Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:4082

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
4663155 OA VERZ 15-236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Op verzoek werknemer arbeidsovereenkomst ontbonden voor zover ontslag op staande voet wordt vernietigd. Werkgever stelt ten onrechte dat werknemer heeft opgezegd. Geen transitie- of billijke vergoeding. T.b.v. tegenverzoek werkgever ex artikel 7:677 lid 2 BW tussenbeslissing.

zie ook ECLINR:2016:3782

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1398
AR-Updates.nl 2016-0531
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 4663155 \ OA VERZ 15-236 BL

Uitspraakdatum: 17 februari 2016

Beschikking in de zaak van:

[naam] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek

verder te noemen: [de werknemer]

gemachtigde: mr. A.J. Butter, advocaat te Hoorn

tegen

De Stijl Makelaardij B.V.,

gevestigd te Hoorn

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek

verder te noemen: De Stijl

gemachtigde: mr. W. Hovingh, advocaat te Alkmaar

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

[de werknemer] heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Aanvullend heeft [de werknemer] een verzoek gedaan tot doorbetaling van loon. De Stijl heeft een verweerschrift ingediend. Daarop heeft [de werknemer] bij brief van 30 december 2015 gereageerd.

1.2.

Op 6 januari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

1.3.

Bij brief van 12 januari 2016 heeft De Stijl om heropening van de zaak gevraagd. [de werknemer] heeft hierop gereageerd bij brief van 20 januari 2016.

1.4.

De Stijl heeft op 29 januari 2016 een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend, waarop [de werknemer] bij verweerschrift heeft gereageerd.

1.5.

Op 2 februari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2.1.

[de werknemer], geboren op 30 december 1988, is op 3 mei 2010 in dienst getreden bij De Stijl. De laatste functie die [de werknemer] vervulde is die van binnendienstmedewerkster, met een salaris van € 1.951,80 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

2.2.

De Stijl is een klein makelaarskantoor met drie medewerkers.

2.3.

Artikel 3 van de arbeidsovereenkomst bepaalt: “Werknemer is bevoegd de arbeidsovereenkomst schriftelijk op te zeggen tegen het einde van een kalendermaand en met inachtneming van twee maanden.”

2.4.

Op 17 september 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [de werknemer] en mevrouw [x] (verder: [X]), directeur/eigenaar van De Stijl. Na dit gesprek schrijft [X] in een e-mail aan [de werknemer]:

“Vanmiddag heb je een gesprek met mij aangevraagd.

In dit gesprek heb je te kennen gegeven dat je per vandaag je ontslag aandient bij de Stijl Makelaardij B.V.

Hierop heb ik onder meer aangegeven dit ontslag graag schriftelijk van je te ontvangen.

Zodra ik deze van je als werkgever heb ontvangen, zal ik hierop eveneens schriftelijk reageren.

Nogmaals betreur ik je verrassend snelle besluit, maar nogmaals, hiertoe zul je je vrije keuze naar waarheidsgehalte voldoende hebben afgewogen.”

2.5.

Omdat [de werknemer] vervolgens (mondeling) betwistte ontslag te hebben genomen schrijft de gemachtigde van De Stijl in een brief van 28 september 2015 aan [de werknemer] – voor zover relevant – het volgende.

“(…)

Op donderdag 17 september jl. heeft u een gesprek aangevraagd met mevrouw [X]. In dit gesprek heeft u te kennen gegeven dat u het dienstverband met cliënte wenst te beëindigen. Daarbij heeft u voorts aangegeven dat u cliënte van dienst wilde zijn en haar in de gelegenheid wilde stellen om eerst een nieuwe vervanger voor haar te kunnen vinden. Voorts gaf u te kennen dat u de arbeidsovereenkomst wenst te beëindigen omdat u het niet meer naar de zin had om bij cliënte te werken.

Cliënte heeft u er nog op gewezen dat u een contractuele opzegtermijn heeft van twee maanden en dat de arbeidsovereenkomst dus eindigt per 1 december 2015.

Bij dezen bevestig ik u de opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen 1 december 2015. Cliënte heeft daar dus nota van genomen.

(…)

Cliënte heeft u gevraagd of u het genomen ontslag wil bevestigen, maar om voor cliënte onduidelijke redenen bent u hiertoe niet bereid. Dat bevreemdt cliënte maar doet aan de rechtsgeldigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet af. Bovendien heeft u zelfs aan uw collega’s ook al te kennen gegeven dat u uw ontslag heeft ingediend. U heeft dat namelijk bevestigd aan de heer [a] alsmede aan mevrouw [b].

Tot slot gaat cliënte ervan uit dat u de overeengekomen werkzaamheden naar behoren zult blijven vervullen.

(…)”

2.6.

In reactie hierop schrijft [de werknemer] op 3 oktober 2015 – voor zover relevant – het volgende.

“(…)

Op 17/9/2015 heeft een zeer emotioneel gesprek plaatsgevonden met mevrouw [X]. In dat gesprek is zeker gevallen dat ik, gezien de inhoud van het gesprek, de intentie heb op zoek te gaan naar een soortgelijke functie elders. Ik heb geen ontslag genomen, dat had schriftelijk moeten gebeuren, en ook heb ik mij gezien de arbeidsmarkt niet vastgelegd op een termijn.

(…)

Na ontvangst van de mail van mevrouw [X] op de avond van 17/9/2015, heb ik gereageerd en heb haar aangegeven dat er helemaal geen sprake was van een directe ontslagaanvraag. Aan haar eis, die u bevestigt in uw brief, om mijn ontslag schriftelijk in te dienen wil ik dan ook niet tegemoet komen.

Ik zal dan ook conform mijn contract mijn werkzaamheden normaal blijven vervullen. Gegeven de uitingen van mevrouw [X] en het verwoorde in uw brief zal ik op zoek blijven naar een vergelijkbare functie elders.

Indien uw cliënte er voor kiest tot ontslag over te gaan dan kent u de rechtswegen daarvoor voldoende. Ik wacht af.”

2.7.

In een e-mail van 20 oktober 2015 heeft De Stijl aan makelaarskantoor Fris Wonen te Amsterdam laten weten dat [de werknemer] per 1 december 2015 beschikbaar is een functie binnen dat kantoor te aanvaarden.

2.8.

Op 29 oktober 2015 heeft [de werknemer] zich ziek gemeld. Daaraan voorafgaand heeft [de werknemer] haar persoonlijke eigendommen uit haar kantoor meegenomen en alle e-mails uit haar persoonlijke box verwijderd.

2.9.

De bedrijfsarts heeft [de werknemer] 100% arbeidsongeschikt geacht, waarbij is geconstateerd dat er schurende arbeidsverhoudingen lijken te bestaan en geadviseerd in gesprek te gaan.

2.10.

Per 1 november 2015 heeft De Stijl een nieuwe medewerkster aangenomen voor de functie van [de werknemer].

2.11.

Op 18 november 2015 adviseert de bedrijfsarts om direct in gesprek te gaan over de mogelijk schurende arbeidsverhoudingen en, zo nodig, een mediator in te schakelen. [de werknemer] heeft op 23 november 2015 aan De Stijl voorgesteld mediator [c] te benaderen. De Stijl heeft niet gereageerd op dit voorstel, omdat De Stijl zich op het standpunt stelt dat het dienstverband per 1 december 2015 eindigt.

2.12.

Bij de salarisbetaling op 30 november 2015 heeft (feitelijk) een eindafrekening plaatsgevonden. Vanaf 1 december 2015 heeft De Stijl geen loon meer aan [de werknemer] betaald.

2.13.

Bij brief van 11 januari 2016 is [de werknemer] voorwaardelijk op staande voet ontslagen. De Stijl schrijft in deze brief – voor zover relevant – het volgende.

“(…)

Tijdens de zitting van 7 januari jl. heeft u aangegeven dat u uitzicht heeft op ander werk, maar dat dit nog niet zeker is.

Wij beschikken over informatie dat u op de (oude) website van 123 Makelaars staat vermeld als binnendienst medewerker met een persoonlijk doorkiesnummer en een persoonlijk e-mailadres. U bent met deze informatie geconfronteerd. Via uw advocaat heeft u laten weten dat u heeft gesolliciteerd bij 123 Makelaars en dat u daar op proef werkt. Inmiddels beschikken wij over informatie van uw werkgever dat u al in december op proef bent gaan werken en dat u vanaf 1 januari 2016 op contractbasis werkt. Dat betekent dat u niet alleen op de zitting, maar ook daarna geen openheid van zaken heeft willen geven over uw positie. Wij vinden dit uiterst laakbaar omdat u bij ons loon claimt terwijl u gewoon aan het werk bent. Dit is voor ons aanleiding om, voor zover er nog sprake is van een dienstverband, om u voorwaardelijk op staande voet te ontslaan vanwege een dringende reden.

(…)”

3 Het verzoek

3.1.

[de werknemer] verzoekt de arbeidsovereenkomst met De Stijl te ontbinden op grond van artikel 7:671c van het Burgerlijk Wetboek (BW), onder toekenning van de transitievergoeding van € 3.863,00 die De Stijl verschuldigd is op grond van artikel 7:673 lid 1 BW, een billijke vergoeding van € 4.215,24 bruto en een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand van € 1.500,00 te vermeerderen met btw. Aan dit verzoek legt [de werknemer] ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door De Stijl.

Verder verzoekt [de werknemer] veroordeling van De Stijl tot doorbetaling van het loon vanaf 1 december 2015 tot het moment waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

De Stijl stelt zich primair op het standpunt dat het dienstverband per 1 december 2015 rechtsgeldig is geëindigd door de opzegging van [de werknemer], zodat het ontbindingsverzoek en de vordering tot doorbetaling van loon moeten worden afgewezen. Subsidiair verzet De Stijl zich niet tegen de door [de werknemer] verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar verweert zich tegen toekenning van enige vergoeding aan [de werknemer] omdat – kort gezegd – De Stijl niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

4.2.

Voor zover sprake zou zijn van een dienstverband na 1 december 2015 verzoekt De Stijl op grond van artikel 7:677 lid 1, 2 en 3 sub a BW om toekenning van een vergoeding ter hoogte van het loon over de resterende opzegtermijn (van 11 januari tot en met 31 maart 2016), zijnde een bedrag van € 5.669,63, omdat [de werknemer] schuld heeft aan het haar gegeven voorwaardelijk ontslag op staande voet. [de werknemer] heeft daartegen verweer gevoerd.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

Zoals blijkt uit de onder de feiten omschreven gang van zaken vormt de kern van het geschil in de zaak van het verzoek de vraag of [de werknemer] op 17 september 2015 de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd per 1 december 2015, zoals De Stijl stelt. Die vraag beantwoordt de kantonrechter ontkennend. Opzegging is een eenzijdige rechtshandeling gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Voor de opzegging door een werknemer geldt het vereiste dat sprake moet zijn van een duidelijke en ondubbelzinnige, op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte verklaring of gedraging. Bovendien moet de werkgever zo nodig onderzoeken of de werknemer de beëindiging, met alle nadelige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband kan hebben, werkelijk wenst.

5.2.

Het gesprek waarin de opzegging door [de werknemer] volgens De Stijl zou hebben plaatsgevonden was tussen directeur [X] en [de werknemer]. Aanleiding voor dit gesprek betrof een privékwestie van [de werknemer]. Volgens [de werknemer] was sprake van een zeer emotioneel gesprek. Bij dat gesprek waren geen andere mensen aanwezig. Ook is van dat gesprek geen woordelijk verslag beschikbaar. [de werknemer] betwist gemotiveerd te hebben opgezegd. [de werknemer] stelt dat het verloop van het gesprek met [X] haar weliswaar geen andere optie liet dan te besluiten op zoek te gaan naar een soortgelijke functie elders, maar dat zij die dag geen ontslag heeft genomen en zich gezien de arbeidsmarkt niet heeft vastgelegd op een termijn. Met deze stelling is niet in tegenspraak dat [de werknemer] vlak na het gesprek op 17 september 2015 tegenover collega [A] zou hebben ‘aangekondigd dat zij haar ontslag had aangekondigd’ en tegenover [B] zou hebben ‘aangekondigd haar opzegging van het dienstverband’ (productie 2 bij verweerschrift).

Verder wijst [de werknemer] er terecht op dat artikel 3 van de arbeidsovereenkomst schriftelijke opzegging voorschrijft. Er is geen reden om aan deze bepaling, die een duidelijk op de opzegging gerichte inspanning van [de werknemer] voorschrijft, geen enkele betekenis toe te kennen. In lijn met deze bepaling heeft De Stijl op 17 september 2015 per e-mail aan [de werknemer] laten weten het ontslag schriftelijk te willen ontvangen. Omdat een reactie van [de werknemer] uitbleef heeft De Stijl enkele dagen later telefonisch aan [de werknemer] gevraagd de opzegging schriftelijk te bevestigen. [de werknemer] heeft dit verzoek van De Stijl niet willen opvolgen en de opzegging steeds betwist.

5.3.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan dat [de werknemer] tijdens haar gesprek met [X] op 17 september 2015 duidelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard dat zij per 1 december 2015 haar dienstverband wilde beëindigen, althans heeft De Stijl zich er onder de gegeven omstandigheden onvoldoende van vergewist dat [de werknemer] daadwerkelijk de beëindiging van het dienstverband per 1 december 2015 heeft beoogd. Daarmee is de arbeidsovereenkomst niet door een rechtsgeldige opzegging per 1 december 2015 geëindigd en staat vast dat deze vanaf die datum heeft voortgeduurd.

5.4.

[de werknemer] verzoekt in deze procedure ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De Stijl verzet zich daar niet tegen en de kantonrechter stelt vast dat sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve behoort te eindigen. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

5.5.

De Stijl is blijven vasthouden aan een opzegging door [de werknemer] per 1 december 2015 en heeft daarnaar gehandeld, ondanks de betwisting van de opzegging door [de werknemer]. Zo heeft De Stijl aan makelaarskantoor Fris Wonen in Amsterdam doorgegeven dat [de werknemer] per 1 december beschikbaar was op de arbeidsmarkt en heeft De Stijl per 1 november een nieuwe medewerkster aangenomen ter vervanging van [de werknemer]. Ook heeft De Stijl vanwege de vermeende opzegging niet willen meewerken aan mediation. Daar staat tegenover dat [de werknemer] weliswaar de arbeidsovereenkomst niet per 1 december 2015 heeft opgezegd, maar in het gesprek op 17 september 2015 wel aan De Stijl heeft laten weten op zoek te gaan naar een andere baan. Ui de stellingen van [de werknemer] kan worden afgeleid dat zij voornemens was zo snel als mogelijk weg te gaan bij De Stijl. [de werknemer] heeft zich per 29 oktober 2015 ziek gemeld bij De Stijl en daaraan voorafgaand haar persoonlijke bezittingen uit haar kantoor meegenomen en haar persoonlijke e-mailbox geleegd. In dit licht bezien is het begrijpelijk dat een klein makelaarskantoor als De Stijl na het staken van de werkzaamheden door [de werknemer] voor ogenblikkelijke vervanging heeft gezorgd, in verband met de continuïteit van het bedrijf en de vereiste klantenservice die de bedrijfsvoering met zich brengt. Verder is ter zitting van 6 januari 2016 zijdens De Stijl de vraag opgeworpen of [de werknemer] inmiddels ander werk had gevonden. Blijkens de aantekeningen van de griffier heeft de raadsman van [de werknemer] die vraag beantwoord door op te merken dat het beter gaat met [de werknemer] en zij daarom in staat is compleet te solliciteren, en dat zijn cliënte zicht had op ander werk, ‘hopelijk deze maand’. Later diezelfde dag is onbetwist gebleken dat [de werknemer] als binnendienstmedewerkster vermeld stond op de website van 123 Makelaars, onder vermelding van een persoonlijk e-mailadres en telefoonnummer. Navraag door De Stijl heeft uitgewezen dat [de werknemer] daar op proef werkzaam is geweest (volgens De Stijl in december 2015, volgens [de werknemer] in januari 2016) en uitzicht had op een arbeidscontract (volgens De Stijl per 1 januari 2016, volgens [de werknemer] per 1 februari 2016). De Stijl heeft hierin aanleiding gezien om [de werknemer] – voor zover nog sprake zou zijn van een dienstverband – bij brief van 11 januari 2016 op staande voet te ontslaan en vervolgens een voorwaardelijk verzoek in te dienen tot verkrijging van de gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:677 lid 3 BW ten bedrage van € 5.669,63. [de werknemer] heeft op dat verzoek gereageerd door

– kortweg – aan te voeren dat geen sprake is van een dringende reden nu zij ter zitting van 6 januari 2016 heeft verklaard concreet uitzicht te hebben op ander werk, haar ziekte zich verzet tegen een ontslag op staande voet en haar werkzaamheden voor 123 Makelaars beschouwd moeten worden als een re-integratie via het tweede spoor. [de werknemer] heeft niet de vernietiging van voornoemd ontslag op staande voet gevorderd.

5.6.

Gelet op het voorgaande en rekening houdend met de mogelijkheid dat alsnog de nietigheid van het ontslag op staande voet wordt ingeroepen zal de kantonrechter het verzoek van [de werknemer] toewijzen en met toepassing van artikel 7:671c BW de arbeidsovereenkomst ontbinden en bepalen dat deze eindigt met ingang van 1 maart 2016. Die ontbinding zal echter voorwaardelijk moeten worden uitgesproken, namelijk voor zover een eventueel verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig wordt ingediend en ertoe leidt dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd.

5.7.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [de werknemer] een transitievergoeding of een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:673 lid 1 onder b sub 2 BW respectievelijk 7:671c lid 2 onder b BW is voor toekenning daarvan alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, hetgeen zich blijkens de wetsgeschiedenis slechts in uitzonderlijke gevallen zal voordoen. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. De in het kader van het ontbindingsverzoek genoemde omstandigheden duiden niet op ernstige verwijtbaarheid van De Stijl. Ook het feit dat De Stijl eind november 2015 niet met [de werknemer] in gesprek is gegaan over de verstoorde arbeidsverhouding en niet heeft gereageerd op het mediationvoorstel van [de werknemer] brengt onder de gegeven omstandigheden geen ernstige verwijtbaarheid in de zin van genoemde wetsartikelen met zich mee. Daarmee zijn ook de wegens ernstige verwijtbaarheid door [de werknemer] verzochte vergoeding van € 1.500,00 voor rechtsbijstandskosten niet toewijsbaar.

5.8.

Nu aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, zal [de werknemer] gelet op artikel 7:686a lid 7 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.9.

Verder verzoekt [de werknemer] veroordeling van De Stijl tot doorbetaling van haar loon. Nu de arbeidsovereenkomst vanaf 1 december 2015 heeft voortgeduurd heeft [de werknemer] recht op haar loon. Het verzoek van [de werknemer] wordt daarom toegewezen tot de datum van het ontslag op staande voet, zijnde 11 januari 2016. Het loon over de periode vanaf 11 januari 2016 wordt niet toegewezen, omdat bij de huidige stand van zaken door het ontslag op staande voet geen grondslag meer bestaat voor een verplichting van De Stijl het loon door te betalen. De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat de werkgever te laat heeft betaald, waarbij de wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 20%.

5.10.

Gelet op de uitkomst in de zaak van het verzoek is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. Indien [de werknemer] het verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van De Stijl moeten betalen. De proceskosten van De Stijl zullen in dat geval worden vastgesteld op een bedrag van € 400,00 voor salaris van de gemachtigde van De Stijl.

in de zaak van het tegenverzoek

5.11.

Het tegenverzoek van De Stijl berust op de stelling dat [de werknemer] schadeplichtig is in de zin van artikel 7:677 lid 2 BW. Dit betekent dat moet worden beoordeeld en beslist of sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, en daarbij dat het ontstaan van die dringende reden is veroorzaakt door opzet of schuld van [de werknemer]. In dat kader heeft de kantonrechter behoefte aan nadere informatie over de aard van de door [de werknemer] verrichte werkzaamheden en haar dienstverband met 123 Makelaars. Met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering beveelt de kantonrechter [de werknemer] om over te leggen alle contracten die zij is aangegaan met 123 Makelaars, dan wel bij het ontbreken daarvan schriftelijke verklaringen van de kant van 123 Makelaars waaruit blijkt wat de status en aard van de door [de werknemer] verrichte werkzaamheden is geweest in de periode dat zij daar nog niet in dienst was. Bij gebreke daarvan moet [de werknemer] er rekening mee houden dat het tegenverzoek van De Stijl wordt toegewezen.

5.12.

Iedere verdere beslissing in de zaak van het tegenverzoek wordt aangehouden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen [de werknemer] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 26 februari 2016.

Voor het geval [de werknemer] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2016, voor zover een eventueel verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig wordt ingediend en ertoe leidt dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd;

6.3.

veroordeelt de werkgever tot betaling aan de werknemer van het loon vanaf 1 december 2015 tot 11 januari 2016, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20%, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling;

6.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

in de zaak van het tegenverzoek

6.5.

beveelt [de werknemer] om voor of uiterlijk op 2 maart 2016 in het geding te brengen alle contracten die zij is aangegaan met 123 Makelaars, dan wel bij het ontbreken daarvan schriftelijke verklaringen van de kant van 123 Makelaars waaruit blijkt wat de status en aard van de door [de werknemer] verrichte werkzaamheden is geweest in de periode dat zij daar nog niet in dienst was;

6.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.G. Vroom, kantonrechter en op 17 februari 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter