Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:4127

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
02-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 740
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

HAP II, verwachte geschiktheid, assessment, nieuw besluit op basis van negatief advies over de verwachte geschiktheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/740

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: S.A.J.T. Hoogendoorn),

en

De korpschef van politie, namens deze, de politiechef van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.B. van Doorn).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder het verzoek van eiser om in aanmerking te komen voor doorstroming naar de functie Senior Gebiedsgebonden Politie (GGP) afgewezen.

Bij besluit van 18 juli 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder de afwijzing van eisers verzoek tot doorstroming gehandhaafd, onder wijziging van de motivering van het primaire besluit I.

Bij besluit van 30 december 2014 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 3 maart 2016 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en eisers verzoek om in aanmerking te komen voor doorstroming naar de functie Senior GGP opnieuw afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 1 november 2010 is, als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007, de circulaire “Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche”

(HAP II) in werking getreden (Stcrt. 2010, nr. 19782). In bijlage 6 van de circulaire HAP II is het “Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior binnen de GGP” (het loopbaanbeleid) opgenomen. In het kader van dit loopbaanbeleid zijn binnen de politie collectieve afspraken gemaakt en eisen gesteld aan de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie.

2. Voor doorstroming van de generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) gelden op grond van de circulaire HAP II de volgende eisen:

a. een met goed gevolg afgeronde functiegerichte aangewezen opleiding op niveau 4;

b. relevante werkervaring als generalist GGP;

c. vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP;

d. een eventueel door het korps te stellen geografische stap en/of werkterrein c.q. aandachtsgebied als aanvullende voorwaarde.

3. In het Beleidsdocument van de Politie en de OR van de eenheid Amsterdam (Beleidsdocument), zoals vastgesteld in de overlegvergadering van 26 november 2013, is voor zover relevant het volgende opgenomen:

7. Omdat niet in iedere beoordeling standaard “de verwachte geschiktheid” is opgenomen voor de naasthogere functie, zijn partijen het navolgende overeengekomen:

A. indien een generalist aan alle criteria voldoet en een positief oordeel heeft over de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de relevante beoordeling, dan is aan alle vereisten voldaan en kan betrokkene worden bevorderd;

B. indien een generalist aan alle criteria voldoet maar geen oordeel heeft over de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de relevante beoordeling, dan mag betrokken door middel van een assessment die verwachte geschiktheid aantonen en

C. indien een generalist, naar aanleiding van een vraag van de Eenheidsleiding, een negatief oordeel kreeg van zijn leidinggevende over de verwachte geschiktheid voor senior GGP, dan mag betrokkene alsnog door middel van een assessment die verwachte geschiktheid aantonen. Partijen beogen daarmee te bewerkstelligen dat mogelijke ongelijkheid bij die eerdere negatieve oordelen, te niet worden gedaan.

(…)

4. Eiser is sinds 1 augustus 2007 aangesteld als generalist bij de voormalige politieregio Amsterdam-Amstelland, thans de eenheid Amsterdam. Eiser heeft verweerder op 21 december 2012 verzocht om in aanmerking te komen voor doorstroming naar de functie van Senior GGP. Op dat moment was eiser tewerkgesteld bij de Centrale Wijkteam Recherche (CWTR) bij het wijkteam [naam 1] . Eisers verzoek is bij het primaire besluit I afgewezen om redenen van zwaarwegend dienstbelang. Op 28 februari 2013 heeft eisers leidinggevende negatief geadviseerd over de verwachte geschiktheid van eiser voor de functie van Senior GGP. Verweerder heeft eiser vervolgens bij brief van 19 maart 2014 in de gelegenheid gesteld om middels een assessment de verwachte geschiktheid voor de functie van Senior GGP aan te tonen. Met het primaire besluit II heeft verweerder de afwijzing van eisers verzoek om in aanmerking te komen voor doorstroming naar de functie van Senior GGP gehandhaafd en daaraan ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan het criterium van verwachte geschiktheid, nu hij bij het assessment lager heeft gescoord dan de norm van 5,7. De afwijzing van het verzoek om doorstroming heeft verweerder ook in het bestreden besluit I gehandhaafd.

5. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft - specifiek met betrekking tot het binnen de eenheid Amsterdam gevoerde beleid met betrekking tot “de verwachte geschiktheid”, zoals hierboven onder 3 weergegeven - bij uitspraak van 26 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4232) - samengevat en voor zover hier van belang - geoordeeld dat de afspraken voor de eenheid Amsterdam in zoverre afwijken van het landelijk vastgestelde en met de vakbonden overeengekomen beleid dat een assessment in de plaats van het oordeel van de leidinggevende is gesteld. Indien de leidinggevende een negatieve verwachting over de geschiktheid heeft uitgesproken, biedt een assessment een extra kans om toch nog te kunnen doorstromen en acht de Raad het beleid in zoverre een gunstige aanvulling op het landelijk beleid. In het geval de leidinggevende in de beoordeling nog geen verwachting over de geschiktheid heeft uitgesproken, is het - zwaardere - vereiste van een positief assessment echter een beperking van het landelijke beleid. Het loopbaanbeleid en de uitvoeringsafspraken bieden hiervoor geen ruimte, aldus de Raad.

6. In voornoemde uitspraak heeft verweerder aanleiding gezien om het bestreden besluit I in te trekken en in de plaats daarvan een nieuw besluit te nemen. In het bestreden besluit II heeft verweerder de afwijzing van het verzoek van eiser om door te stromen naar de functie van Senior GGP wederom gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder het negatieve oordeel van eisers leidinggevende over de verwachte geschiktheid voor de functie van Senior GGP ten grondslag gelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II. Eiser heeft naar aanleiding van het bestreden besluit II de beroepsgronden aangevuld.

7. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser ter zitting gesteld dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I in verband met de aanspraak op schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( EVRM). De rechtbank volgt eiser hierin niet, reeds nu de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden ook bij het bestreden besluit II aan de orde kan komen. Gelet hierop dient het beroep van eiser, voor zover gericht tegen bestreden besluit I,

niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het vervallen van het procesbelang.

8. Met betrekking tot het bestreden besluit II overweegt de rechtbank als volgt.

9. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of is voldaan aan de voorwaarde van “vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP”. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of eiser beschikt over de verwachte geschiktheid voor de functie van Senior GGP. In het bestreden besluit II heeft verweerder in dat verband doorslaggevende betekenis toegekend aan het negatieve advies over de verwachte geschiktheid van eisers leidinggevende, [naam 2] . In dit advies van 28 februari 2013 staat - kort samengevat - dat eiser niet in staat is gebleken om bij de CWTR zonder concrete sturing werkzaamheden uit te voeren en dat hij zich zonder directe sturing doelloos voelt en dat ook uitstraalt. Eiser heeft blijkens dit advies zelf nog veel aanwijzingen en tips nodig bij zijn werkzaamheden op de CWTR en kan daardoor nog geen collega’s begeleiden. Eiser neemt weinig tot geen eigen initiatieven. Eiser kan zijn eigen werkzaamheden naar behoren plannen, maar heeft nog onvoldoende tactisch inzicht om de werkzaamheden, doelen en prioriteiten voor een ander te stellen, aldus het advies. Gelet hierop stelt verweerder dat eiser niet beschikt over de verwachte geschiktheid om te kunnen doorstromen naar de functie van Senior GGP. Het advies van 28 februari 2013 strookt bovendien op de relevante punten met de beoordeling die is vastgesteld in november 2012, die inmiddels in rechte is komen vast te staan nu eiser daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, aldus verweerder.

10.1.

Eiser heeft in de eerste plaats betoogd dat het verweerder niet vrij staat om thans alsnog doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het eerder afgegeven negatieve advies van de leidinggevende over de verwachte geschiktheid. Het beleid van de Eenheid Amsterdam geldt nog onverkort en niet voor niets is gekozen om het assessment in te voeren. Leidinggevenden binnen de eenheid Amsterdam hebben aangegeven dat zij behoefte hadden aan een objectiever meetinstrument ten aanzien van de verwachte geschiktheid, te meer nu er verschillen bleken te zitten in de wijze waarop leidinggevenden tot een dergelijk advies zijn gekomen. Dat verweerder onderkent dat een advies over de verwachte geschiktheid, zoals het negatieve advies in eisers geval, in zijn algemeenheid geen of op zijn minst een onvoldoende objectief meetinstrument is, blijkt uit het feit dat recent een document met handreikingen is opgesteld voor leidinggevenden, zodat het advies van de leidinggevenden als een meer objectief instrument voor het advies over de verwachte geschiktheid kan dienen. Het advies dat verweerder thans aan zijn nieuwe besluit ten grondslag heeft gelegd, is niet gebaseerd op deze recente handreikingen en evenmin heeft verweerder maatregelen getroffen om er zorg voor te dragen dat dit advies wel een objectief meetinstrument is.

10.2.

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat verweerder door thans (alsnog) doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het negatieve advies van de leidinggevende in strijd met het loopbaanbeleid en de - inmiddels bestendige - jurisprudentie van de Raad heeft gehandeld. Gelet op onder meer voornoemde uitspraak van de Raad van

26 november 2015 vormt een negatief advies ten aanzien van de verwachte geschiktheid voldoende basis voor de afwijzing van een verzoek om doorstroming naar de functie van Senior GGP. Van strijd met het - kennelijk nog steeds - binnen de eenheid Amsterdam geldende beleid van 26 november 2013 is in dit geval evenmin sprake. De situatie van eiser valt immers onder onderdeel C van dat beleid, de situatie waarin de leidinggevende een negatieve verwachting over de geschiktheid heeft uitgesproken en een assessment een extra kans heeft geboden om toch nog te kunnen doorstromen. Dit onderdeel van het beleid heeft de Raad in bedoelde uitspraak van 26 november 2013 als een gunstige aanvulling, en daarmee derhalve als aanvaardbaar, aangemerkt. Met betrekking tot de door eiser aangehaalde handreikingen heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat deze nimmer formeel zijn vastgesteld, nu deze niet verder zijn ontwikkeld dan een concept, en daarom ook niet in gebruik zijn en zullen worden genomen.

11.1.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat onduidelijk is hoe verweerder invulling heeft gegeven aan het begrip “verwachte geschiktheid”, waardoor het niet mogelijk is om aan te tonen dat eiser wel degelijk voldoet aan de voorwaarde van verwachte geschiktheid, en dat het advies van de leidinggevende elementen bevat die niet relevant zijn. Ook heeft eiser in dit verband aangevoerd dat de beoordeling van de vraag of sprake is van verwachte geschiktheid ten onrechte is beperkt tot zijn functioneren binnen de CWTR en er daarbij ten onrechte geen toekomstverwachting is uitgesproken. Eiser acht voorts de betrokken leidinggevende [naam 2] niet de juiste persoon om een deugdelijk advies over de verwachte geschiktheid op te stellen, nu zij onvoldoende zicht had op het functioneren van eiser. Ten slotte heeft eiser in dit verband gesteld dat zijn beoordeling van november 2012 op onderdelen onjuist is.

11.2.

De rechtbank stelt voorop dat [naam 2] als eisers formeel leidinggevende verantwoordelijk was voor het advies over de verwachte geschiktheid. Voor het oordeel dat zij bij het opstellen van het advies beschikte over onjuiste of onvolledige informatie bestaat geen grond, nu zij zich blijkens het advies heeft laten informeren door eisers feitelijk leidinggevende, [naam 3] , projectleider CWTR. Het feit dat het advies is beperkt tot het functioneren van eiser binnen de CWTR, en eisers taken als hoofdagent binnen het wijkteam daarbij niet zijn betrokken, maakt het advies, anders dan eiser heeft gesteld, evenmin onjuist of onvolledig, nu eiser gedurende het overgrote deel van de relevante periode werkte bij de CWTR, eveneens onderdeel van de GGP.

11.3.

Aan verweerder komt de bevoegdheid toe om het begrip “verwachte geschiktheid” nader in te vullen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat bij beantwoording van de vraag of de medewerker verwacht geschikt is binnen de eenheid Amsterdam wordt bezien of de medewerker gedurende de beoordelingsperiode heeft laten zien dat hij in voldoende mate beschikt over de kerncompetenties leidinggeven, initiatief tonen en proactief handelen. De rechtbank acht dit een redelijke invulling en uitleg die geen strijd oplevert met het loopbaanbeleid. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of, bezien in dit licht, verweerder in het geval van eiser in redelijkheid tot een negatief oordeel over de verwachte geschiktheid voor de functie van Senior GGP heeft kunnen komen.

11.4.

Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat het advies op onvoldoende gronden berust en dat verweerder op basis hiervan niet in redelijkheid niet tot een negatief oordeel over de verwachte geschiktheid heeft kunnen komen. Aan eiser kan worden toegegeven dat in het advies van de leidinggevende geen concrete beoordeling heeft plaatsgevonden over de toekomstverwachting, terwijl dit wel had mogen worden verwacht, nu het begrip “verwachte geschiktheid” met zich brengt dat de betrokken medewerker in potentie geschikt moet zijn voor de functie van Senior GGP, waarbij het bestaan van ontwikkelpunten in beginsel niet aan bevordering in de weg hoeft te staan. Dit maakt in dit geval evenwel niet dat het advies reeds daarom als ondeugdelijk moet worden aangemerkt en niet de conclusie kan dragen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van verwachte geschiktheid. Daartoe is redengevend dat uit het advies genoegzaam blijkt dat eiser zodanige tekortkomingen vertoont op de door verweerder relevant geachte kerncompetenties dat op basis daarvan de conclusie is gerechtvaardigd dat eiser niet verwacht geschikt is voor de functie van Senior GGP. Daarbij kent de rechtbank met name gewicht toe aan het feit dat eiser volgens zijn leidinggevende nog veel sturing nodig heeft, weinig tot geen initiatieven neemt en nog niet echt in staat is gebleken om collega’s te begeleiden. Van belang acht de rechtbank daarbij dat het advies van de leidinggevende op deze punten volledig strookt met de beoordeling van eiser over de periode van 19 mei 2011 tot en met 24 september 2012, waarin - onder meer - is opgenomen dat initiatief nemen voor eiser een aandachtspunt is, waarop hij “echt een magere C-score” heeft behaald, dat eiser duidelijke sturing nodig heeft en te weinig op de voorgrond treedt. Eisers stelling dat deze beoordeling op onderdelen onjuist is, kan niet leiden tot een ander oordeel, nu de beoordeling in rechte vast staat, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.

12. Met betrekking tot eisers stelling dat verweerder in het bestreden besluit II ten onrechte niet is ingegaan op de hardheidsclausule, heeft verweerder ter zitting gesteld dat op grond van dezelfde motivering als in het bestreden besluit I het geval van eiser niet aan de hardheidscommissie is voorgelegd. Het enkele feit dat eiser niet aan de gestelde voorwaarden voor bevordering voldoet, betekent niet dat er feiten en omstandigheden zijn die tot afwijking nopen. Deze feiten en omstandigheden zijn door eiser onvoldoende gesteld en eveneens onvoldoende gebleken. Verweerder acht daarom eisers beroep op de hardheidsclausule onvoldoende onderbouwd. De rechtbank volgt verweerder hierin. Nu verweerder evenwel heeft nagelaten dit standpunt in het bestreden besluit II op te nemen, terwijl het bestreden besluit I is ingetrokken, betekent dit dat het bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

13.1.

Met betrekking tot het standpunt van eiser dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden overweegt de rechtbank als volgt.

13.2.

De redelijke termijn is op grond van vaste jurisprudentie voor een procedure in drie instanties in zaken als deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

13.3.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf het bezwaarschrift van eiser van 15 augustus 2014 tot de datum van deze uitspraak zijn er nog geen twee jaar verstreken. Verweerder heeft op 30 december 2014 op eisers bezwaar beslist, derhalve binnen een half jaar. Eiser heeft op 9 februari 2015 beroep ingesteld bij deze rechtbank. De behandeltermijn bij de rechtbank bedraagt dan ook minder dan anderhalf jaar. Van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is derhalve geen sprake, zodat er geen grond bestaat voor een schadevergoeding.

14. Gelet op hetgeen onder 12 is overwogen is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechtbank de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 992,00. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank tevens dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, rechter, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.