Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:4110

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
15/810292-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 4 augustus 2015 staat slachtoffer met een aantal vrienden bij de ingang van de kermis in Santpoort-Noord. Op enig moment komt er een manspersoon op hem afgelopen, pakt hem vast en loopt met hem naar een naastgelegen grasveld waar allemaal auto’s geparkeerd staan. Na een korte woordenwisseling haalt de man hard uit en raakt het slachtoffer vol in het gezicht. Als gevolg van deze klap loopt het slachtoffer meerdere breuken in het gezicht op.

Ter zitting voert de raadsman aan dat er geen opzet is geweest op het toebrengen op zwaar lichamelijk letsel. Als gevolg hiervan dient verdachte vrij gesproken te worden van het primair ten laste gelegde feit (zware mishandeling ex. art. 302 Sr). Het subsidiair ten laste gelegde feit, eenvoudige mishandeling, kan volgens de raadsman wel bewezen worden.

De rechtbank is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel is, dat vele vitale functies herbergt. Daarnaast is verdachte, zo blijkt uit zijn eigen verklaring, een kickbokser. Gelet op de ervaring van verdachte als kickbokser kan het niet anders zijn dan dat hij wist dat het geven van een dergelijke vuistslag kon leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Als gevolg hiervan is de rechtbank van oordeel dat de kans dat het slachtoffer door deze vuistslag in het gezicht zwaar lichamelijk letsel zou oplopen naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810292-15 (P)

Uitspraakdatum: 13 mei 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 april 2016 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie personen (BRP) op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T.M. Fikkers en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.H. Tiemens, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 4 augustus 2015 te Santpoort-Noord, gemeente Velsen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (meervoudige) zygoma fractuur (jukbeenfractuur) en/of (multipele) fractu(u)r(en) orbitarand/bodem (oogkasrand/oogkasholte) en/of een sinus maxillarisfractuur (kaakholtefractuur), heeft toegebracht door deze (met kracht) in/tegen het gezicht te slaan/stompen;

Subsidiair

hij op of omstreeks 4 augustus 2015 te Santpoort-Noord, gemeente Velsen, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze (met kracht) in/tegen het gezicht te slaan/stompen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde feit vanwege het ontbreken van het (voorwaardelijk) opzet op het zwaar lichamelijk letsel.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op dinsdag 4 augustus 2015, omstreeks 21.00 uur, bevindt aangever [slachtoffer] zich met een aantal vrienden op de kermis in Santpoort-Noord. Op enig moment komt een man op aangever afgelopen, pakt hem bij zijn arm en zegt tegen aangever dat hij mee moet komen.2 Aangever wordt vervolgens meegesleurd naar een nabijgelegen grasveld waar verscheidene auto’s staan geparkeerd.3 Tussen de auto van de man en een bestelbus praten aangever en de man enige tijd. Op enig moment haalt de man uit en slaat aangever met gebalde vuist in zijn gezicht, waarna het hoofd van aangever achterover slaat tegen de zijkant van de bus. Aangever valt vervolgens op de grond en ligt hier, al bloedend, een minuut of 3 voordat hij weer in staat is om op te staan. De man wordt door een getuige aangemerkt als zijnde verdachte.4 Als aangever vervolgens naar het ziekenhuis gaat, blijkt dat hij onder andere een jukbeenfractuur, oogkasrandfractuur en een kaakholtefractuur heeft opgelopen als gevolg van de klap.5

3.4.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde feit. De verdediging onderbouwt dit standpunt door te stellen dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte heeft hem één keer in het gezicht geslagen, onder het mom van een corrigerende tik.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Voorwaardelijk opzet

Verdachte heeft het slachtoffer eenmaal met de vuist in het gezicht geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel is, dat vele vitale functies herbergt. Daarnaast is verdachte, zo blijkt uit zijn eigen verklaring tegenover verbalisant [verbalisant], kickbokser.6Gelet op de ervaring van verdachte als kickbokser, kan het niet anders zijn dan dat hij wist dat het geven van een dergelijke vuistslag kon leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat de kans dat het slachtoffer door deze vuistslag in het gezicht zwaar lichamelijk letsel zou oplopen naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Deze gedraging kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op een bepaald gevolg gericht te zijn geweest, in dit geval het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

Zwaar lichamelijk letsel

Als gevolg van de klap heeft het slachtoffer een jukbeenfractuur, een kaakholtefractuur en

een fractuur in zijn oogkasrand/oogkasholte opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit letsel naar normaal spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt. Daarbij heeft de rechtbank, ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, acht geslagen op de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de verschillende breuken zeer ingrijpend letsel op.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 augustus 2015 te Santpoort-Noord, gemeente Velsen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (meervoudige) zygoma fractuur (jukbeenfractuur) en multipele fracturen orbitarand/bodem (oogkasrand/oogkasholte) en een sinus maxillarisfractuur (kaakholtefractuur), heeft toegebracht door deze met krachttegen het gezicht te stompen;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden waarvan één (1) maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren, met als bijzondere voorwaarde een contactverbod.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van een minderjarige.

Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft, door aldus te handelen, het veiligheidsgevoel van het slachtoffer aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke misdrijven daar nog lange tijd gevolgen, zoals psychische problemen en gevoelens van angst en onveiligheid van kunnen ondervinden. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op zijn justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor een soortgelijk delict. Verdachte staat daarnaast onder begeleiding van Stichting Streetcornerwork, waardoor reclasseringstoezicht niet opportuun wordt geacht. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou onwenselijk zijn, mede gelet op het feit dat verdachte een eigen huurhuis heeft, evenals werk. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou er toe kunnen leiden dat hij zowel zijn woning als zijn werk kwijt raakt. Dit zou een onevenredig zware belasting opleveren voor verdachte. De rechtbank is echter wel van mening dat een voorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een forse taakstraf, opgelegd dient te worden. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient als stok achter de deur, zodat verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw in de fout te gaan. Mede gelet op de verklaring van het slachtoffer aan verbalisant [verbalisant] van 26 april 2016 dat verdachte hem zijn excuses heeft aangeboden en heeft gezegd hem verder met rust te zullen laten, hetgeen ter zitting door verdachte is bevestigd, ziet de rechtbank aanleiding voorbij te gaan aan de eis van de officier van justitie voor het opleggen van een contactverbod.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 3 jaren. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.538,52 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit zowel materiële als immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.250,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: zware mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE (3) MAANDEN, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op 3 jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDTACHTIG (180) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door negentig (90) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 1.288,52, bestaande uit € 38,52 voor de materiële en
€ 1.250,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.288,52, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Veldhuijzen van Zanten, voorzitter,

mr. C.A.M. van der Heijden en mr. B.J.G. Leeuw, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie en mr. R.J. Meuldijk, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 13 mei 2016.

Mr. Leeuw is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 14 augustus 2015.

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 14 augustus 2015 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 19 augustus 2015.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 20 augustus 2015.

5 Letselverklaring d.d. 5 augustus 2015.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 augustus 2015.