Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3961

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
15-232282-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; bewijsverweren verworpen; voorwaardelijk verzoek horen van twee hoogleraren afgewezen; bewezenverklaring opzettelijke schending van een ambtsgeheim meermalen gepleegd; oplegging geheel voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd van twee (2) jaren.

Een gemeenteraadslid bij de gemeente Bloemendaal is door de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur voor het schenden van haar ambtsgeheim.

Het gemeenteraadslid schond opzettelijk haar ambtsgeheim toen zij (delen van) stukken, die haar onder geheimhouding waren verstrekt, openbaar heeft gemaakt op een door haar op 16 december 2014 georganiseerde persbijeenkomst en op de website van de partij waarvoor zij raadslid is. De door het gemeenteraadslid aangevoerde verweren dat de betreffende handelingen niet strafbaar zijn, omdat er geen sprake zou zijn van geheime stukken alsook het verweer dat zij er terecht van is uitgegaan dat er geen geheimhouding rustte op die stukken en derhalve geen opzet heeft gehad op het schenden van haar ambtsgeheim, worden door de rechtbank verworpen.

De rechtbank rekent het het gemeenteraadslid aan dat zij door de openbaarmaking van de stukken tot eigenrichting is overgegaan en daardoor het vertrouwen dat het college van burgemeester en wethouders in leden van de gemeenteraad mag stellen ernstig heeft beschaamd en tevens publiekelijk het aanzien van haar ambt heeft geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-232282-15 (P)

Uitspraakdatum: 13 mei 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 april 2016 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens op het adres: [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.G. Hendriks en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 december 2014 tot en met 23 december 2014 te Overveen, gemeente Bloemendaal, en/of (elders) in Nederland, (telkens) (een) geheim(en) waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt en/of beroep, te weten
gemeenteraadslid bij de gemeente Bloemendaal, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door (telkens) informatie en/of stukken en/of gegevens uit het "intern dossier wethouder inzake intimidaties [landgoed] ([landgoed])", aan derden (ter inzage) aan te bieden/te verstrekken en/of (vervolgens) op een openbaar toegankelijke website (van Hart voor Bloemendaal) te plaatsen en/of aan derden te verstrekken.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en indien geen vrijspraak volgt, voorwaardelijk verzocht om prof. mr. [hoogleraar 1] – hoogleraar Constitutioneel Organisatierecht RUG – en prof. mr. [hoogleraar 2] - hoogleraar Staatsrecht RUG - als getuigen te horen.

3.3.

Bewijsverweren

Verdachte erkent dat zij op een door haar bijeengeroepen persbijeenkomst kopieën van stukken uit het zogenoemde “intern dossier wethouder inzake intimidaties [landgoed]” ter inzage (aan derden) heeft neergelegd en verstrekt. Verdachte is echter van mening dat vorenstaande handelingen niet strafbaar zijn, aangezien er volgens haar geen sprake was van geheime stukken.

Ter onderbouwing van het voormelde standpunt heeft verdachte in de eerste plaats aangevoerd dat het collegebesluit ontbreekt en dat ook anders het besluit van het college van burgemeester en wethouders tot geheimhouding van de stukken niet is bekrachtigd door de raad, zodat (het eventuele besluit tot) de geheimhouding is komen te vervallen. Ook heeft verdachte aangevoerd dat het niet duidelijk was ten aanzien van welke stukken de geheimhouding zou gelden.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit verweer niet op. Bij briefbesluit van 4 november 2014 van het College van burgemeester en wethouders van Bloemendaal is aan verdachte geheimhouding opgelegd op de aan verdachte verstrekte stukken op grond van artikel 25, tweede lid, Gemeentewet (hierna: Gemw) juncto artikel 10, tweede lid onder e en g van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Reeds op basis van dit besluit was verdachte tot geheimhouding van de bij de brief meegestuurde stukken gehouden. Nu in het briefbesluit van 4 november 2014 de geheimhouding van alle met het besluit meegezonden stukken werd bevolen (met uitzondering van een brief aan de raad) kon er voor verdachte ook geen onduidelijkheid hebben bestaan over de vraag op welke stukken de verplichting tot geheimhouding rustte. Het feit dat niet op alle aan verdachte in dit verband verstrekte stukken ‘volledig geheim’ stond vermeld, leidt derhalve niet tot een ander oordeel.

Nu bovendien geen sprake is geweest van verstrekking van de stukken aan de gehele raad, doch slechts (op eigener verzoek) aan verdachte en één ander raadslid, is de bekrachtigingsprocedure van artikel 25, derde lid, Gemw waaraan verdachte refereert, niet aan de orde. De krachtens het op grond van artikel 25, tweede lid, opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van de raad overgelegde stukken wordt in acht genomen, totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd (…) haar opheft. Nu de geheimhouding niet door het college van burgemeester en wethouders is opgeheven, is het aan verdachte gerichte besluit van 4 november 2014 onverminderd van kracht.

Verdachte heeft daarnaast aangevoerd dat het besluit van het college van burgemeester en wethouders onrechtmatig is genomen, omdat dit besluit eerst is genomen, nadat verdachte en enkele andere raadsleden de stukken al op 8 september 2014 hadden ingezien, op welk moment de stukken niet geheim waren. Derhalve is ten onrechte aan slechts 2 van de 19 raadsleden later alsnog geheimhouding opgelegd.

Ook dit verweer wordt door de rechtbank niet gevolgd.

De stukken waarop de geheimhouding is toegepast, vormen tezamen het dossier dat een wethouder voor haarzelf heeft samengesteld als werkdossier. Dit werkdossier behelst onder meer mails van recente data met daarin neergelegde ervaringen van een aantal ambtenaren van de gemeente Bloemendaal. Deze ambtenaren zijn betrokken (geweest) bij de ambtelijke behandeling van aanvragen, in het bijzonder van omgevingsvergunningen, ingediend door de eigenaren van het perceel [landgoed] in Overveen. Onder de toezegging dat deze ervaringen niet aan de grote klok zouden worden gehangen, hebben deze ambtenaren vrij hun harten gelucht.

Uit het vorenstaande kan in de eerste plaats de conclusie worden getrokken dat er geen sprake is van stukken die van meet af aan openbaar waren en waarop eerst in een later stadium geheimhouding is gelegd. Hieraan doet niet af dat de wethouder ermee heeft ingestemd dat een aantal raadsleden, onder wie verdachte, in de gelegenheid is gesteld inzage te hebben in dit werkdossier.

Zelfs al ware dit anders, dan nog staat geen wet of rechtsregel er aan in de weg dat stukken achteraf geheim worden verklaard. Het standpunt van verdachte vindt derhalve geen steun in wet en recht.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aan verdachte opgelegde geheimhoudingsplicht formeel in overeenstemming is met de wet. Het is niet de taak van de strafrechter ook daarnaast zelfstandig te beoordelen of de geheimhoudingsplicht terecht aan verdachte is opgelegd.

Tot slot heeft verdachte aangevoerd dat zij geen opzet heeft gehad op het schenden van de geheimhoudingsplicht en aldus van het ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Verdachte is zelf jurist en heeft uitgebreid juridisch onderzoek gedaan, laten doen en informatie ingewonnen en verkregen vanuit onder andere een officieel orgaan als de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), waarvan het resultaat steeds was, dat er geen geheimhouding rustte op de stukken.

Ook dit laatste verweer faalt naar het oordeel van de rechtbank.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte goed op de hoogte was van de inhoud van het aan haar gerichte collegebesluit van 4 november 2014. In het besluit wordt ook uitgelegd dat het stukken betreft die verband houden met intimidaties en bedreigingen van met name ambtenaren door een tweetal bewoners, gelet waarop de zich in dit dossier bevindende stukken vrijwel allemaal uitermate persoonlijk en gevoelig zijn en dat openbaarmaking (zelfs) (van delen) van de betreffende e-mails ertoe zou leiden dat de

e-mails eenvoudig herleidbaar zijn tot personen, van wie de persoonlijke levenssfeer moet worden beschermd. Verdachte is ook voorafgaand aan de door haar belegde persbijeenkomst op 16 december 2014 nadrukkelijk gewaarschuwd door de burgemeester dat hij aangifte zou doen, indien verdachte haar voornemen om de stukken te openbaren, zou uitvoeren. Verdachte heeft verklaard dat zij op de hoogte was van de bezwaarprocedure die door andere raadsleden was aangevangen, een weg die verdachte ook had kunnen bewandelen. Verdachte heeft er echter bewust voor gekozen om dit niet te doen. In plaats daarvan heeft zij op een door haar zelf georganiseerde persconferentie de betreffende stukken openbaargemaakt, ter inzage gelegd en vervolgens op haar website gepubliceerd. Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde.

Voor wat betreft het voorwaardelijke verzoek tot het horen van prof. mr. [hoogleraar 1] en prof. mr. [hoogleraar 2] als getuigen overweegt de rechtbank dat de noodzaak daartoe onvoldoende is onderbouwd.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende:

Bij besluit van 4 november 20141 is door het College van burgemeester en wethouders van Bloemendaal geheimhouding op grond van artikel 25, tweede lid van de Gemw en artikel 10, tweede lid, onder e en g van de Wob opgelegd ten aanzien van de stukken in het dossier "intern dossier wethouder inzake intimidaties [landgoed]" ([landgoed]). Besloten is het dossier met deze stukken te verstrekken aan twee raadsleden, mevrouw [verdachte] (verdachte), woonachtig te Bennebroek en de heer mr. [raadsman]. In de enveloppen zaten genoemde briefbesluiten, alsmede kopieën van genoemd intern dossier met daarop de mededeling: geheim. In de brief is gemotiveerd uiteengezet op grond waarvan de geheimhouding is opgelegd. De redenen zijn het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en voorkoming van onevenredige benadeling van natuurlijke personen. Het dossier behelst diverse verklaringen van onder meer ambtenaren omtrent door hen ervaren intimidaties en bedreigingen van eigenaren van het landgoed [landgoed]. Deze verklaringen zijn afgelegd bij de wethouder onder de toezegging dat deze verklaringen niet aan de grote klok zouden worden gehangen. Gelet op die toezegging hebben onder meer de ambtenaren gemeend hun hart te kunnen luchten. Genoemde raadsleden konden zich met de opgelegde geheimhouding niet verenigen. De [raadsman] en anderen hebben een bezwaarschrift tegen dit besluit ingediend.2 Op 16 december 2014 heeft verdachte in restaurant Loetje te Overveen een persconferentie gehouden. [aangever] heeft verdachte, in zijn hoedanigheid van burgemeester, voorafgaand aan de persconferentie op 14 december 2014 telefonisch gewaarschuwd, dat als zij de geheimhouding zou schenden, hij hiervan aangifte zou doen. Verdachte heeft bij voornoemde gelegenheid, na opening van de enveloppe, de inhoud overhandigd aan de notaris met het verzoek genoemd dossier te anonimiseren, aan welk verzoek de notaris gevolg heeft gegeven. De notaris heeft van het verloop van de bijeenkomst een proces verbaal opgesteld, met aan dat proces-verbaal gehecht een deel van de geheime stukken. Een deel van de stukken, al dan niet voorzien van zwarte strepen, is aldaar openbaar ter inzage gelegd.3 Op de persconferentie heeft verdachte aangekondigd dat het in te scannen dossier op de website van Hart voor Bloemendaal zal worden gepubliceerd.4 Op 23 december 2014 heeft [aangever] aangegeven dat het proces-verbaal van de notaris en de daarbij gevoegde geheime stukken zijn geplaatst op de openbare en voor een ieder toegankelijke site van Hart voor Bloemendaal.5

Verdachte heeft verklaard dat er voor de persconferentie een draaiboek is opgemaakt, opdat alles met de grootst mogelijke zorgvuldigheid zou geschieden, (mede) omdat verdachte te horen had gekregen dat zij zich mogelijk op een strafbaar pad begaf. Verdachte heeft tijdens de persbijeenkomst kennis genomen van de inhoud van het collegebesluit tot geheimhouding van 4 november 2014, waarvan zij reeds vermoedde dat dit tezamen met de stukken uit het "intern dossier wethouder inzake intimidaties [landgoed]" in de enveloppe zat, die haar was toegezonden. Verdachte heeft vervolgens (tezamen met de notaris6) een deel van de stukken uit het dossier geanonimiseerd door de namen van de betrokken ambtenaren zwart te maken en de stukken te kopiëren. Vervolgens heeft zij deze kopieën ter inzage gelegd.7

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op tijdstippen in de periode van 16 december 2014 tot en met 23 december 2014 te Overveen, gemeente Bloemendaal en/of elders in Nederland telkens geheimen, waarvan zij wist dat zij deze uit hoofde van ambt, te weten gemeenteraadslid bij de gemeente Bloemendaal, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door stukken uit het "intern dossier wethouder inzake intimidaties [landgoed] ([landgoed])", aan derden ter inzage aan te bieden/te verstrekken en vervolgens op een openbaar toegankelijke website van Hart voor Bloemendaal te plaatsen.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair te vervangen door 30 dagen hechtenis.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als raadslid van de gemeente Bloemendaal (delen van) stukken, die haar onder geheimhouding waren verstrekt, openbaar gemaakt op een door haar georganiseerde persbijeenkomst en op de website van de partij waarvoor zij raadslid is. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij door de openbaarmaking van de stukken tot eigenrichting is overgegaan en daardoor het vertrouwen dat het college van burgemeester en wethouders in leden van de gemeenteraad mag stellen ernstig heeft beschaamd en tevens publiekelijk het aanzien van haar ambt heeft geschaad.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze taakstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 2 jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 272 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 60 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.J. van Andel, voorzitter,

mrs. E.J. Bellaart en E.M. ten Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.S. Clements,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 mei 2016.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Een schriftelijk stuk, te weten een brief d.d. 4 november 2014, dossierpagina 11 t/m 13.

2 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 24 december 2014 (dossierpagina’s 7-10).

3 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 24 december 2014 (dossierpagina 8); een proces-verbaal d.d. 16 december 2014 opgemaakt door mr. [getuige] (dossierpagina’s 24 t/m 30).

4 Een proces-verbaal d.d. 16 december 2014 opgemaakt door mr. [getuige] (dossierpagina 26).

5 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 24 december 2014 (dossierpagina 8).

6 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] (dossierpagina 178).

7 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 april 2016.