Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:4701

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
4563025 OA VERZ 15-181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz-zaak. Het verzoek van de werkgever om voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, omdat daarbij geen belang meer bestaat, nu de arbeidsovereenkomst al van rechtswege is geëindigd wegens het aflopen van de bepaalde tijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1591
AR-Updates.nl 2016-0610
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 4563025 \ OA VERZ 15-181

Uitspraakdatum: 1 juni 2016 (bij vervroeging)

Beschikking in de zaak van:

[naam 2] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: [de werknemer]

gemachtigde: mr. F.S.C. Thijsse
[toevoeg.nr.: [nr.] ]

tegen

[Naam] , h.o.d.n. Snackbar [x],

wonende/gevestigd te [plaats]

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: [de werkgever]

procederend in persoon

1 Het verdere procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

Op 15 december 2015 is een tussenbeschikking gegeven. De kantonrechter blijft bij hetgeen daarin is overwogen en beslist.

1.2.

Na de tussenbeschikking hebben beide partijen getuigen laten horen. Van deze verhoren is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2 De verdere beoordeling

in de zaak van het verzoek

2.1.

[de werkgever] is in de tussenbeschikking in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat [moeder] (hierna: [de moeder] ), de moeder van [de werknemer] , op 30 augustus 2015 aan [medewerker] (hierna: [de medewerker] ) heeft medegedeeld dat [de werknemer] niet zal komen werken omdat zij er geen zin in heeft en dat geen sprake was van een ziekmelding. Naar het oordeel van de kantonrechter is [de werkgever] daarin niet geslaagd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.2.

Getuige [de medewerker] heeft verklaard dat hij op zondag 30 augustus 2015 kort voor vijf uur werd gebeld door [de moeder] en dat zij heeft gezegd dat [de werknemer] niet zou komen werken omdat ze er geen zin in had. [de medewerker] heeft ook verklaard dat hij met 100% zekerheid kan zeggen dat er niets is gezegd over ziekte of een ziekmelding.

2.3.

Getuige [de moeder] heeft verklaard dat zij op zondag 30 augustus 2015 rond half vijf heeft gebeld met [de medewerker] en dat zij tegen hem heeft gezegd dat ze doorgaf dat [de werknemer] ziek was en niet zou komen werken. [de moeder] verklaart ook dat zij zeker weet dat ze het woord ‘ziek’ heeft gebruikt.

2.4.

De verklaringen van [de medewerker] en [de moeder] staan haaks op elkaar, maar de kantonrechter ziet geen aanleiding om meer gewicht toe te kennen aan de verklaring van [de medewerker] dan aan die van [de moeder] . Voor beide getuigen geldt dat zij niet los staan van partijen. [de medewerker] is een werknemer van [de werkgever] en met hem bevriend, [de moeder] is de moeder van [de werknemer] . Voor beide getuigen geldt daarom dat bij de waardering van hun verklaring rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat zij niet onafhankelijk zijn, maar een relatie hebben met partijen. Er is wel aanleiding om meer gewicht toe te kennen aan de verklaring van [de moeder] , omdat deze verklaring de kantonrechter logischer en geloofwaardiger overkomt. De kantonrechter kan [de moeder] volgen in haar opmerking als getuige dat niet valt in te zien waarom zij zou bellen met [de medewerker] , anders dan om ten behoeve van [de werknemer] door te geven dat [de werknemer] ziek is en niet komt werken. Het komt de kantonrechter onlogisch en onwaarschijnlijk voor dat [de moeder] als moeder van [de werknemer] alleen met [de medewerker] zou hebben gebeld om te vertellen dat [de werknemer] geen zin had om te komen werken. Een dergelijke mededeling is niet alleen ongebruikelijk en ongewoon, maar had ook door [de werknemer] zelf kunnen worden gedaan, zonder dat het nodig was daarvoor [de moeder] in te schakelen.

2.5.

De verklaring van getuige [Y] is geen reden voor een ander oordeel. [Y] verklaart dat zij op 30 augustus 2015 na vijf uur is gebeld door [de werknemer] met de mededeling dat [de werknemer] die dag niet ging werken omdat zij een meningsverschil had met [de werkgever] . Die verklaring zegt echter niets over de vraag wat [de moeder] aan [de medewerker] heeft medegedeeld.

Ook het door [de werkgever] overlegde WhatsAppbericht van [de werknemer] van 30 augustus 2015 levert geen bewijs op ten aanzien van hetgeen [de moeder] tegen [de medewerker] heeft gezegd, waarbij bovendien geldt dat [de werknemer] in dat bericht niet zegt dat zij op 30 augustus 2015 niet zal komen werken omdat zij er geen zin in heeft.

2.6.

Nu [de werkgever] niet is geslaagd in de bewijsopdracht, neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat [de werkgever] geen dringende reden had voor het ontslag op staande voet op 30 augustus 2015.

2.7.

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [de werknemer] om vernietiging van dat ontslag worden toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW.

2.8.

Nu het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort en heeft [de werknemer] recht op loon. De vordering van [de werknemer] tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen, zij het tot 18 februari 2016, omdat vast staat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan en van rechtswege is geëindigd op 18 februari 2016. Van een stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst na die datum is geen sprake. De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [de werkgever] te laat heeft betaald, waarbij de wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 25%.

2.9.

De vorderingen tot loonbetaling over de maand augustus 2015 en tot betaling van de aanzegvergoeding worden toegewezen, omdat [de werkgever] die vorderingen niet heeft betwist. Op de zitting heeft [de werknemer] nader toegelicht dat het gaat om een bedrag van € 424,27 bruto aan loon over de maand augustus en € 312,80 bruto aan aanzegvergoeding, hetgeen door [de werkgever] niet, althans onvoldoende is weersproken. Die bedragen zullen dus worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, en waar het betreft het loon over de maand augustus 2015 ook vermeerderd met de wettelijke verhoging, met een maximum van 25%.

2.10.

Ook de vordering om [de werkgever] te veroordelen tot verstrekking van salarisspecificaties kan worden toegewezen, nu deze niet is betwist. De termijn voor verstrekking zal daarbij worden gesteld op een maand na deze beschikking.

2.11.

De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld en ook niet is gebleken dat (redelijke) kosten zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

2.12.

Het verzoek van [de werknemer] om [de werkgever] te veroordelen tot toelating van [de werknemer] tot de werkvloer wordt afgewezen, omdat de arbeidsovereenkomst al van rechtswege is geëindigd op 18 februari 2016.

2.13.

De proceskosten, inclusief de getuigentaxe, komen voor rekening van [de werkgever] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt. Er is geen grondslag gesteld of gebleken om naast de proceskosten overeenkomstig het gebruikelijke tarief nog een vergoeding voor de gevorderde eigen bijdrage toe te kennen.

in de zaak van het tegenverzoek

2.14.

Het verzoek van [de werkgever] om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat [de werkgever] geen dringende reden had voor een ontslag op staande voet.

2.15.

Het verzoek van [de werkgever] om voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen. [de werkgever] heeft verzocht om de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden, namelijk “indien het ontslag op staande voet wordt vernietigd”. Op zichzelf is aan die voorwaarde voldaan, omdat uit deze beschikking volgt dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd. Echter, ook staat vast dat de arbeidsovereenkomst inmiddels al van rechtswege is geëindigd per 18 februari 2016. De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst niet met terugwerkende kracht ontbinden. Dat betekent dat [de werkgever] geen belang meer heeft, als bedoeld in artikel 3:303 BW, bij zijn verzoek om voorwaardelijke ontbinding, zodat het verzoek om die reden zal worden afgewezen.

2.16.

De proceskosten komen voor rekening van [de werkgever] , omdat hij ongelijk krijgt. Gelet op de samenhang met de zaak van het verzoek zullen die kosten tot op heden op nihil worden vastgesteld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

vernietigt het ontslag op staande voet;

6.2.

veroordeelt [de werkgever] tot uitbetaling van het loon van [de werknemer] over de maand augustus 2015 tot een bedrag van € 424,27 bruto, en tot doorbetaling van het verschuldigde loon per maand vanaf 30 augustus 2015 tot 18 februari 2016, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25%, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot aan de dag van de gehele betaling;

6.3.

veroordeelt [de werkgever] tot betaling van de aan [de werknemer] toekomende aanzegboete tot een bedrag van € 312,80 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden van dat bedrag tot aan de dag van de gehele betaling;

6.4.

veroordeelt [de werkgever] om aan [de werknemer] schriftelijke en deugdelijke netto-bruto specificaties te verstrekken vanaf augustus 2015, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag een maand na de datum van deze beschikking dat [de werkgever] niet voldoet aan de beschikking, met een maximum van € 10.000,-;

6.5.

veroordeelt [de werkgever] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de [de werknemer] tot en met vandaag vaststelt op:

griffierecht € 78,00

salaris gemachtigde € 600,00
getuigentaxe € 20,00;

6.6.

wijst het verzoek voor het overige af;

6.7.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak van het tegenverzoek

6.8.

wijst het verzoek af;

6.9.

veroordeelt [de werkgever] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de [de werknemer] tot en met vandaag vaststelt op nihil;

6.10.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en bij vervroeging op 1 juni 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter