Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3705

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
C/14/152126 / FA RK 14/282
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een biologische vader heeft verzocht om een omgangsregeling met zijn 9-jarig kind waarmee hij sinds drie jaar geen contact heeft. De moeder en haar nieuwe partner (juridische ouders) zijn niet in staat om daarvoor hun emotionele toestemming te geven. Bij de minderjarige is sprake van gedragsproblematiek samenhangend met ADHD en een moeilijk verlopend hulpverleningstraject en de ouders vrezen dat het ingezette hulpverleningstraject hierdoor nog meer zal stagneren. De Raad ziet zonder de emotionele toestemming van de ouders geen mogelijkheden van omgang en adviseert de rechtbank de biologische vader de omgang te ontzeggen De rechtbank oordeelt echter anders. Gelet op het uitgangspunt dat een ongestoorde relatie van een kind met zijn niet-verzorgende ouder in het belang van een kind wordt geacht en er geen contra-indicaties voor omgang zijn (de Raad heeft geconcludeerd dat de minderjarige ondanks zijn problematiek geacht moet worden de omgang aan te kunnen) en de weerstand van de ouders tegen omgang niet door objectieve gegevens wordt ondersteund, ziet de rechtbank aanleiding een voorlopige omgangsregeling vast te stellen. Om de ouders ruimschoots in de gelegenheid te stellen zich hierop voor te bereiden en passende hulpverlening in te schakelen bij het leren van het geven van emotionele toestemming (bijvoorbeeld een orthopedagoog), wordt het eerste omgangsmoment vastgesteld op een datum zes maanden na de beschikking. Vervolgens zal gedurende zes maanden eenmaal per maand een paar uur omgang plaatsvinden, waarna de zaak opnieuw op zitting zal worden behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/14/152126 / FA RK 14/282

beschikking van de meervoudige kamer (na enkelvoudige behandeling) van 28 april 2016

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

de biologische vader, hierna te noemen de man,

advocaat: mr. C. de Bie-Koopman, kantoorhoudende te Alkmaar,

--tegen--

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de moeder,

advocaat: mr. N.J.M. Plat, kantoorhoudende te Den Helder,

--betreffende--

de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

waarin als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

juridisch vader van [minderjarige] ,

hierna te noemen de vader.

1 Het procesverloop

1.1

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- de tussenbeschikking in deze zaak van 25 juni 2014 en de daarin vermelde stukken;

- het rapport van de Raad van 29 januari 2015;

- het proces-verbaal van de pro forma zitting van 3 februari 2015;

- het proces-verbaal van de pro forma zitting van 20 april 2015;

- het (aanvullende) rapport van de Raad van 18 december 2015;

- de berichten van de moeder van 19 november 2014, 15 januari 2016, 29 januari 2016, 2 maart 2016 en 10 maart 2016.

1.2

Op 21 maart 2016 is de mondelinge (enkelvoudige) behandeling van de zaak voortgezet. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. De Bie-Koopman, de moeder, bijgestaan door mr. Plat, en de vader. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad) is verschenen [medewerker raad] .

1.3

Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank met toepassing van artikel 15, tweede en derde lid, van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de zaak voor de beraadslaging en beslissing verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank, aangezien de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor beslissing door één rechter.

2 Het advies van de Raad

2.1

Bij (tussen)beschikking van 25 juni 2014 heeft de rechtbank – in het kader van het verzoek van de man om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige [minderjarige] vast te stellen – de Raad verzocht te onderzoeken of een omgangsregeling in het belang van [minderjarige] is, en zo ja, op welke wijze deze omgangsregeling het beste vormgegeven kan worden.

2.2

In het rapport van 29 januari 2015 komt de Raad tot de volgende conclusies.

2.2.1

Een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man is – aldus de Raad – in het belang van [minderjarige] . Het is voor de persoonlijke ontwikkeling van [minderjarige] , met name zijn identiteitsvorming, belangrijk dat hij bekend wordt met de achtergrond van zijn biologische vader en zijn afstamming. Er zijn – aldus de Raad – geen persoonlijke belemmeringen bij [minderjarige] of de man die aan omgang in de weg staan. De Raad ziet echter nu nog geen mogelijkheden voor omgang dan wel het opstarten van een proefcontact, nu het idee van omgang tussen [minderjarige] en de man bij de moeder enorme spanning oproept en de moeder en de juridische vader (hierna samen: de ouders) hiervoor niet hun emotionele toestemming kunnen geven. Hierdoor bestaat het risico dat, hoewel er bij ouders voldoende draagkracht aanwezig wordt geacht, de verantwoordelijkheid voor de omgang volledig bij [minderjarige] komt te liggen, waardoor hij in een loyaliteitsconflict terecht komt. Dit is een onwenselijke situatie, aldus de Raad.

2.2.2

Gelet hierop is – aldus de Raad – van belang dat (eerst) wordt ingezet op het scheppen van de voorwaarden die nodig zijn om omgang of contact in de toekomst mogelijk te maken. Het recht van [minderjarige] om zijn biologische vader te kennen is een recht dat door de ouders moet worden gewaarborgd. Het is van belang dat zij ervoor zorgen dat ze [minderjarige] begeleiden en ondersteunen bij het opbouwen van een band met de man. Met name de moeder zal moeten leren accepteren dat [minderjarige] zijn eigen ervaringen met de man zal moeten kunnen opdoen, ook al vraagt dat veel van haar (en de vader) op het gebied van het overwinnen van angst en weerstand. Hulpverlening ter ondersteuning van de ouders is dan ook geboden, bijvoorbeeld door middel van gesprekken bij de Opvoedpoli dan wel het Kinder- en Jeugdtraumacentrum. De man zal daarentegen de ouders in hun rol als ouders moeten blijven erkennen en respecteren dat zij de tijd nodig hebben om hierin de balans te vinden. Voorts is van belang dat de man zich neutraal blijft opstellen als er contact of omgang komt met [minderjarige] . Met de Opvoedpoli zou kunnen worden toegewerkt naar een proefcontact en de man kan worden begeleid bij de voorbereiding hierop.

2.2.3

Tot slot acht de Raad voor nu van belang dat er een ‘lijntje’ blijft tussen de man en [minderjarige] , tot het moment dat er ruimte is voor contact tussen de man en [minderjarige] . De man zou bijvoorbeeld elke zes weken een kaartje kunnen sturen naar [minderjarige] . Op die manier kan de man dan ook zijn betrouwbaarheid tonen aan de ouders en aan [minderjarige] . Ouders lezen het kaartje vervolgens met [minderjarige] en bewaren het voor hem. Tevens acht de Raad van belang dat de ouders de man drie keer per jaar informeren over [minderjarige] (schoolgang, gezondheid, algemene ontwikkeling en ‘life events’) inclusief recente foto, zodat de man op de hoogte blijft van het leven van [minderjarige] en daarop kan aansluiten in zijn kaarten.

2.3

De Raad adviseert de rechtbank – op grond van voornoemde conclusies – de beslissing ten aanzien van de door de man verzochte omgangsregeling met [minderjarige] aan te houden voor een periode van negen maanden, in afwachting van de (resultaten van de) hulpverlening.

2.4.1

Nadat de rechtbank de zaak, conform het advies van de Raad, negen maanden heeft aangehouden, heeft de Raad op 18 december 2015 opnieuw gerapporteerd over de stand van zaken.

2.4.2

De Raad constateert in dit rapport dat de hulpverlening (ter ondersteuning van de ouders) niet van de grond is gekomen. Hoewel de ouders hadden aangegeven mee te zullen werken aan de geadviseerde hulpverlening (Wijkteam/opvoedpoli), is duidelijk geworden dat de ouders dat bij nader inzien niet willen. Ook met het versturen van informatieve mails zijn de ouders (na twee keer) gestopt. Voor het versturen van kaartjes aan [minderjarige] heeft de man professionele begeleiding gezocht, maar deze is – naar het zich laat aanzien niet door toedoen van de man – niet van de grond gekomen, waardoor het sturen van kaartjes is gestagneerd. De Opvoedpoli heeft aangegeven ouders te volgen in hun wensen. Omdat de ouders de hulpverlening op dit vlak niet wensen, verwacht de Raad niet dat hulpverlening uitgevoerd door de Opvoedpoli tot positief resultaat zal leiden.
is een kwetsbaar kind met gedragsproblemen (ADHD, woedeaanvallen, impulsief en soms agressief gedrag). Individuele hulpverlening voor deze problematiek heeft prioriteit boven hulpverlening ten behoeve van de omgang. Rust bij [minderjarige] en in het gezin waar hij opgroeit is daarbij van groot belang. De moeder staat afwijzend tegenover het contact tussen [minderjarige] en de man en er valt niet te verwachten dat de vader daarin een stimulerende rol zal spelen. De hulpverlening met het doel de ouders inzicht te geven in het belang voor [minderjarige] om zijn biologische vader te kennen en een band met hem te kunnen onderhouden is niet van de grond gekomen, mede door de ambivalentie en weerstand van ouders. De Raad acht het wenselijk dat [minderjarige] in staat wordt gesteld op ongestoorde wijze een band te kunnen opbouwen met de man. De Raad blijft bij het eerdere advies dat ouders hulp moeten zoeken bij het vergroten van voornoemd inzicht in het belang van [minderjarige] . De ouders zijn van mening dat het contact tussen [minderjarige] en de man, dan wel het inzetten van hulpverlening ten behoeve van dat contact, teveel spanning en stress zal veroorzaken, wat in combinatie met het gezin en werk van de ouders een te grote belasting zal vormen. Zonder de emotionele toestemming van de ouders ziet de Raad geen mogelijkheden de omgang te realiseren. De optie van een ondertoezichtstelling is intern besproken. Hoewel de situatie aanleiding geeft voor een dergelijke kinderbeschermingsmaatregel – er is immers sprake van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] vanwege het uitblijven van contact met zijn biologische vader en stagneren van hulpverlening in een vrijwillig kader – is de verwachting dat dit in dit geval juist contra-productief zal werken. Het forceren van contact en omgang wordt niet in het belang van [minderjarige] geacht.
De Raad adviseert thans – op grond van voormelde constateringen – de omgang tussen [minderjarige] en de man te ontzeggen vanwege strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Dat neemt echter niet weg dat de Raad bij zijn standpunt blijft dat de ouders hulp dienen te zoeken bij de Opvoedpoli dan wel een andere instantie bij het vergroten van hun inzicht dat [minderjarige] belang heeft bij het opbouwen van een band met de man.

3 Het standpunt van de man

3.1.1 De man heeft ter zitting van 21 maart 2016, in aansluiting op zijn eerdere standpunt zoals weergegeven in de beschikking van 25 juni 2014, het volgende naar voren gebracht. De man heeft het gevoel dat de moeder alle registers heeft opengetrokken om omgang tussen hem en [minderjarige] tegen te houden. Het is moeilijk om te ervaren dat de moeder de oprechte wens van de man om [minderjarige] te mogen zien niet op de juiste waarde schat en zij ook geen meerwaarde ziet in contact tussen [minderjarige] en de man, terwijl de man er alles aan doet om het contact mogelijk te maken zonder afbreuk te doen aan de positie van de ouders.

3.1.2 De man heeft – op aanraden van de Raad – contact gezocht met het sociaal wijkteam om hem te adviseren en te begeleiden bij het schrijven van kaartjes aan [minderjarige] . Na doorverwijzing naar de Opvoedpoli en terugverwijzing naar het Wijkteam, waarbij de gewenste begeleiding niet op gang is gekomen, heeft de man uiteindelijk via zijn advocaat een aantal kaartjes naar [minderjarige] gestuurd. Hoewel de moeder van deze gang van zaken op de hoogte was, blijft zij volhouden dat de man zich in het sturen van kaarten onbetrouwbaar heeft getoond. Uit het raadsrapport blijkt duidelijk dat er bij de moeder geen enkele bereidwilligheid is om de omgang tussen [minderjarige] en de man een kans te geven. Het laatste advies van de Raad is opvallend. Daar waar de Raad eerst aangaf geen persoonlijke belemmeringen te zien bij [minderjarige] en de man voor contact, vormt de kwetsbare stabiliteit van [minderjarige] en het feit dat de ouders [minderjarige] geen emotionele toestemming geven voor omgang en hem niet positief kunnen begeleiden in het contact, nu wel een belemmering. Er wordt uitgegaan van aannames, maar als [minderjarige] nu niet in contact wordt gebracht met zijn biologische vader, zal nooit duidelijk worden hoe hij daarop zal reageren. De man wil een rol van betekenis hebben in het leven van [minderjarige] , waarbij hij volledig accepteert dat [minderjarige] niet bij hem opgroeit en hij een andere vader heeft. [minderjarige] en de man hebben recht op contact met elkaar. Het gegeven dat de ouders geen enkele stap willen zetten om hun weerstand te doorbreken, mag er niet toe leiden dat [minderjarige] het fundamentele recht op contact met zijn biologische vader wordt ontzegd.

3.1.3 Door de man wordt daarom (aanvullend) verzocht om een voorlopige omgangsregeling te bepalen, in die zin dat de man eenmaal per maand een voetbalwedstrijd van [minderjarige] kan bezoeken, desnoods met dwangsom, zodat er meer zekerheid is dat de moeder die verplichting zal nakomen, waarna, na evaluatie van de regeling, over zes maanden vervolgafspraken gemaakt zouden kunnen worden. Een verdere aanhouding zonder een regeling vast te stellen, acht de man niet zinvol.

4 Het standpunt van de moeder

4.1

De moeder blijft van mening dat de omgang van [minderjarige] met de man niet in het belang van [minderjarige] is. Het hulpverleningstraject dat voor [minderjarige] persoonlijke problematiek is ingezet, is de afgelopen maanden vooral gericht geweest op het onderzoeken hoe [minderjarige] zich staande kan houden, zowel thuis als op school. Prioriteit ligt bij het stabiliseren van [minderjarige] , het verbeteren van zijn schoolprestaties, het afstemmen van de medicatie en het vervolgen van zijn behandeling bij de Opvoedpoli. De moeder kan haar emotionele toestemming niet geven omdat zij vreest dat [minderjarige] het contact met de man niet aankan, ook niet als dat beperkt blijft tot de voetbalwedstrijden. [minderjarige] heeft rust, regelmaat en structuur nodig. De moeder heeft het voorstel van de man van contact tijdens de voetbalwedstrijden met de [naam] van de Opvoedpoli te [plaats] besproken en die heeft het voorstel afgeraden omdat gevreesd wordt dat [minderjarige] het niet aankan. Het belangrijkste is dat het goed blijft gaan met [minderjarige] . De moeder ziet ook geen enkele toegevoegde waarde van contact tussen [minderjarige] en de man. De man heeft [minderjarige] niets te bieden. De moeder is van mening dat de man zich niet verantwoordelijk genoeg heeft getoond. Ook is hij er tot op heden niet in geslaagd zijn betrouwbaarheid aan de ouders te tonen. Ook de moeder ziet geen heil in een verdere aanhouding van de zaak. Het verzoek van de man dient derhalve te worden afgewezen, aldus de moeder.

5 Beoordeling

5.1

De rechtbank stelt voorop dat zij zich baseert op de huidige wetenschappelijke inzichten dat het in zijn algemeenheid goed is voor (de persoonlijke ontwikkeling en identiteitsvorming van) een kind om zijn biologische ouder(s) te kennen en in de gelegenheid te worden gesteld daarmee contact te onderhouden en een band op te bouwen.

5.2

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014 (www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:HR:2014:91) merkt de rechtbank op dat op haar de taak rust om zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken. Dit betekent dat de rechter al het redelijkerwijs mogelijke moet doen om te bewerkstelligen dat een omgangsregeling tot stand komt. Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van het met het gezag belaste ouder minder - of zelfs geen – goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd.

5.3.1

De rechtbank stelt vast dat er door de Raad is geconstateerd dat er bij [minderjarige] sprake is van gedragsproblematiek samenhangend met ADHD en dat de ingezette hulpverlening hiervoor moeizaam verloopt, maar dat deze omstandigheden op zichzelf geen belemmering vormen voor omgang tussen [minderjarige] in de man. Voorts heeft de Raad geconstateerd dat ook aan de zijde van de man geen sprake is van belemmeringen voor omgang. De belemmering die volgens de Raad momenteel aan omgang in de weg staat is het feit dat ouders, hoewel zij over voldoende draagkracht beschikken, [minderjarige] geen emotionele toestemming geven voor contact/omgang met de man en het gegeven dat zij [minderjarige] hierin geen ruimte en vrijheid geven.

5.3.2

De rechtbank merkt op dat de wens van ouders om een kind te willen beschermen in zijn algemeenheid begrijpelijk is, maar in dit geval niet op steekhoudende gronden berust. De wens van ouders om de man volledig buiten het leven van [minderjarige] te houden heeft als reden dat ouders menen dat de man [minderjarige] niets te bieden heeft en geen enkele toegevoegde waarde heeft. Hiermee miskennen zij het feit dat de toegevoegde waarde van de man is gegeven met het zijn van biologische ouder van [minderjarige] . Daarmee miskennen ouders tevens het belang van contact tussen [minderjarige] en de man voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . De veronderstelling dat [minderjarige] contact niet aan zou kunnen is door de moeder niet met objectieve gegevens onderbouwd en in de onderzoeken van de Raad zijn hiervoor geen aanknopingspunten gevonden, zodat er vanuit moet worden gegaan dat van een dergelijk beletsel geen sprake is. Daar komt nog bij dat de man sinds april 2013 geen contact meer heeft gehad met [minderjarige] en dat, naarmate er meer tijd verstrijkt, contactherstel in de toekomst steeds moeilijker zal worden. Dat klemt te meer nu er ruimte bij [minderjarige] lijkt te zijn voor enige vorm van contact, gezien het feit dat [minderjarige] heeft aangegeven het wel goed te vinden om kaartjes te ontvangen van de man en kaartjes terug te willen sturen.

5.3.3

De rechtbank gaat er - gelet op de informatie in het dossier en het verhandelde ter zitting - vanuit dat [minderjarige] het contact met zijn biologische vader aan zal kunnen, ongeacht zijn persoonlijke problematiek, indien hij daarvoor emotionele toestemming van de ouders ervaart. De ouders moeten mede gezien hun draagkracht in staat worden geacht hierin een ‘switch’ te maken nadat zij inzicht hebben verworven over het belang van de aanwezigheid van de biologische vader in het leven van [minderjarige] . Zij zijn daar tot op heden niet aan toegekomen, mede doordat zij door de [naam] van de Opvoedpoli ten onrechte zijn gesterkt in hun gevoel dat [minderjarige] het contact met zijn biologische vader niet aan zal kunnen en dit contact niet goed voor hem is. Uit het Raadsrapport blijkt dat [naam] het standpunt huldigt dat omgang niet hoeft te worden opgestart als ouders dat niet willen en dat de Opvoedpoli ouders niet zal proberen te overtuigen of motiveren om mee te werken aan contactherstel tussen [minderjarige] en de man, omdat dit tegen de behoefte van de ouders en [minderjarige] ingaat. Desgevraagd heeft de [naam] hierbij aangegeven dat hij dit niet van [minderjarige] zelf heeft vernomen.
De rechtbank stelt vast dat deze opvatting van [naam] volledig indruist tegen de huidige wetenschappelijke opvattingen over dit onderwerp. De Raad heeft ter zitting benadrukt dat de door de Raad verwoorde visie dat het van belang is dat de man als biologische vader een rol in het leven van [minderjarige] speelt de gangbare opvatting is en dit ook als uitgangspunt zou moeten worden genomen. De Raad heeft tevens zijn verbazing uitgesproken dat namens de Opvoedpoli voornoemde andersluidende opvatting is uitgedragen. Ouders zijn daarmee niet geholpen en daarmee [minderjarige] en de man ook niet. Het valt te betreuren dat het zo is gelopen. Uit het voorgaande volgt dat het naar het oordeel van de rechtbank in het belang van [minderjarige] is dat de ouders op zoek gaan naar een andere hulpverlenende instantie, die hen kan voorzien van voldoende informatie conform de gangbare huidige wetenschappelijke inzichten en kan bijdragen aan het verwerven van voldoende inzicht om hun huidige overtuiging te kunnen loslaten. De rechtbank gaat er vanuit dat met kennis van het belang van een goede relatie tussen het kind en beide biologische ouders en het effect daarvan op de ontwikkeling van kinderen op de lange termijn, ruimte voor emotionele toestemming kan ontstaan.

5.3.4

Gelet op het uitgangspunt dat een ongestoorde relatie van het kind met de niet-verzorgende ouder in het belang van het kind is, dat er in dit geval geen sprake is van contra-indicaties voor de omgang en dat de weerstand van ouders tegen omgang niet door objectieve gegevens wordt ondersteund ziet de rechtbank aanleiding om over te gaan tot het vaststellen van een (voorlopige) omgangsregeling.
Om ouders ruimschoots in de gelegenheid te stellen om zich daarop voor te bereiden zal de rechtbank het eerste omgangsmoment bepalen op 29 oktober 2016. Daarna zal (voorlopig) ongeveer eenmaal per maand een ontmoeting tussen [minderjarige] en de man plaatsvinden. Gelet op de impact die dat mogelijk voor [minderjarige] zal hebben, benadrukt de rechtbank dat [minderjarige] het nodig heeft dat ouders hem hierin begeleiden en ondersteunen. De lange aanloop naar het hervatten van de omgang stelt de ouders in staat om genoemde passende hulp in te schakelen bij het leren geven van emotionele toestemming aan [minderjarige] om contact met de man te hebben. Bovendien hebben de ouders daarmee voldoende tijd om het contact ruimschoots tevoren en in overleg met de hulpverlening voor te bereiden. Gebleken is dat de Opvoedpoli de benodigde hulp niet heeft geboden/kan bieden. Zoals ter zitting reeds genoemd zouden partijen zich kunnen wenden tot orthopedagoog [orthopedagoog] maar uiteraard staat het de ouders vrij om een andere hulpverlener te benaderen die is toegerust op de voorliggende hulpvraag.

5.3.5

De man dient voorafgaand aan de omgang een kaartje naar [minderjarige] te sturen, zoals de Raad heeft geadviseerd. Hoewel het te betreuren valt dat de hulp die de vader hiervoor eerder heeft gezocht niet van de grond is gekomen, ligt het ook thans weer op zijn weg om zich te laten adviseren hoe hij dat kan doen zonder druk bij [minderjarige] te leggen en slechts over te brengen dat hij aan hem denkt en dat hij zich verheugt op het contact. De man dient steeds ongeveer één week voorafgaand aan de omgang met [minderjarige] een kaartje naar hem te sturen.

Op de moeder rust vervolgens de verantwoordelijkheid om dit kaartje aan [minderjarige] te overhandigen met een open en neutrale instelling. Hiervoor dient zij zo nodig hulpverlening in te schakelen.
Voorts gaat de rechtbank er vanuit dat de moeder in navolging van het advies van de Raad van 29 januari 2015 de man (opnieuw) gaat informeren omtrent [minderjarige] , zodat de man enigszins weet wat er speelt in [minderjarige] zijn leven en hij daarop kan inhaken met zijn kaartjes en in de contacten. De rechtbank verwacht van de vrouw dat zij vanaf heden tot de volgende zitting de man eenmaal per maand schriftelijk informeert over belangrijke zaken met betrekking tot [minderjarige] (onder meer over het verloop van de behandeling/hulpverlening in het kader van de ADHD, ontwikkelingen op school, invulling vakanties, sport en hobby’s).

5.4

De rechtbank geeft de Raad in overweging opnieuw te beoordelen of een kinderbeschermingsmaatregel (ondertoezichtstelling) is aangewezen, gelet op het feit dat omgang tussen de man en [minderjarige] over enige tijd zal gaan plaatsvinden.

5.5

Op grond van voorgaande komt de rechtbank tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De rechtbank:

- bepaalt voorlopig, totdat nader is beslist, dat een regeling tussen de man en [minderjarige] zal gelden, waarbij [minderjarige] eenmaal per maand, te weten op:

o zaterdag 29 oktober 2016 van 14.00 uur tot 15.30 uur;

o zaterdag 26 november 2016 van 14.00 uur tot 17.00 uur;

o zaterdag 24 december 2016 van 14.00 uur tot 17.00 uur;

o zaterdag 4 februari 2017 van 14.00 uur tot 17.00 uur;

o zaterdag 4 maart 2017 van 14.00 uur tot 17.00 uur;

o zaterdag 1 april 2017 van 14.00 uur tot 17.00 uur,

bij de man zal zijn, waarbij de man [minderjarige] bij de ouders ophaalt en na afloop van de omgang weer bij de ouders terugbrengt.

- Verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- houdt de mondelinge behandeling van de zaak aan tot de zitting (van de meervoudige kamer van de rechtbank) van maandag 3 april 2017 op een nader te bepalen tijdstip, waarbij de rechtbank de oproeping gelast van partijen, de wederzijdse raadslieden en de Raad voor de Kinderbescherming;

- houdt de beslissing ten aanzien van het meer of anders verzochte aan.

Deze beschikking is gegeven door J.L. Roubos, voorzitter tevens kinderrechter, en mrs. F. Kleefmann en E.M. Devis, rechters tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van T.B.A. Verbeij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2016 en bij ontstentenis van de voorzitter en de griffier getekend door mr. E.M. Devis.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.