Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3870

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
15/821168-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; bekennende verdachte; bewezenverklaring invoer verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol/in Nederland; strafoplegging; gelet op de persoonlijke omstandigheden afgeweken van de eis van de officier van justitie; deels voorwaardelijke gevangenisstraf; teruggave aan verdachte van 143 US Dollar; verbeurdverklaring van 1.000 EURO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/821168-15 (P)

Uitspraakdatum: 30 maart 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 maart 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Venezuela),

thans gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M.H.G. Peters, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J.E.J. Coenraad, advocaat te Zandvoort, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 december 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het proces-verbaal van aanhouding d.d. 20 december 2015 (dossierpagina’s 1-5);

  • -

    het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 21 december 2015 (dossierpagina’s 57-61);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten het Rapport gewichtsbepaling van drugs van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 januari 2016, opgesteld door Ing. [deskundige], met zaaknummer 2015.12.28.029 (losse bijlage).

3.3

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 december 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat het bij verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van 1000 euro verbeurd wordt verklaard en het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van 143 US dollar wordt teruggegeven aan verdachte.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht af te wijken van de oriëntatiepunten en bij het bepalen van de straf rekening te houden met de hoge leeftijd van verdachte en het feit dat hij kostwinnaar is en de zorg draagt voor zijn vrouw en zijn drie gehandicapte dochters en zijn zoon. Tevens heeft de raadsvrouw er op gewezen dat verdachte geen documentatie heeft, waarbij door verdachte is opgemerkt dat hij anders dan uit zijn documentatie blijkt nimmer in Nederland is geweest. De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het onder de verdachte inbeslaggenomen geld op het standpunt gesteld dat hetgeen daarover is opgetekend, verkeerd is opgenomen. In de visie van de verdediging dient een bedrag van 1000 euro te worden teruggegeven aan verdachte en het geldbedrag van 143 US dollar dient verbeurd te worden verklaard.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1.360 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank is van oordeel dat in de persoon van verdachte gelet op zijn hogere leeftijd en diens persoonlijke omstandigheden grond is gelegen in enigszins matigende zin af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte de zorg heeft voor zijn (gehandicapte) kinderen die sterk van hem afhankelijk zijn, zodat de op te leggen straf zwaarder te dragen is en ook die kinderen treft.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

6.4

Bijkomende straf

verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten

1000 euro

dient te worden verbeurd verklaard.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat voorwerp, dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van 143 US dollar, dient te worden teruggegeven aan verdachte.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is niet gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dit geld, dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 33, 33a van het Wetboek van Strafrecht.

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- een geldbedrag van 1000 euro

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een geldbedrag van 143 US dollar

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.G.M. van den Hoogen, voorzitter,

mr. M.W. Groenendijk en mr. R. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. de Roo,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 maart 2016.

Mr. D.G.M. van den Hoogen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.