Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:4683

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-01-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
4485704 EJ VERZ 15-61
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschilprocedure over bedrijfsongeval werknemer. Bij de beantwoording van de vraag welke maatregelen in het licht van een specifiek veiligheidsvoorschrift in het Arbeidsomstandighedenbesluit redelijkerwijs van een werkgever mochten worden gevergd, kan geen (beslissende) betekenis toekomen aan de voorzichtigheid die mocht worden verwacht van een werknemer in een situatie die niet in overeenstemming was met de genoemde veiligheidsvoorschriften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1580
AR-Updates.nl 2016-0604
PS-Updates.nl 2016-0156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 4485704 \ EJ VERZ 15-61

Uitspraakdatum: 11 april 2016

Beschikking in de zaak van:

[naam] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [de werknemer]

gemachtigde: mr. J.J. van Vliet

tegen

de besloten vennootschap Volendammer Schoonmaakbedrijf Succes B.V.,

gevestigd te Volendam

verwerende partij

verder te noemen: Succes

gemachtigde: mr.drs. H.M. Kruitwagen

1 Het procesverloop

1.1.

[de werknemer] heeft op grond van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een verzoek gedaan om te beslissen over een geschil omtrent een bedrijfsongeval. Succes heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 13 januari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [de werknemer] bij brief van 29 december 2015 nog stukken toegezonden.

1.3.

Na tussenbeschikkingen van 27 januari 2016 en 22 februari 2016 hebben partijen op 14 maart 2016 nog een akte genomen.

2 De feiten

2.1.

[de werknemer] , geboren [datum] , is op 21 juni 2011 in dienst getreden bij Succes, als schoonmaakster, op basis van een arbeidsovereenkomst voor drie maanden en met een werkweek van 25 uur.

2.2.

Op 30 juni 2011 is [de werknemer] een ongeval overkomen tijdens het verrichten van haar werkzaamheden voor Succes. Van het ongeval is door de toenmalige rayonmanager van Succes, [X] , een rapport ‘Ongevalsmelding’ opgemaakt.

2.3.

[de werknemer] is na het ongeval wegens ziekte uitgevallen voor haar werk en tot op heden arbeidsongeschikt gebleven.

2.4.

Succes is door [de werknemer] aansprakelijk gesteld voor de schade die [de werknemer] stelt te hebben geleden en nog lijdt door het ongeval van 30 juni 2011. Succes heeft die aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het verzoek

3.1.

[de werknemer] verzoekt voor recht te verklaren dat Succes als werkgever aansprakelijk is voor het op 30 juni 2011 aan [de werknemer] overkomen arbeidsongeval en daarmee aansprakelijk is voor alle daaraan toe te rekenen schade van [de werknemer] . Daarnaast verzoekt [de werknemer] Succes te veroordelen tot betaling van € 4.887,75 aan kosten van dit geding.

3.2.

Aan het verzoek legt [de werknemer] ten grondslag – kort weergegeven – dat Succes op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het arbeidsongeval, omdat dit ongeval [de werknemer] is overkomen tijdens het werk en Succes haar zorgplicht niet is nagekomen.

4 Het verweer

4.1.

Succes verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan – samengevat – dat deze zaak niet geschikt is om te worden beoordeeld in een procedure als bedoeld in artikel 1019w Rv en dat Succes niet aansprakelijk is voor het ongeval, omdat geen sprake is van een schending van de zorgplicht van artikel 7:658 BW.

4.2.

Verder wijst Succes erop dat [de werknemer] niets heeft gesteld omtrent de omvang van de schade en het causaal verband tussen het ongeval en de huidige medische klachten, dat er geen grond is voor de gevorderde kostenveroordeling en dat de gestelde kosten ook niet zijn onderbouwd.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of voor recht moet worden verklaard dat Succes als werkgever aansprakelijk is voor het op 30 juni 2011 aan [de werknemer] overkomen arbeidsongeval en daarmee aansprakelijk is voor alle daaraan toe te rekenen schade van [de werknemer] .

5.2.

Anders dan Succes, ziet de kantonrechter geen reden om te oordelen dat het verzoek van [de werknemer] zich niet leent voor een beoordeling in deze zogenoemde deelgeschilprocedure. Uit de artikelen 1019w lid 1 en 1019z Rv volgt dat de kantonrechter in het kader van een deelgeschilprocedure een beslissing kan geven over een geschilpunt tussen partijen als dat kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. In dit geval zijn partijen het niet eens over de vraag of Succes aansprakelijk is voor het ongeval van 30 juni 2011. Om die reden zijn partijen nog niet toegekomen aan een verdere bespreking van een eventuele vaststellingsovereenkomst. Een oordeel over de aansprakelijkheid van Succes voor het ongeval kan dus bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Verder weegt mee dat voor de beoordeling van de aansprakelijkheid ook geen getuigenbewijs of deskundigenonderzoek nodig is, zoals blijkt uit hetgeen hierna wordt overwogen.

5.3.

Op de zitting heeft Succes gezegd dat zij de door [de werknemer] gestelde toedracht van het ongeval op 30 juni 2011 niet (meer) betwist. Ook is de nadere toelichting door [de werknemer] op de zitting over die toedracht niet weersproken. Daarvan uitgaande neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat het ongeval eruit bestaat dat [de werknemer] op 30 juni 2011 tijdens het verrichten van haar schoonmaakwerkzaamheden in een gebouw van de Universiteit van Amsterdam, op de locatie Roeterseiland te Amsterdam, tegen een glazen wand is aangelopen, dat zij door de botsing met die wand onwel is geworden en (later) als gevolg van de botsing is flauwgevallen. Blijkens de foto’s die zijn overgelegd ging het om een situatie waarin de betreffende glazen wand was geplaatst naast een transparante deur, aan het eind van een gang. Die deur gaf toegang tot een kamer die door [de werknemer] moest worden schoongemaakt. Ook wordt uitgaande van de toelichting van [de werknemer] als vaststaand aangenomen dat [de werknemer] uit een andere, dichtbijgelegen kamer kwam die zij net had schoongemaakt en linksaf de gang inliep richting de kamer met de glazen wand, dat zij in de veronderstelling verkeerde dat die glazen wand een openstaande deur was waardoor zij die kamer kon bereiken en dat de botsing plaatsvond omdat zij de glazen wand niet heeft opgemerkt.

5.4.

Bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van Succes stelt de kantonrechter voorop dat een werkgever op grond van artikel 7:658 lid 1 BW verplicht is de lokalen waarin hij de arbeid doet verrichten op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Volgens artikel 7:658 lid 2 BW is een werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

5.5.

Verder is van belang dat in dit geval sprake is van een specifieke veiligheidsnorm. In artikel 3.11 lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zoals dit artikel luidde op 30 juni 2011, staat het volgende:

“4. Transparante of lichtdoorlatende wanden van arbeidsplaatsen zijn, voor zover mogelijk in verband met de aard van de arbeidsplaats:

a. duidelijk gemarkeerd en van veiligheidsmateriaal vervaardigd, of

b. op een zodanige wijze aangebracht of afgeschermd dat de werknemers niet gewond kunnen raken.”

5.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter is Succes op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk voor het arbeidsongeval van [de werknemer] op 30 juni 2011, op de volgende gronden.

5.7.

Als vaststaand kan worden aangenomen dat [de werknemer] in de uitoefening van haar werkzaamheden op 30 juni 2011 een ongeval is overkomen waardoor zij schade heeft geleden. Dat de aard en omvang van die schade onduidelijk is, zoals Succes stelt, is voor de vraag of aansprakelijkheid bestaat niet van belang, omdat op basis van de stukken ieder geval voldoende is gebleken dat er enige vorm van schade is geleden door [de werknemer] . Wat die schade precies is en of alle door [de werknemer] gestelde schade verband houdt met het ongeval, staat niet ter beoordeling in deze procedure.

5.8.

Verder overweegt de kantonrechter dat Succes haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW heeft geschonden, nu zij de locatie waarin de arbeid werd verricht niet op zodanige wijze heeft ingericht en niet alle maatregelen heeft getroffen als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat [de werknemer] schade zou lijden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Volgens artikel 3.11 lid 4, aanhef en onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit moeten transparante of lichtdoorlatende wanden van arbeidsplaatsen, voor zover mogelijk in verband met de aard van de arbeidsplaats, duidelijk gemarkeerd zijn. Vast staat dat de glazen wand waar [de werknemer] tegenaan is gelopen, niet was voorzien van enige markering, in de vorm van bijvoorbeeld een sticker of een ander markeringsmiddel. Dit betekent dat Succes de verplichting van artikel 3.11 lid 4, aanhef en onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft geschonden. Daaruit volgt ook dat Succes in dit geval haar zorgplicht heeft geschonden, temeer nu artikel 3.11 lid 4, aanhef en onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit een specifieke veiligheidsnorm is die [de werknemer] nu juist beoogde te beschermen tegen het gevaar dat zich hier heeft verwezenlijkt, namelijk dat over het hoofd wordt gezien dat een glazen wand geen openstaande deur of doorgang is.

5.9.

De stelling van Succes dat artikel 3.11 lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet is geschonden, omdat de glazen wand zodanig was aangebracht dat werknemers niet gewond konden raken, wordt niet gevolgd. Op zichzelf stelt Succes terecht dat uit artikel 3.11 lid 4, aanhef en onder b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit blijkt dat ook aan de veiligheidsnorm van dat artikel kan worden voldaan als de glazen wand ”op een zodanige wijze [is] aangebracht of afgeschermd dat de werknemers niet gewond kunnen raken.” Echter, vast staat dat [de werknemer] nu juist wel gewond is geraakt door een botsing met de glazen wand, zodat ook vast staat dat die glazen wand niet zodanig was geplaatst dat werknemers daardoor niet gewond kónden raken. Voor zover Succes heeft bedoeld te stellen dat een markering van de glazen wand in verband met de aard van de arbeidsplaats niet vereist was, gaat ook deze stelling niet op. Volgens artikel 3.11 lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bestaat de verplichting om een markering aan te brengen “voor zover mogelijk in verband met de aard van de arbeidsplaats”. In de toelichting bij het Arbeidsomstandighedenbesluit is opgemerkt dat bij de aard van een arbeidsplaats waar het aanbrengen van een markering in een glazen wand niet mogelijk is, moet worden gedacht aan kassen (Besluit van 15 januari 1997, Stb. 1997/60, nota van toelichting pag. 301). Mede gelet op die toelichting valt niet in te zien dat in dit geval de aard van de arbeidsplaats in de weg stond aan het aanbrengen van een markering.

5.10.

Dat het ongeval heeft plaatsgevonden in een gebouw van de Universiteit van Amsterdam en dat Succes geen zeggenschap heeft over dat gebouw en het aanbrengen van markeringen in een glazen wand in dat gebouw, zoals zij stelt, doet niet af aan de schending van de zorgplicht. Nu Succes als werkgever [de werknemer] schoonmaakwerkzaamheden heeft laten verrichten op de betreffende locatie en die locatie destijds – blijkens de toelichting van Succes op de zitting – een vast schoonmaakproject was van Succes, kon van haar gevergd worden dat zij vooraf een inventarisatie verrichtte van de aan die werkzaamheden verbonden veiligheidsrisico’s. Gelet op de door Succes overgelegde stukken, waaronder een document ‘Overzicht knelpunten’, en haar toelichting op de zitting, heeft Succes in dit geval op 5 april 2011 op de betreffende locatie ook een onderzoek gedaan naar die veiligheidsrisico’s, waaruit blijkt dat zij een dergelijke inventarisatie zelf ook nodig èn mogelijk achtte. Bij die inventarisatie is kennelijk niet onderkend dat de glazen wand niet van een markering was voorzien. Echter, nu het gaat om een duidelijke veiligheidsnorm en Succes bij eerdergenoemde inventarisatie op eenvoudige wijze had kunnen vaststellen dat daaraan niet werd voldaan, had Succes in het kader van haar zorgplicht wel kunnen en behoren te weten dat een markering op de glazen wand ontbrak. Zij had ook op eenvoudige wijze de schending van artikel 3.11 lid 4, aanhef en onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit kunnen voorkomen en wegnemen, door in overleg met de Universiteit van Amsterdam markeringen op de glazen wand aan te (laten) brengen, temeer nu het hier gaat om een simpele en goedkope veiligheidsmaatregel. Dat volgt ook uit het hiervoor genoemde rapport ‘Ongevalsmelding’ van de toenmalige rayonmanager van Succes, waarin is aangetekend: “Hoe kan dit voorval in de toekomst worden voorkomen? Door de glazen deur te laten markeren, dit dient in overleg te gaan met de UvA”. De verwijzing door Succes in dit kader naar een uitspraak van de Hoge Raad treft geen doel, omdat in die uitspraak, anders dan in deze zaak, als vaststaand werd aangenomen dat de werkgever niet op de hoogte kon of behoefde te zijn van het veiligheidsrisico’s en er ook geen sprake was van schending van een specifieke veiligheidsnorm (HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7000; NJ 2004/176 (Dusarduyn/Gebroeders Du Puy)).

5.11.

Succes heeft verder het standpunt ingenomen dat het treffen van veiligheidsmaatregelen ook niet van haar gevergd kon worden, omdat [de werknemer] bij een normale oplettendheid had moeten opvallen dat sprake was van een glazen wand, zeker nu zij al anderhalve week werkzaam was op de betreffende locatie. De kantonrechter deelt dit standpunt van Succes niet. Bij de beantwoording van de vraag welke maatregelen in het licht van een specifiek veiligheidsvoorschrift in het Arbeidsomstandighedenbesluit redelijkerwijs van een werkgever mochten worden gevergd, kan geen (beslissende) betekenis toekomen aan de voorzichtigheid die mocht worden verwacht van een werknemer in een situatie die niet in overeenstemming was met de genoemde veiligheidsvoorschriften (HR 13 juli 2007, ECLI:NL: HR:2007:BA7355; NJ 2008/464 (Van Veghel/Hendriks Bouwbedrijf Oss B.V.)). Uitgangspunt is immers dat het de werkgever is die rekening moet houden met het algemene ervaringsfeit dat ook in het werk ervaren en met de desbetreffende werkomstandigheden bekende werknemers niet steeds de noodzakelijke voorzichtigheid in acht zullen nemen. Het achterwege laten van maatregelen of aanwijzingen die redelijkerwijs nodig zijn teneinde schade voor de werknemer als gevolg van onveilige arbeidsomstandigheden te voorkomen kan dan ook niet gerechtvaardigd worden enkel met een beroep op hetgeen van een werknemer mag worden verwacht ten aanzien van het in acht nemen van de noodzakelijke voorzichtigheid in dergelijke omstandigheden.

5.12.

Succes heeft haar stelling dat het markeren van de glazen wand het ongeval ook niet zou hebben voorkomen, niet gemotiveerd of onderbouwd. Mede in het licht van de veiligheidsnorm van artikel 3.11 lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet worden aangenomen dat het aanbrengen van een markering op de glazen wand juist wel had voorkomen dat [de werknemer] daarmee in botsing was gekomen. Concrete feiten of omstandigheden die een andere conclusie kunnen rechtvaardigen, zijn door Succes niet gesteld en ook niet gebleken.

5.13.

Niet in geschil is dat de schade niet in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [de werknemer] .

5.14.

De conclusie van het voorgaande is dat Succes op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade van [de werknemer] als gevolg van het ongeval op 30 juni 2011. De gevraagde verklaring voor recht kan daarom worden toegewezen, voor zover het betreft de verklaring dat Succes als werkgever aansprakelijk is voor het op 30 juni 2011 aan [de werknemer] overkomen arbeidsongeval en daarmee aansprakelijk is voor alle daaraan toe te rekenen schade van [de werknemer] . Voor zover mede wordt gevraagd om een verklaring voor recht dat het daarbij gaat om materiële en immateriële schade, vermeerderd met de kosten in en buiten rechte en vermeerderd met wettelijke rente, wordt het verzoek afgewezen, omdat daarover in deze deelgeschilprocedue geen oordeel kan worden gegeven.

5.15.

Op grond van artikel 1019aa Rv moet de kantonrechter de kosten van deze procedure begroten en daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Bij de begroting van de kosten geldt de zogeheten dubbele redelijkheidstoets, dat wil zeggen dat zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakt kosten redelijk moeten zijn. [de werknemer] maakt aanspraak op een bedrag van € 4.887,75, terwijl Succes een bedrag van maximaal € 4.000,00 redelijk vindt. De kantonrechter begroot de kosten gelet op de aard en de complexiteit van de zaak in redelijkheid op een bedrag van € 4.086,13, te weten uitgaande van 12.5 uur en een uurtarief van € 250,00, met een opslag voor kantoorkosten van 6% en vermeerderd met 21% btw en € 78,00 aan griffierechten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart voor recht dat Succes als werkgever aansprakelijk is voor het op 30 juni 2011 aan [de werknemer] overkomen arbeidsongeval en daarmee aansprakelijk is voor alle daaraan toe te rekenen schade van [de werknemer] ;

6.2.

veroordeelt Succes in de kosten van dit deelgeschil en begroot die kosten op een bedrag van € 4.086,13;

6.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 11 april 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter