht te duwen. De man rent hierop de winkel uit, waarbij [getuige 3] samen met haar collega achter hem aanrent.4 Er blijkt 55 euro uit de kassa te zijn weggenomen.5

Getuige [getuige 4] bevindt zich op dat moment in de bloemenwinkel tegenover Drogisterij Sandra. Hij hoort mensen roepen: “Hij gaat met het geld weg” en ziet een man in een grijs joggingspak wegrennen. [getuige 4] rent achter de man aan het winkelcentrum uit, in de richting van Zaandam. De man rent op enig moment een steeg in en verstopt zich in de aldaar gelegen bosjes. [getuige 4] sommeert de man zijn geld en zijn spullen uit de bosjes te gooien, waarop de man 55 euro uit zijn zak haalt en een schroevendraaier op de grond gooit. [getuige 4] pakt de man vervolgens vast en draagt hem over aan de politie.6 De politie neemt de man, die later blijkt te zijn verdachte [verdachte] , over van [getuige 4] . Daarbij overhandigt [getuige 4] de politie een plastic tas van M&S Mode met daarin een rood/witte pet alsmede een briefje van 50 euro en een briefje van 5 euro, welke goederen verdachte bij zich droeg.7 Verbalisant Ter Bork heeft een foto van verdachte gemaakt toen hij in het politievoertuig werd geplaatst. Zij heeft daarnaast de camerabeelden van Drogisterij Sandra en winkelcentrum Westerwatering bekeken. Naar aanleiding hiervan herkent zij verdachte als de dader van de overval op Drogisterij Sandra.8 Ook getuige [getuige 3] herkent de man die zij later in het politiebusje ziet zitten, direct als de overvaller.9

Geweldselement (312 Sr)

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, beoordeeld naar de uiterlijke verschijningsvorm, te kwalificeren is als bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] . Verdachte hield immers een schroevendraaier in zijn hand en heeft deze ook op korte afstand, ter hoogte van de borst, op haar gericht.

Ten aanzien van feit 2:

Bewijsmiddelverweer ten aanzien van verklaring [getuige 1]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [getuige 1] van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu de foto waarop [getuige 1] verdachte heeft herkend, erg klein is en weinig specifiek lijkt te zijn, terwijl het motief voor het afleggen van de verklaring lijkt te zijn gelegen in het gegeven dat verdachte enige tijd geleden hun relatie heeft beëindigd en [getuige 1] daarover boos is geweest.

De rechtbank is anders dan de raadsman van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] , nu de herkenning door [getuige 1] voldoende specifiek is. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank geenszins aannemelijk geworden dat [getuige 1] op grond van wraakmotieven ten onrechte verdachte zou hebben aangewezen als de dader van de overval.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 eerste alternatief ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

In de vroege ochtend van 1 juni 2015 zijn aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] aan het werk in supermarkt Deen, gevestigd aan het Ebbehout 29 te Zaandam. Omstreeks 06:00 uur loopt [slachtoffer 3] het magazijn in en ziet dat een man hem in het magazijn tegemoet komt lopen. Hij omschrijft de man als zijnde van Turkse afkomst, ongeveer tussen de 18 en 22 jaar oud, met een zwarte pet op en een zwarte jas aan. De man kijkt [slachtoffer 3] aan en zegt op een agressieve, bedreigende toon tegen hem: “De kluis moet open”. [slachtoffer 3] ziet dat de man een schroevendraaier in zijn hand vast heeft. De man staat op dit moment dicht bij [slachtoffer 3] , op minder dan een armlengte afstand.10 [slachtoffer 3] zegt tegen de man dat hij geen sleutel heeft, waarop de man tegen collega [slachtoffer 2] zegt: “dan moet jij de kluis openmaken”. Ook [slachtoffer 2] zegt tegen de man dat zij geen sleutel heeft. Op enig moment verlaat de man het pand en rent hij weg.11

Met toestemming van de officier van justitie zijn er op 14 juli 2015 berichten op Facebook en Twitter geplaatst met stills van de camerabeelden van supermarkt Deen.12 Diezelfde dag komt er bij de politie een anonieme melding binnen, inhoudende dat de meldster de dader naar aanleiding van een op Facebook geplaatste foto herkent als verdachte [verdachte] .13 De anonieme meldster blijkt te zijn [getuige 1] , een ex-vriendin van verdachte.14 [getuige 1] verklaart dat zij samen met verdachte op het Saenredam college heeft gezeten en dat zij verdachte op de foto herkent aan zijn gezicht, kleding, lengte, pet en baard.15 Na de aanhouding van verdachte bij de Dio Drogist (feit 1) heeft er een doorzoeking in de woning van verdachte plaatsgevonden, waarbij onder meer een zwartkleurige jas met capuchon, een zwartkleurig trainingsjack met Adidas-strepen en een paar zwarte Nike Air Max schoenen in beslag zijn genomen.16 De in beslag genomen kleding en schoenen zijn vervolgens vergeleken met de kleding en schoenen van de dader, te zien op de camerabeelden van supermarkt Deen. Op de beelden is zichtbaar dat de dader een zwarte jas draagt, die voorzien is van een linker borstzak met klep. Ter hoogte van de heup is bij de jaszak een witte streep te zien. De jas heeft horizontale naden op de armen en de capuchon van de jas heeft een grijze voering. De onder verdachte in beslag genomen jas is zwart van kleur en is voorzien van een borstzak met klep.17 De witte voering in de linker jaszak is zichtbaar, omdat de zwarte stof van de jaszak is gescheurd.18 Voorts heeft de jas horizontale naden op de arm en een capuchon met een grijze voering. De politie concludeert uit het voorgaande dat de jas van verdachte grote gelijkenissen vertoont met de jas die door de dader bij Deen werd gedragen.19 Met betrekking tot de door de dader gedragen sportschoenen wordt geconstateerd dat deze witte/lichte veters hebben, dat er lichte vlakken te zien zijn ter hoogte van de vetergaten en dat op de zijkant van de schoen een horizontale streep gelijkend op het Nike-logo zichtbaar is. De onder verdachte in beslag genomen sportschoenen vertonen gelijkenis met de schoenen gedragen tijdens de poging overval: zij hebben witte/lichte veters, grijs/witte vlakken bij de veters en op de zijkant zit het Nike-logo.20 Voorts is op de camerabeelden van Deen zichtbaar dat de dader een zwartkleurige trainingsbroek met Adidas-strepen over de zijkanten draagt. Verdachte heeft bij zijn verhoor verklaard dat de broek behorend bij het aangetroffen Adidas-trainingsjack gescheurd is.21

Bewijsoverweging

De raadsman heeft gewezen op het verschil in lengte tussen verdachtes daadwerkelijke lengte en de lengte die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] hebben geschat, hetgeen een contra-indicatie voor betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde feit oplevert.

De rechtbank acht de hierboven aangehaalde feiten en omstandigheden (kort gezegd: de herkenning door [getuige 1] en de sterke gelijkenissen van de kledingstukken) in onderling verband redengevend voor de conclusie dat verdachte de dader is geweest van de poging tot overval op supermarkt Deen. Daaraan doet niet af dat de getuigen hebben verklaard dat de lengte van de dader ergens tussen de 1.65 en 1.70 meter moet worden geschat, nu het enkele feit dat een getuige in een dreigende situatie de lichaamslengte van de dader anders inschat dan dat deze daadwerkelijk is, niet een dusdanig sterke aanwijzing oplevert dat verdachte daardoor als dader moet worden uitgesloten. De rechtbank betrekt daarbij het gegeven dat voornoemde getuige [getuige 1] , die verdachte kent als lange man van minstens 1.80 meter, hem onder meer herkent aan zijn lengte en lichaamshouding.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2 tweede alternatief
De rechtbank leidt uit voornoemde feiten en omstandigheden af dat het oogmerk van verdachte niet was gericht op het dwingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] tot de afgifte van een geldbedrag en/of goederen toebehorende aan Deen Supermarkt, maar op het wegnemen van dat geldbedrag en/of die goederen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten, bij welke feiten het niet bij een poging is gebleven, ook sprake is van diefstal en niet van afpersing. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de onder 2 ten laste gelegde poging tot afpersing.

Ten aanzien van feit 3:

Vrijspraak medeplegen

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde overval. Van een nauwe en bewuste samenwerking is niet gebleken en ingevolge vaste jurisprudentie is de enkele wetenschap dat een strafbaar feit wordt of zal worden gepleegd, en het zich daarvan niet distantiëren, onvoldoende voor een bewezenverklaring van medeplegen.

Bewijsmiddelverweer ten aanzien van verklaring [medeverdachte]

De raadsman heeft bepleit dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] onvoldoende betrouwbaar moet worden geacht om tot het bewijs te worden gebezigd, nu [medeverdachte] zeer wisselende verklaringen heeft afgelegd en de schuld in de schoenen van verdachte probeert te schuiven in plaats van de persoon aan te wijzen met wie hij daadwerkelijk in de Hema is geweest.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Er bestaat met name geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte] dat het verdachte is geweest met wie hij naar de Hema is gegaan en met wie hij de Hema heeft verlaten. De rechtbank betrekt daarbij dat [medeverdachte] daarmee verklaringen heeft afgelegd die ook belastend kunnen zijn voor hemzelf. Zijn verklaringen kunnen er dan ook inderdaad op wijzen dat hij zijn eigen rol tracht te verkleinen ten koste van die van verdachte. Er zijn echter in het dossier geen aanwijzingen gevonden voor een ander motief voor het afleggen van een voor verdachte belastende verklaring in de zin zoals door de raadsman geopperd, het aanwijzen van verdachte in plaats van een derde.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 23 mei 2015 staat aangeefster [slachtoffer 4] achter de kassa bij de Hema gevestigd aan de Gedempte Gracht te Zaandam. Op het moment dat zij de kassa opent om een klant wisselgeld terug te geven, ziet zij dat er een man met een mes in zijn hand op haar af komt rennen. De man komt achter de kassa staan en roept “overval”. Het glinsterende gedeelte van het mes was ongeveer tien centimeter lang.22 Hij graait vervolgens met beide handen geld uit de kassa.23 De camerabeelden van de Hema zijn door de politie uitgekeken. Hierop is te zien dat de dader briefgeld en het mes in zijn rechterhand heeft en dat hij met zijn linkerhand nogmaals in de kassalade reikt. Nadat de dader het geld uit de kassalade heeft gepakt, rent hij richting de trap en verdwijnt uit het zicht van de camera.24 Getuige [getuige 5] omschrijft de dader als een jongen van ongeveer 25 jaar oud, met een Turks/Marokkaans uiterlijk en een uitgroeibaardje.25 Op de camerabeelden is te zien dat de dader tezamen met een andere man, die gekleed is in een winterjas met bontkraag, de Hema inloopt. Nadat de dader de overval heeft gepleegd, rent de man samen met de dader de winkel uit.26

Op 14 juli 2015 heeft de politie stills van de camerabeelden van de Hema in de media geplaatst, onder meer op www.dichtbij.nl.27 Naar aanleiding hiervan heeft [getuige 6] contact opgenomen met de politie en gemeld dat zij de persoon gekleed in de winterjas met bontkraag herkent als haar ex-vriend [medeverdachte] .28 [medeverdachte] is hierop door de politie verhoord, waarbij hij verklaart dat hij op 23 mei 2015 samen met verdachte [verdachte] in de Hema in Zaandam is geweest. Verdachte had een zakmes bij zich, dat uitgeklapt ongeveer dertien centimeter lang was. Toen [medeverdachte] en verdachte zich op de tweede verdieping bevonden, zei verdachte ineens: “Ik ga nu die geld pakken, ik ga nu achter die kassa”, waarop [medeverdachte] verdachte naar de kassa zag vliegen en hij het meisje achter de kassa hoorde gillen. [medeverdachte] is naar beneden gelopen en toen verdachte even later achter hem aan kwam, zijn zij samen weggerend.29 Hij en verdachte spraken elkaar zo nu en dan in coffeeshops Moonlight en Headlines te Zaandam en zij hadden ook contact via Facebook en sms.30 Naar aanleiding van de verklaring van [medeverdachte] zijn onder meer de (in het kader van het onderzoek naar het onder 1 ten laste gelegde feit) onder verdachte in beslag genomen schoenen vergeleken met de schoenen van de dader, te zien op de camerabeelden van de Hema. Op de camerabeelden is zichtbaar dat de dader zwarte schoenen met een witte zool en witte randen aan de onder- en bovenzijde van de schoen draagt. Aan de zijkant van de schoen is een rode gloed te zien. De onder verdachte in beslag genomen schoenen betreffen zwart/rode Puma-schoenen, met een witte zool en witte randen aan de onder- en bovenzijde.31

Bewijsoverweging

Verdachte heeft in zijn verhoren wisselend verklaard over het al niet kennen van [medeverdachte] ( [medeverdachte] ). Ter terechtzitting heeft hij verklaard de door [medeverdachte] genoemde coffeeshops te bezoeken.
De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de overval op de Hema Zaandam en daarbij geld uit de kassa heeft gepakt.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 eerste alternatief en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

(onderzoek Haine)

hij op 16 juli 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 55 euro, toebehorende aan Drogisterij Sandra, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, met een schroevendraaier in de hand die [slachtoffer 1] dreigend de woorden "geld, geld, geef geld" heeft toegevoegd en een greep in de kassa heeft gedaan;

Feit 2:

(onderzoek Dijle)

hij op 1 juni 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een onbekend geldbedrag en/of een of meer goed(eren), toebehorende aan Deen supermarkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, met een schroevendraaier in de hand dreigend de woorden "kluis openmaken" heeft toegevoegd aan die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ;

Feit 4:

(onderzoek Sure)

hij op 23 mei 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan Hema Zaandam, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, op voornoemde [slachtoffer 4] af kwam rennen met een mes in de hand en dreigend de woorden "overval" aan die [slachtoffer 4] heeft toegevoegd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 3 telkens:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

Ten aanzien van feit 2 eerste alternatief:

poging tot diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan de bewezen verklaarde feiten zou ontbreken. De bewezen verklaarde feiten zijn derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte


In opdracht van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken hebben psycholoog P.E. Geurkink en psychiater C.J. Kerssens, beiden werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie, locatie Pieter Baan Centrum, onderzoek gedaan naar de persoonlijkheid en de geestvermogens van verdachte. Het PBC-rapport gedateerd 12 februari 2016 houdt onder meer het volgende in:

Verdachte is lijdend aan een ziekelijke stoornis, namelijk schizofrenie van het paranoïde type. Daarnaast is sprake van afhankelijkheid van cannabis en kan afhankelijkheid van cocaïne worden vermoed. Door de overheersende symptomen van schizofrenie kan niet met zekerheid worden gezegd dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was sprake van de hiervoor genoemde schizofrene stoornis en middelenafhankelijkheid. Door de weigering van verdachte om te spreken over de ten laste gelegde feiten kan niet worden gereconstrueerd hoe zijn ziekelijke stoornissen van invloed waren op zijn gedragingen. Wel is duidelijk geworden dat betrokkene in de periode dat de ten laste gelegde feiten plaatsvonden floride psychotisch was en verslaafd aan cannabis en mogelijk ook aan cocaïne. Vermoed kan worden dat hij hierdoor impulsiever was, minder interne sturing had en minder goed in staat was de gevolgen van zijn daden te overzien. Er is volgens de deskundigen geen conclusie te geven ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Nu niet vaststaat dat en in welke mate een causaal verband bestaat tussen de bij verdachte gediagnosticeerde stoornissen en de door hem gepleegde strafbare feiten ziet de rechtbank geen grondslag voor de slotsom dat de strafbare feiten aan verdachte niet kunnen worden toegerekend.
De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met deze ziekelijke stoornissen.

Voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast en dat zijn verpleging van overheidswege dient te worden bevolen, nu bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd, waarbij de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte de duur van het voorarrest niet overtreft. De raadsman stelt voor om aan het voorwaardelijke gedeelte bijzondere voorwaarden te verbinden, waaronder de klinische opname in de FPK Inforsa, zoals geadviseerd door de reclassering, en daarna verblijf in een instelling voor begeleid wonen. Verdachte en zijn raadsman hebben zich verzet tegen de maatregel van de terbeschikkingstelling. Verdachte heeft ter zitting verklaard bereid te zijn tot medewerking aan de vorenbedoelde opname in de FPK Inforsa.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal winkelovervallen, waarbij in twee gevallen daadwerkelijk geld is weggenomen. Bij deze overvallen heeft verdachte steeds medewerkers van deze winkels bedreigd, tweemaal met een schroevendraaier en eenmaal met een mes. Blijkens haar slachtofferverklaring ervaart in elk geval de medewerkster van de overvallen drogisterij hiervan traumatische gevolgen. Verdachte heeft zich echter geen rekenschap gegeven van deze gevolgen van zijn daden voor zijn slachtoffers. Bovendien leveren de hiervoor beschreven feiten materiële schade op en brengen zij tevens, zeker indien begaan op voor publiek toegankelijke plaatsen zoals winkels, gevoelens van onbehagen en onveiligheid teweeg.

De ernst van de hiervoor beschreven feiten rechtvaardigt in beginsel een vrijheidsbenemende straf van lange duur.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank allereerst overwogen dat er geen grond is om op verdachte het jeugdstrafrecht van toepassing te verklaren.

Voorts heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 september 2015, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van een soortgelijke overval onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld.

Dit heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- de over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapporten gedateerd 28 maart 2016 en 26 april 2016 van C. Hornby, als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland.

Zij schrijft onder meer dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf geïndiceerd lijkt vanwege de ernst van de feiten, het niet volledig willen meewerken aan het PBC-onderzoek en de volledig ontkenning van de ten laste gelegde feiten. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt echter niet geadviseerd omdat verdachte, waarbij psychische problematiek is gediagnosticeerd, dan opnieuw zal terugkeren naar het leven dat hij leidde zonder dat zijn gedrag zal veranderen. Enkel een langdurig klinisch traject kan het risico op recidive verlagen en wellicht ziektebesef en inzicht geven. Daarnaast kan een klinisch traject gericht worden op stabilisatie middels structuur, controle en aanpassing van het medicatiebeleid. Als verdachte tot stabiel gedrag komt, kan hij worden doorgeplaatst naar een passende vervolgvoorziening. De reclassering adviseert aldus een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een klinische behandeling bij de FPK Inforsa, waar ook plaats is voor verdachte.

De rechtbank heeft voorts het PBC-rapport in beschouwing genomen, waarvan de korte inhoud hiervoor reeds in de rubriek ‘strafbaarheid van verdachte’ is weergegeven.
Verdachte was ten tijde van het begaan van de feiten floride psychotisch.

Gelet op het PBC-rapport en de voornoemde reclasseringsrapporten is de rechtbank van oordeel dat een langdurig klinisch traject voor verdachte passend en geboden is om het recidiverisico te beperken. In dat verband ziet de rechtbank zich daarom vooreerst voor de vraag gesteld of de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd, zoals gevorderd door de officier van justitie.

De rechtbank overweegt daarover als volgt. De maatregel van terbeschikkingstelling is zeer ingrijpend en veelal langdurig vrijheidsbenemend van aard, zodat deze niet lichtvaardig dient te worden opgelegd. Bij de beoordeling hiervan dienen mede de aard en de ernst van de gepleegde feiten en de noodzaak tot beveiliging van de maatschappij te worden betrokken.

Evenals de officier van justitie constateert de rechtbank dat er sprake is van ernstige psychische problematiek bij verdachte, dat eerdere behandelingen niet het beoogde resultaat hebben gehad en dat er aldus een hoog recidiverisico bestaat. De rechtbank is echter, mede gelet op de justitiële voorgeschiedenis van verdachte, van oordeel dat de ernst van de feiten in relatie tot de zwaarte van de geëiste maatregel thans niet proportioneel en dus niet passend is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de voor verdachte benodigde langdurige klinische behandeling ook kan geschieden in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en dat verdachte zich bereid heeft verklaard om mee te werken aan een klinische opname bij de FPK Inforsa. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet zal opleggen.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van drie jaar moet worden opgelegd. De rechtbank zal daarbij echter bepalen dat een gedeelte van twee jaar daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zij zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaar, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden aan het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf, te weten de meldplicht en de klinische opname voor behandeling in de FPK Inforsa voor maximaal twee jaar van de proeftijd. Ten slotte zal de rechtbank – in aanvulling op de door de reclassering geadviseerde voorwaarden – als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke strafgedeelte verbinden dat verdachte na zijn opname bij de FPK dient te verblijven in een instelling voor begeleid wonen, nu verdachte gelet op zijn psychische problematiek immers langdurige begeleiding behoeft.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten (6.) 1 stk. Tas kl: blauw, M&S Mode, dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezen verklaarde feit met behulp van dat voorwerp, dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. stk Schoeisel kl: zwart. Nike Air Max;

2. 1 stk Pet. Nike;

3. 1 stk Jas. Garcia Jeans winter;

4. 1 stk Tas. Shoebaloo boodschappentas;

5. 1 stk Jas. Green G winter;

7. 1 stk Pet kl: rood. GT Mobile;

8. 1 stk Broek kl: zwart. Cedar wood kort;

9. 1 stk Vest kl: grijs. LOGG Hoodie;

10. 1 stk Broek kl: grijs. Nike Jogging;

11. 1 stk Shirt kl: wit. Adidas,

dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

8 Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 650,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met bedreiging met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 tweede alternatief is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 eerste alternatief en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 (twee) jaren niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich zal melden bij Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende maximaal twee jaren van de proeftijd zal laten opnemen in FPK Inforsa, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

- na zijn opname bij de FPK zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Verklaart verbeurd:

6. 1 stk. Tas kl: blauw, M&S Mode

 Gelast de teruggave aan verdachte van:

2. 1 stk Pet. Nike;

3. 1 stk Jas. Garcia Jeans winter;

4. 1 stk Tas. Shoebaloo boodschappentas;

5. 1 stk Jas. Green G winter;

7. 1 stk Pet kl: rood. GT Mobile;

8. 1 stk Broek kl: zwart. Cedar wood kort;

9. 1 stk Vest kl: grijs. LOGG Hoodie;

10. 1 stk Broek kl: grijs. Nike Jogging;

11. 1 stk Shirt kl: wit. Adidas.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro), ter vergoeding van geleden immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. A.F. van Hoorn en mr. H. Brouwer, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.M. Piet,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juni 2016.

Mr. Van Hoorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] namens Drogisterij Sandra d.d. 16 juli 2015 (zaaksdossier Haine/Durme, pagina’s 29 tot en met 31).

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 16 juli 2015 (zaaksdossier Haine/Durme, pagina 33).

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] namens Drogisterij Sandra d.d. 16 juli 2015 (zaaksdossier Haine/Durme, pagina’s 29 tot en met 31).

5 Proces-verbaal van verhoor aangever [benadeelde] d.d. 20 juli 2015 (zaaksdossier Haine/Durme, pagina 26).

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 16 juli 2015 (zaaksdossier Haine/Durme, pagina 47); Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 20 juli 2015 (zaaksdossier Haine/Durme, pagina’s 51 tot en met 53).

7 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten G. van Ruler en E. van Schagen d.d. 16 juli 2015 (zaaksdossier Haine/Durme, pagina 16).

8 Proces-verbaal onderzoek beelden overval DIO drogisterij d.d. 21 juli 2015 (zaaksdossier Haine/Durme, pagina’s 59 en 76).

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 16 juli 2015 (zaaksdossier Haine/Durme, pagina 34).

10 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 3] d.d. 1 juni 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina’s 26 en 27).

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 1 juni 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina’s 32 en 33).

12 Proces-verbaal bevindingen met betrekking tot contact afdelingscommunicatie d.d. 15 juli 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina 53).

13 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant S.A.M. Denekamp d.d. 21 juli 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina’s 62 en 63).

14 Proces-verbaal melding dader overval Deen d.d. 31 augustus 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina 64).

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 21 juli 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina 113).

16 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 20 juli 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina’s 76 en 77).

17 Proces-verbaal bevindingen vergelijking [verdachte] en overvaller Deen d.d. 23 juli 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina 66).

18 Proces-verbaal aanvullende bevindingen vergelijking beelden dader overval met kleding [verdachte] d.d. 5 augustus 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina’s 70 en 71).

19 Proces-verbaal bevindingen vergelijking [verdachte] en overvaller Deen d.d. 23 juli 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina 66).

20 Proces-verbaal bevindingen vergelijking [verdachte] en overvaller Deen d.d. 23 juli 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina’s 68 en 69).

21 Proces-verbaal aanvullende bevindingen vergelijking beelden dader overval met kleding [verdachte] d.d. 5 augustus 2015 (zaaksdossier Dijle/Leie, pagina 71).

22 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 4] d.d. 24 mei 2015 (zaaksdossier Sure/Salm, pagina’s 31 en 32).

23 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 23 mei 2015 (zaaksdossier Sure/Salm, pagina 45).

24 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2015 (zaaksdossier Sure/Salm, pagina’s 119, 148 en 150).

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 23 mei 2015 (zaaksdossier Sure/Salm, pagina 46).

26 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2015 (zaaksdossier Sure/Salm, pagina’s 120, 121 en 155).

27 Proces-verbaal beelden geplaatst op politie.nl d.d. 15 juli 2015 (zaaksdossier Sure/Salm, pagina 173).

28 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] d.d. 15 juli 2015 (zaaksdossier Sure/Salm, pagina 69).

29 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 21 juli 2015 (zaaksdossier Sure/Salm, pagina’s 328 en 329).

30 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 13 april 2016, pagina 2 (los in dossier).

31 Proces-verbaal vergelijking kleding dader en [verdachte] d.d. 22 juli 2015 (zaaksdossier Sure/Salm, pagina’s 158 en 161 tot en met 164).