Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:4531

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
HAA 14/5361 en 14/5362
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Een afgegeven invoercertificaat geldt niet voor de gehele contingent-periode; de datum van afgifte is een vanaf-datum. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een actieve gedraging zodat geen vergissing is begaan door de douaneautoriteiten en artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW toepassing mist. Omdat eiseres ten tijde van de aanvaarding van de aangiften niet beschikte over op de in de aangiften vermelde goederen betrekking hebbende invoercertificaten, is slechts herziening op de voet van artikel 78 van het CDW mogelijk. Artikel 66 van het CDW mist toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
DouaneUpdate 2016-0312
NTFR 2016/1806 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 14/5361 en HAA 14/5362

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 april 2016 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder.

14/5361

Procesverloop

Zaak HAA 14/5361

Verweerder heeft aan eiseres op 31 juli 2014 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor € 74.354,65 aan douanerechten op landbouwproducten.

Zaak HAA 14/5362

Verweerder heeft op 31 juli 2014 een verzoek van eiseres om herziening van de aan de utb ten grondslag liggende aangiften gedeeltelijk toegewezen.

Beide zaken

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar de utb gehandhaafd en de beslissing op het herzieningsverzoek in stand gelaten.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2015 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen [A] , de gemachtigde en [B] , kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Vrauwdeunt, mr. J.H. Wijnbelt en C. Hattink.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is de rechtsopvolger van [A BEDRIJF] B.V. Eiseres houdt zich onder meer bezig met de groothandel in vlees en vleeswaren en in wild en gevogelte (niet levend).

2. Eiseres heeft op 24 maart 2014 en 2 april 2014 een vijftal aangiften brengen in het vrije verkeer (invoer) gedaan van bevroren rundvlees zonder been onder goederencode 0202 30 90 90. Eiseres heeft daarbij de invoercertificaten met de nummers 359606 en 359984 overgelegd teneinde in aanmerking te komen voor een verlaagd douanerecht in het kader van een tariefcontingent voor bevroren rundvlees zonder been. Hiervoor vermelde certificaten zijn afgegeven op 14 maart 2014 (nr. 359606) en 26 maart 2014 (nr. 359984) en hebben betrekking op bevroren rundvlees met been, goederencode 0202 10 00 en 0202 20.

3. Namens eiseres is er op 10 juni 2014 verzocht om herziening van de aangiften op grond van artikel 78 van het Communautair douanewetboek (CDW). Bij dit verzoek zijn bovenvermelde invoercertificaten en een nieuw invoercertificaat met nummer 367912 overgelegd. Het invoercertificaat met nummer 367912 heeft betrekking op bevroren rundvlees zonder been, goederencode 0202 30 en 0206 29 91, en is afgegeven op 27 mei 2014. Eiseres staat niet als titularis op invoercertificaat met nummer 367912 vermeld. Op 30 juni 2014 ontvangt verweerder een uittreksel van dit invoercertificaat met nummer 3679121, waarbij per die datum de rechten door de titularis van het invoercertificaat zijn overgedragen aan eiseres. Het verzoek om herziening ziet erop dat het bij dat verzoek overgelegde invoercertificaat in de plaats wordt gesteld van de bij de aangiften voor het vrije verkeer overgelegde invoercertificaten.

4. Op 31 juli 2014 wijst verweerder het verzoek om herziening gedeeltelijk toe, in die zin dat verweerder de codes 070, 125 en L001 die van belang zijn voor de toepassing van het tariefcontingent uit de aangiften verwijdert. Verweerder wijst er voorts op dat de invoercertificaten 359606 en 359984 niet kunnen dienen voor toepassing van het tariefcontingent. Het bij het verzoek om herziening overgelegde invoercertificaat wordt evenmin in aanmerking genomen, omdat het certificaat niet geldig was op het moment van het doen van de aangiften brengen in het vrije verkeer en de overdracht van het certificaat na het doen van de aangiften heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder voor de daardoor meer verschuldigde douanerechten de utb uitgereikt.

Geschil
5. In geschil is of verweerder terecht het verzoek om herziening heeft afgewezen en of de utb terecht is uitgereikt.

6. Eiseres stelt dat het verzoek ten onrechte is afgewezen en de utb ten onrechte is uitgereikt. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het invoercertificaat dat na de datum van invoer is afgegeven wel kan dienen voor het verlaagde tarief (preferentieel tariefcontingent), omdat een afgegeven invoercertificaat geldt voor de gehele contingent-periode en voor invoercertificaten geldt dat de datum van afgifte niet moet worden gezien als een vanaf-datum. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW aan navordering in de weg staat. Eiseres is tot slot van mening dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door de aangiften te wijzigen terwijl verweerder de aangiften ongeldig had moeten maken of buitenwerking had moeten stellen.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de beslissing op het verzoek om herziening en de utb.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het lagere niet-preferentiële tarief uitsluitend van toepassing is als op het moment van het doen van aangifte een invoercertificaat voor het betreffende product ter beschikking staat. Nu eiseres op het moment van invoer voor de betreffende goederen geen geldig invoercertificaat ter beschikking had, kan geen aanspraak worden gemaakt op het verlaagde tarief. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat niet aan de voorwaarden die daaraan zijn gesteld is voldaan, aldus verweerder. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

8. Op 23 mei 2008 is in werking getreden Verordening (EG) Nr. 431/2008 van de Commissie van 18 mei 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van bevroren rundvlees van GN-code 0202 en producten van GN-code 0206 29 91 (hierna: Verordening 431/2008).

Artikel 7, eerste lid, van Verordening 431/2008 luidt:

“De hoeveelheden die in het kader van het in artikel 1, lid 1, vastgestelde contingent worden gegund, mogen pas na het overleggen van een invoercertificaat in het vrije verkeer worden gebracht.”

9. Op 16 mei 2008 is in werking getreden Verordening (EG) Nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (hierna: Verordening 376/2008).

In de preambule van Verordening 376/2008 staat in de overwegingen 15 en 16 het volgende vermeld:

“(15) Het invoer- of uitvoercertificaat geeft het recht in- of uit te voeren. Daarom moet het worden overgelegd bij de aanvaarding van de aangifte ten in- of uitvoer.

(16) Bij vereenvoudigde invoer- of uitvoerprocedures (…) kan deze overlegging achteraf plaatsvinden. De importeur of exporteur moet echter in het bezit zijn van het certificaat op de datum die als datum van aanvaarding van de aangifte ten in- of uitvoer geldt.”

Artikel 7, eerste lid, van Verordening 376/2008 luidt:

“Het invoer- respectievelijk het uitvoercertificaat brengt het recht en de verplichting mede om op grond van het certificaat de daarin vermelde hoeveelheid van het betrokken product en/of goed in te voeren, zulks – behoudens overmacht – tijdens de geldigheidsduur van het certificaat.”

Artikel 22, eerste en tweede lid, van Verordening 376/2008 luidt:

“1. Voor de bepaling van de geldigheidsduur van de certificaten wordt ervan uitgegaan dat de certificaten op de dag van indiening van de aanvraag zijn afgegeven, die dag wordt in de geldigheidsduur van het certificaat meegerekend. Het certificaat kan evenwel eerst vanaf de feitelijke afgifte ervan worden gebruikt.

2. Bepaald kan worden dat de geldigheidsduur van het certificaat op de datum van de feitelijke afgifte ingaat; in dat geval wordt de dag van de feitelijke afgifte in de geldigheidsduur van het certificaat meegerekend.”

Artikel 23 van Verordening 376/2008 luidt:

„1. Exemplaar nr. 1 van het certificaat wordt overgelegd aan het douanekantoor waar wordt aanvaard:

a. a) wanneer het een invoercertificaat betreft, de aangifte voor het vrije verkeer;

(…)

2. Bij de aanvaarding van de in lid 1 bedoelde aangifte wordt exemplaar nr. 1 van het certificaat aan de douaneautoriteiten overgelegd of ter beschikking van deze autoriteiten gehouden.”

10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat een invoercertificaat dat na de datum van invoer is afgegeven kan dienen voor toepassing van het verlaagde tarief in het kader van een tariefcontingent, omdat een afgegeven invoercertificaat geldt voor de gehele contingent-periode en de datum van afgifte niet moet worden gezien als een vanaf-datum. De rechtbank volgt dit standpunt van eiseres niet en overweegt daartoe als volgt. Uit de hiervoor opgenomen regelgeving, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat voor toepassing van het verlaagde tarief in het kader van een tariefcontingent een invoercertificaat is vereist dat bij de importeur op de datum, die als datum van aanvaarding van de aangifte ten invoer geldt, in het bezit moet zijn. De bepalingen onder 8 en 9 hiervoor sluiten de mogelijkheid dat een invoercertificaat met terugwerkende kracht kan gelden uit. Nu het invoercertificaat met nummer 367912 is afgegeven op 27 mei 2014 en op 30 juni 2014 aan eiseres is overgedragen, terwijl de goederen op 24 maart en 2 april 2014 in het vrije verkeer zijn gebracht, kan reeds hierom het invoercertificaat niet dienen voor de invoer in het kader van het tariefcontingent. Het beroep van eiseres op artikel 20, vierde lid, van het CDW kan eiseres niet baten, omdat niet is voldaan aan de hiervoor vermelde voorwaarde dat het invoercertificaat in het bezit moet zijn ten tijde van de aanvaarding van de aangifte. Gelet op vorenstaande is het verzoek om herziening terecht door verweerder afgewezen en de utb in beginsel dan ook terecht opgelegd.

11. Eiseres beroept zich op het vertrouwensbeginsel zoals neergelegd in artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW. Zij stelt dat sprake is van een vergissing, nu verweerder in 2014 in een identieke situatie een dergelijk herzieningsverzoek heeft gehonoreerd. Daarnaast is in 2011 in een vergelijkbaar geval de aangifte ongedaan gemaakt, aldus eiseres. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in 2014 weliswaar sprake was van een vergissing nu ten onrechte op een invoercertificaat is afgeschreven dat op het moment van de aangifte ten invoer nog niet geldig was, doch dat één vergissing niet leidt tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Wat betreft de situatie in 2011 merkt verweerder op dat zo die aangifte buiten werking is gesteld om de door eiseres genoemde reden, hier geen gerechtvaardigd vertrouwen aan kan worden ontleend omdat dit dan contra legem is gebeurd.

12. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) beoogt artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW de bescherming van gewettigd vertrouwen van de douaneschuldenaar. Op grond van dit artikelonderdeel wordt niet overgegaan tot boeking achteraf van douanerechten indien de volgende drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: (1) de inning van de rechten moet achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zelf is toe te schrijven, (2) de belastingschuldige moet deze vergissing redelijkerwijze niet hebben kunnen ontdekken en (3) de belastingschuldige moet te goeder trouw zijn en aan alle bepalingen inzake de douaneaangifte hebben voldaan.

Wat de tweede van die voorwaarden betreft, moet bij de beantwoording van de vraag of een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten kon worden ontdekt, worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemers en de mate van de door hen betrachte zorgvuldigheid. Bij de aard van de vergissing is van belang hoe ingewikkeld de betrokken regeling is of, andersom, of die regeling voldoende eenvoudig is, en hoelang de autoriteiten aan hun onjuiste zienswijze zijn blijven vasthouden. Gelet op de tweede voorwaarde volstaat een éénmalig voordoen van een actieve gedraging niet voor de beroepsaangever om daaraan gewettigd vertrouwen te ontlenen met betrekking tot daarop volgende aangiften voor soortgelijke goederen waarvoor de douaneautoriteiten geen of te weinig rechten bij invoer boeken en invorderen (vgl. Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1468).

Op eiseres rust de bewijslast haar stelling aannemelijk te maken dat de voorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel zijn vervuld.

13. De rechtbank overweegt als volgt. Nu verweerder betwist dat in 2011 de aangifte buiten werking is gesteld om de reden genoemd door eiseres en uit de door eiseres overgelegde bescheiden de reden van buitenwerkingstelling niet is te herleiden, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een actieve gedraging als bedoeld in bovenvermelde jurisprudentie. Wat betreft de situatie in 2014 is de rechtbank van oordeel dat die evenmin kan leiden tot het honoreren van het beroep op het vertrouwensbeginsel, nu op grond van de hiervoor bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie en de Hoge Raad het zich éénmalig voordoen van een actieve gedraging voor een ervaren ondernemer als eiseres en de door haar ingehuurde beroepsaangever niet volstaat om daaraan gewettigd vertrouwen te ontlenen met betrekking tot daaropvolgend gedane aangiften voor soortgelijke goederen waarvoor de douaneautoriteiten geen of te weinig rechten bij invoer hebben geboekt. Bij deze stand van zaken hoeven de overige voorwaarden geen bespreking.

14. Tot slot stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder de aangiften nadat deze waren aanvaard en de goederen waren vrijgegeven ten onrechte heeft gewijzigd door de codes 070, 125 en L001 uit de aangiften te verwijderen. Verweerder had de aangiften ongeldig moeten maken of buitenwerking moeten stellen, dan wel moeten herzien in die zin dat zou worden verwezen naar het juiste (naar de rechtbank begrijpt: nadien overgelegde) certificaat. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Op grond van artikel 66, tweede lid, van het CDW worden, behalve in de volgens de procedure van het Comité vastgestelde gevallen, aangiften niet ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 251 van de Toepassingsverordening CDW. Vast staat dat de goederen zijn vrijgegeven, zodat artikel 66 van het CDW eraan in de weg staat de aangiften ongeldig te maken of buiten werking te stellen. Nu ten tijde van de aanvaarding van de aangiften eiseres niet beschikte over op de in de aangiften vermelde goederen betrekking hebbende invoercertificaten, restte verweerder slechts de mogelijkheid de aangiften te herzien op de voet van artikel 78 van het CDW, hetgeen er in casu toe leidde dat een (hogere) douaneschuld ontstond. Dat verweerder de goederen heeft vrijgegeven terwijl er bij de aangiften een onjuist certificaat is overgelegd, maakt dit niet anders. Deze grief faalt.

15. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.A. Onderwater, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. A.E. Keulemans, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.