Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3971

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
5039038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen huurrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 5039038 \ VV EXPL 16-79

datum uitspraak: 13 mei 2016

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake

[eiseres]

te [plaats]

eiseres

hierna te noemen [eiseres]

gemachtigde mr. S. Akkas

tegen

de stichting

[stichting]

te [plaats]

gedaagde

hierna te noemen [de stichting]

gemachtigde mr. D. de Vries.

De procedure

[eiseres] heeft [de stichting] gedagvaard op 28 april 2016. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. De gemachtigden hebben pleitnotities overgelegd. Partijen hebben nog stukken in het geding gebracht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

  1. [eiseres] huurt met ingang van 4 juni 2014 de woning aan de [a-straat] te Haarlem (hierna: de woning) van [de stichting] . Het betreft een zogenaamde vrije sector woning. Deze huurovereenkomst met [de stichting] is [eiseres] samen met haar toenmalige echtgenoot, [naam echtgenoot] (hierna: [betrokkene 1] ), aangegaan. De huurprijs inclusief bijkomende kosten bedraagt € 775,19 per maand.

  2. Op het formulier van de inkomenstoets, dat bij het aangaan van de huurovereenkomst is overgelegd, staat met de hand bijgeschreven dat [eiseres] op dat moment geen inkomen heeft.

  3. [eiseres] en haar twee minderjarige kinderen zijn in de woning gaan wonen. [betrokkene 1] heeft nimmer in de woning gewoond. [betrokkene 1] en [eiseres] zijn vervolgens gescheiden.

  4. Er is een huurachterstand ontstaan.

  5. Bij vonnis van 21 mei 2015 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden vanwege de huurachterstand.

  6. [de stichting] heeft met [eiseres] een regeling getroffen, op grond waarvan [eiseres] tijdelijk in de woning mocht verblijven.

  7. In de e-mail van [betrokkene 2] van [de stichting] aan mr. Akkas van 27 november 2014 staat onder andere:
    “Dit houdt in dat wij mevrouw zo snel als mogelijk een eenmalig aanbod doen voor een sociale huurwoning. Mevrouw mag deze woning niet weigeren, zodra er wel een weigering komt dan herroepen wij ons op het ontruimvonnis.”

  8. [de stichting] heeft [eiseres] eenmalig een woning aan de [b-straat] te Haarlem (hierna: de [b-straat] ) aangeboden. Het betreft een sociale huurwoning.
    De huurprijs van deze woning bedraagt € 390,10 inclusief bijkomende kosten per maand.

  9. [eiseres] heeft deze aangeboden woning geaccepteerd.

  10. [eiseres] heeft de huur van de woning op 8 april 2016 opgezegd. De huurovereenkomst eindigt op 15 mei 2016.

  11. De huurovereenkomst tussen partijen ten aanzien van de [b-straat] is op
    15 april 2016 gesloten.

  12. [de stichting] heeft de woning na de opzegging van de huur toegevoegd aan haar sociale woningenbestand. De woning staat thans te huur voor € 612,15 per maand.

De vordering

[eiseres] vordert, na vermindering van eis, bij wijze van voorlopige voorziening (samengevat):
I. [de stichting] te verplichten om de woning aan de [a-straat] in Haarlem binnen drie dagen na afgifte vonnis aan [eiseres] aan te bieden als sociale huurwoning en haar een nieuwe huurovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden;

II. tegen een bruto huurprijs van € 636,30 met het verbod om de huur tussendoor te verhogen;

III. [de stichting] te veroordelen tot het betalen van de reeds gemaakte kosten ter reparatie van de [b-straat] te Haarlem van € 1.219,- aan [eiseres] ;

IV. de huurovereenkomst tussen [de stichting] en [eiseres] betreffende de [b-straat] te Haarlem te ontbinden;

V. [de stichting] een dwangsom op te leggen van € 1.000,- per dag bij niet nakoming van het vonnis;

VI. [de stichting] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [de stichting] zich niet als goed verhuurder heeft gedragen. [eiseres] kon de huur van de woning niet zonder steun van de Gemeente Haarlem betalen, heeft gevraagd om een huurverlaging, maar heeft deze niet gekregen. Vervolgens heeft [de stichting] de woning in de verhuur gezet voor een lagere huurprijs, onder de grens van de huurtoeslag, waardoor [eiseres] deze woning wel kan betalen. Het is in het belang van [eiseres] en haar kinderen om in de woning te blijven wonen. [de stichting] heeft geen belang bij het verhuren van de woning aan een derde voor de verlaagde prijs, terwijl [eiseres] voor die lagere prijs ook in de woning wil en kan blijven wonen.

Het verweer

[de stichting] concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Zij voert ten eerste aan dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft; [eiseres] beschikt over een koopwoning en een nieuwe huurwoning. Voorts voert zij aan dat het verlagen van de prijs van de woning is gebeurd in het kader van de nieuwe Woningwet. De huurprijs kan alleen verlaagd worden na het einde van een huurovereenkomst en vóór het begin van een nieuwe huurovereenkomst. Tijdens een huurovereenkomst kan de huurprijs niet verlaagd worden. Voorts heeft
[de stichting] zich altijd ingezet voor [eiseres] en gezocht naar een oplossing, toen [eiseres] de lopende huur van de woning niet kon betalen. In plaats van haar te verplichten de woning te ontruimen, is haar eerst tijd geboden om een andere woning te vinden en toen dit niet lukte, is haar vervolgens eenmalig en geheel onverplicht een andere, goedkopere woning aangeboden. Het is de keuze van [eiseres] geweest om de [b-straat] te accepteren. Zij is daartoe niet gedwongen. Zij heeft ook zelf de huur van de woning opgezegd. [de stichting] kan niet worden verplicht opnieuw de woning aan [eiseres] te verhuren. Hierdoor zou het systeem van woningtoewijzingen worden doorkruist. Voor de woning hebben zich immers drie gegadigden met een urgentieverklaring gemeld en gegadigden met een langer inschrijfduur dan [eiseres] .

De beoordeling

  1. De huur van de woning eindigt op 15 mei 2016, [eiseres] dient uiterlijk op deze datum de woning te verlaten. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorlopige voorziening, aangezien zij (kort gezegd) vordert dat zij in die woning blijft wonen.

  2. Voorop staat dat voor de toewijzing van gevorderde voorlopige voorzieningen met een voldoende mate van zekerheid zal moeten vaststaan dat de rechter in een bodemprocedure soortgelijke vorderingen zal toewijzen. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat de rechter in een eventuele bodemprocedure de vorderingen van [eiseres] zal afwijzen. Hiervoor is het volgende redengevend.

3. Nog daargelaten of de onder I en II gevorderde voorlopige voorzieningen een voorlopig karakter hebben, is de kantonrechter van oordeel dat van hieraan de feitelijke en juridische grondslag ontbreekt. Nergens blijkt uit op grond waarvan [de stichting] de plicht heeft om een nieuwe huurovereenkomst ten aanzien van de woning met [eiseres] aan te gaan, laat staan tegen de door [eiseres] gevorderde prijs en voorwaarden. [eiseres] heeft de huurovereenkomst immers opgezegd. Zij stelt voorts dat dit onder dwang was, maar tegenover de gemotiveerde betwisting door [de stichting] heeft zij haar stelling onvoldoende gesteld en in het geheel niet onderbouwd. Uit de dossierstukken blijkt zelfs van het tegendeel. Op grond van het vonnis van 21 mei 2015 waarin de huurovereenkomst is ontbonden en [eiseres] is veroordeeld de woning te ontruimen, had [de stichting] immers het recht om de woning te ontruimen.

4. Voor zover [eiseres] stelt dat [de stichting] op grond van goed verhuurderschap of de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid verplicht is opnieuw een huurovereenkomst met betrekking tot de woning met haar te sluiten, overweegt de kantonrechter als volgt. [de stichting] heeft [eiseres] onverplicht in de gelegenheid gesteld om een andere woning te vinden en heeft haar zelfs uiteindelijk en eveneens onverplicht een woning aangeboden. Dat dit een eenmalig aanbod was en dat als [eiseres] dit aanbod niet zou aannemen, de woning ontruimd zou worden, is geen door [de stichting] uitgeoefende dwang. [de stichting] heeft [eiseres] nog enige kansen gegeven, terwijl zij daartoe niet verplicht was. Er is geen grondslag voor de stelling van [eiseres] dat [de stichting] [eiseres] nog meer tegemoet dient te komen. Daarbij heeft te gelden dat als [de stichting] zou worden verplicht de woning opnieuw aan [eiseres] te verhuren, als onweersproken vast staat dat daardoor het woningverdelingssysteem wordt doorkruist.

5. Dat [de stichting] de huurprijs van de woning vervolgens heeft verlaagd, maakt deze beoordeling niet anders. [de stichting] heeft terecht aangevoerd dat zij op grond van de regels de huurprijs niet gedurende een huurovereenkomst kan verlagen en dat zij overeenkomstig het woonbeleid en de nieuwe wetgeving de woning aan haar sociale woningen bestand mocht toevoegen. [eiseres] stelt dat [de stichting] zich achter regeltjes verschuilt, maar heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de door [de stichting] aangehaalde wetten en regels niet bestaan of onjuist worden uitgelegd en uitgevoerd.

6. [eiseres] vordert dat de huurovereenkomst tussen haar en [de stichting] ten aanzien van [b-straat] wordt ontbonden. Los van het feit dat de grondslag aan deze vordering ontbreekt heeft te gelden dat gesteld nog op voorhand is gebleken dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [de stichting] in de nakoming van deze huurovereenkomst. Nu een dergelijke ontbinding een definitief karakter heeft, kan deze vordering in ieder geval niet als voorlopige voorziening worden toegewezen. Ten slotte is het niet in het belang van [eiseres] dat deze vordering wordt toegewezen, nu de eerste twee vorderingen zijn afgewezen. Zoals [eiseres] zelf ter zitting heeft gesteld, is het belangrijk dat zij en haar kinderen een dak boven het hoofd hebben en zij stelt niet terug te kunnen naar de koopwoning die nog mede op haar naam staat.

7. Met betrekking tot gevorderde betaling van een geldsom in een voorlopige voorzieningen procedure, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de kantonrechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

8. Nog daargelaten dat [eiseres] het spoedeisend belang van de door haar gevorderde schadevergoeding niet heeft onderbouwd, is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [eiseres] een vordering op [de stichting] heeft. [eiseres] heeft dit geld kennelijk geïnvesteerd in de [b-straat] . Nu zij, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, daar waarschijnlijk zal gaan wonen, zal zij hiervan genot hebben.

9. Nu alle vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, zal ook de gevorderde dwangsom worden afgewezen.

10. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

- weigert de voorlopige voorziening;

- veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [de stichting] tot en met vandaag worden begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. van Dijk en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.