Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:4436

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3699
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidie voor peuteropvang en voorschoolse educatie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/3699

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 februari 2016 in de zaak tussen

de stichting Stichting Kinderopvang Den Helder, te Den Helder, eiseres

(gemachtigde: mr. P. van den Berg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder

(gemachtigde: G.A.F. de Vroome).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om subsidie ten bedrage van € 794.460,00 voor het jaar 2015 te verlenen deels afgewezen. Verweerder heeft een bedrag aan subsidie verleend van € 646.693,00 en een bedrag aan subsidie geweigerd te verlenen van € 147.767,00.

Bij besluit van 3 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder naar aanleiding van een door eiseres gemaakt bezwaar het aan eiseres verleende subsidiebedrag verhoogd met een partieel jaarbedrag ter grootte van € 57.610,00.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2015. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] . Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Op 17 november 2014 heeft eiseres een aanvraag om subsidie voor peuteropvang en voorschoolse educatie voor het jaar 2015 ten bedrage van € 794.460,00 bij verweerder ingediend. Eiseres heeft hierbij een totaal aantal reguliere plaatsen peuteropvang opgegeven van 120, een totaal aantal voorschoolse educatieplaatsen peuteropvang van 140 en een totaal aantal voorschoolse educatieplaatsen dagopvang van 40.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag deels afgewezen op de grond dat de door eiseres opgegeven aantallen aan voorschoolse educatieplaatsen voor zowel de peuter- als de dagopvang niet overeenkomen met de cijfers van de GGD, die een indicatie voor die aantallen geeft. Een voor- en vroegschoolseducatief kind (VVE-kind) mag volgens verweerder pas als zodanig worden meegeteld voor subsidiering als voor zo een kind een indicatie is afgegeven. Verweerder heeft een bedrag aan subsidie van maximaal € 646.693,00 aan eiseres verleend op basis van een aantal reguliere plaatsen peuteropvang van 120, een aantal voorschoolse educatieplaatsen peuteropvang van 105 en een aantal voorschoolse educatieplaatsen dagopvang van 34. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, welk bezwaarschrift in handen is gesteld van de adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de commissie).

1.3

De commissie heeft bij partijen nadere inlichtingen ingewonnen. Eiseres heeft aanvullende gegevens ingezonden. Verweerder heeft een memo opgesteld van 22 april 2015 waarin hij een herberekening heeft gemaakt, met als uitgangspunt de aantallen zoals door eiseres bij haar aanvraag zijn opgegeven. Het totaalbedrag aan subsidie komt in de herberekening uit op € 784.956,38. Bij zijn herberekening is verweerder er ook van uitgegaan dat het aan eiseres te verlenen subsidiebedrag vanwege het subsidieplafond met € 85.459,00 zou moeten worden verlaagd. Daarvan uitgaande zou het totaalbedrag aan subsidie uitkomen op € 699.497,00 ( € 784.956,38 - € 85.459,00).

1.4

In het bestreden besluit betoogt verweerder dat indien ten tijde van de beslissing op de aanvraag de thans beschikbare gegevens waren toegepast, het subsidieplafond in werking zou zijn getreden, omdat de totale subsidieaanspraak in dat geval boven het beschikbare begrotingsbudget zou zijn uitgestegen. Toepassing van het subsidieplafond is bij het nemen van het primaire besluit echter achterwege gebleven omdat door de aanname van, naar nu is gebleken: foutieve, aantallen peuterplaatsen bij eiseres de totale subsidieaanspraak binnen het begrotingsbudget bleef. Achteraf bezien is de subsidieaanspraak voor eiseres dan ook te hoog vastgesteld. Volgens verweerder is het echter in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur alsmede het bepaalde in artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de subsidieaanspraak lopende het subsidiejaar te verlagen. Volgens verweerder zou er bovendien rechtsongelijkheid ontstaan indien de naar aanleiding van het bezwaar nieuw ontstane, hogere subsidieaanspraak wel zou worden verlaagd in verband met het subsidieplafond. Verweerder gaat daar dan ook niet toe over. Ter zitting heeft verweerder verduidelijkt dat hij het plafond bij eiseres niet toepast omdat hij dit bij een andere subsidierelatie ook niet heeft gedaan. Verweerder laat het primaire besluit en de daarbij toegekende subsidieaanspraak in stand en verhoogt dat bedrag met een partieel bedrag. Verweerder acht het reëel, gezien de voortschrijding van het kalenderjaar, om het partiële deel van de aanspraak te verlenen met ingang van 1 augustus 2015. De subsidieaanspraak van 2015 wordt dan ook verhoogd met € 138.263,00 x 5/12e deel = € 57.610.

2.1

Ter zitting is komen vast te staan dat de aantallen reguliere plaatsen peuteropvang van 120, de voorschoolse educatieplaatsen peuteropvang van 140 en de voorschoolse educatieplaatsen dagopvang van 40 zoals door eiseres bij de aanvraag van 17 november 2014 zijn opgegeven reeds ten tijde van het bestreden besluit tussen partijen geen onderwerp van discussie meer vormden.

2.2

Tussen partijen is evenmin in geschil, althans eiseres heeft het niet bestreden, dat uitgaande van deze aantallen wordt uitgekomen op een subsidiebedrag van € 784.956,38, zoals verweerder bij de memo van 22 april 2015 heeft berekend.

2.3

Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat het subsidieplafond in dit geval niet kan worden toegepast, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld en ter zitting nogmaals heeft bevestigd.

3.1

Uitsluitend in geschil is of verweerder bij het bestreden besluit in redelijkheid subsidie aan eiseres heeft kunnen verlenen voor de op dat moment resterende maanden van 2015 in plaats van voor het gehele jaar 2015.

3.2

Verweerder heeft ter zitting verduidelijkt dat hij bij het bestreden besluit slechts voor de op dat moment resterende maanden van 2015 subsidie aan eiseres heeft verleend. Verweerder wijst er in dit verband op dat tot augustus 2015 het primaire besluit gold en eiseres tot die tijd volgens verweerder geen uitgaven mocht doen die het bij dat besluit op basis van de door verweerder gehanteerde aantallen verleende subsidiebedrag te boven zouden gaan. Nu eiseres toch boven dat bedrag uitgaven is gaan doen, komt dat volgens verweerder voor haar rekening en risico. Pas vanaf het nemen van het bestreden besluit was het eiseres volgens verweerder toegestaan uitgaven te doen die gebaseerd waren op het bedrag aan subsidie dat aan haar bij het bestreden besluit alsnog is verleend en dat is gebaseerd op de aantallen zoals eiseres die bij haar aanvraag had opgegeven.

3.3

Eiseres betoogt dat de berekeningswijze van verweerder erop neerkomt dat het budget pas vanaf augustus 2015 mag worden ingezet. Dit betekent dat over de periode van januari 2015 tot augustus 2015 de extra 41 kinderen die, zoals verweerder ter zitting heeft erkend, zijn geplaatst naast de 259 kinderen ten behoeve waarvan bij het primaire besluit subsidie is verleend, voor rekening van eiseres komen. Volgens eiseres zou de subsidie met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015 beschikbaar gesteld hebben moeten worden. Dat bedrag is immers in december 2014 ten onrechte niet aan eiseres verstrekt. Indien meteen de juiste procedure was gevoerd, had eiseres in januari 2015 al kunnen beschikken over het subsidiebedrag dat zij nu pas in augustus 2015 ontvangt.

3.4

De rechtbank is – met eiseres – van oordeel dat in dit geval een grondslag voor de berekeningswijze zoals verweerder die voorstaat ontbreekt. De rechtbank acht hierbij allereerst van belang dat ter zitting is gebleken dat verweerder eiseres ten onrechte niet op grond van artikel 4:7 van de Awb in de gelegenheid heeft gesteld haar aanvraag van 17 november 2014 aan te vullen dan wel nader te onderbouwen met gegevens die de door haar opgegeven aantallen ondersteunden. Aangenomen mag worden dat indien verweerder eiseres destijds wel in de gelegenheid had gesteld haar aanvraag aan te vullen, verweerder reeds in december 2014 tot het verlenen van een subsidiebedrag zou zijn overgegaan dat gebaseerd zou zijn geweest op de door eiseres opgegeven aantallen en dat betrekking had gehad op geheel 2015. In de tweede plaats spelen de kosten die eiseres in de periode januari tot augustus 2015 bovenop de door verweerder geraamde kosten heeft gemaakt, anders dan verweerder heeft verondersteld, bij de beantwoording van de vraag welk bedrag voor subsidieverlening in aanmerking komt geen rol. De gemaakte kosten spelen eerst bij de vaststelling van de subsidie een rol.

3.5

Het betoog van eiseres slaagt.

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Nu het onder 3 besproken geschilpunt het enige tussen partijen overgebleven geschilpunt vormt en de rechtbank eiseres op dat punt in het gelijk stelt, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond te verklaren, dat besluit herroepen en aan eiseres voor het jaar 2015 een bedrag van € 784.956,38 aan subsidie verlenen en een bedrag van € 9.503,62 aan subsidie weigeren te verlenen. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen bestreden besluit.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 331,00 vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 496,00 (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond, herroept dat besluit, verleent aan eiseres een bedrag aan subsidie van € 784.956,38 en weigert aan eiseres een bedrag aan subsidie te verlenen van € 9.503,62 voor het jaar 2015;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 496,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzitter, mr. M. Kraefft en

mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.