Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3635

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
C/15/232051/FA RK 15-5500
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beroep tegen huisverbod en de verlenging, 8:29-beslissing, vrouw verblijft anders dan incidenteel in de woning, contactverbod niet onrechtmatig, nu dit uit de wet volgt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

Wet tijdelijk huisverbod

zaak-/rekestnummer: C/15/232051 / FA RK 15-5500 (beroepschrift)

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken van 16 maart 2016

in de zaak van:

[eiser] , eiser

wonende te Castricum,

gemachtigde: mr. M.J.N. Koek, advocaat te Amsterdam,

en

de burgemeester van de gemeente Castricum,

zetelende te Castricum,

hierna te noemen: verweerder,

in welke zaak belanghebbende is:

[de vrouw] ,

wonende te Castricum,

hierna te noemen: de vrouw.

1 De procedure

1.1

Bij besluit van 9 augustus 2015 heeft verweerder aan eiser een huisverbod als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) opgelegd voor de periode van 9 augustus 2015, 16:39 uur tot 19 augustus 2015, 16:39 uur (hierna: het besluit).

1.2

Bij besluit van 18 augustus 2015 is het huisverbod verlengd met een aansluitende periode van 18 dagen, derhalve tot 6 september 2015, 16:39 uur (hierna: de verlenging).

1.3

Tegen deze besluiten heeft eiser bij brief van 9 september 2015, door de rechtbank ontvangen op 10 september 2015, beroep ingesteld.

1.4

Verweerder heeft bij brief van 12 januari 2016, door de rechtbank op 18 januari 2016 ontvangen, stukken ingediend. Bij brief van 25 januari 2016, door de rechtbank ontvangen op 26 januari 2016, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

1.5

Verweerder heeft bij het verweerschrift ten aanzien van een van de gedingstukken, namelijk de uitdraai uit het Kohn/Raad-programma, de rechtbank medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen.

1.6

Verweerder heeft desgevraagd de passages in het stuk op welke de beperkte kennisname betrekking heeft onleesbaar (zwart) gemaakt en zijn verzoek in die zin aangepast.

1.7

Bij beslissing van deze rechtbank, sector bestuursrecht, van 28 januari 2016, heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming van delen van de uitdraai uit het Kohn/Raad-programma, is gerechtvaardigd.

1.8

De minderjarige [minderjarige] is in raadkamer gehoord.

1.9

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2016. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De man is bijgestaan door de heer
[naam] , tolk in de Oeigoerse taal.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer [naam] , mevrouw [naam] en mevrouw [naam] . Voorts is verschenen de vrouw.

2 De beoordeling

2.1

Op grond van artikel 2 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Op grond van artikel 9 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd, indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

2.2

Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat er signalen van conflicten en geweld zijn en dat er geen stabiele gezinssituatie is. Mede gelet op het feit dat er twee kinderen in de woning aanwezig zijn, heeft verweerder het van belang geacht om een huisverbod in te stellen om rust en veiligheid voor met name de kinderen te bewerkstelligen en om de hulpverlening op gang te brengen. Eiser en de vrouw hebben een zevenjarige zoon en een dertienjarige dochter. De dochter heeft aangegeven dat zij en haar broertje bij het geweld aanwezig zijn geweest en door eiser zijn geduwd. De vrouw en de dochter zeggen bang te zijn voor eiser. Eiser woont in een afgesloten kamer in de woning en houdt zich afzijdig van het gezinsleven. Zowel eiser als de vrouw hebben aangegeven dat er regelmatig conflicten zijn binnen de relatie. Eiser ontkent de beschuldigingen van geweldgebruik.

2.3

Verweerder heeft vervolgens aan de verlenging ten grondslag gelegd dat er geen veilige situatie zal ontstaan als eiser en de vrouw samen in de woning verblijven en er vooralsnog geen uitzicht is op een situatie waarbinnen dit wel het geval zou kunnen zijn. Eiser en de vrouw hebben aangegeven te willen scheiden. Eiser wordt op eigen opgave niet zozeer in zijn belang geschaad door niet in de woning te mogen verblijven. Hij heeft voorzien in een ander onderkomen. Eiser heeft aan verweerder aangegeven meer waarde te hechten aan het contact met zijn zoon. Omdat eiser volgens verweerder de agressor is, mag hij niet in de woning komen en geen contact hebben met de achterblijvers. Onder omstandigheden kan het huisverbod gedeeltelijk worden ingetrokken ten behoeve van hereniging van eiser en zijn zoon, indien in het kader van de hulpverlening hierover goede afspraken zijn gemaakt en dit veilig is.

2.4

Eiser heeft tegen het besluit aangevoerd dat op geen enkele wijze is onderbouwd dat er sprake zou zijn van een ernstig en onmiddellijk gevaar, dan wel een ernstig vermoeden van dit gevaar, dat de oplegging van een huisverbod rechtvaardigt. Een deugdelijke motivering ontbreekt. Eiser ontkent ten stelligste dat hij de kinderen zou hebben geduwd. De enige andere reden tot een huisverbod zou zijn dat de vrouw en de dochter hebben verklaard bang voor hem te zijn. Eiser wordt valselijk beschuldigd van geweld. Eiser heeft desondanks wel meegewerkt en staat open voor hulpverlening. De vrouw verblijft illegaal in Nederland. Haar verzoek tot een verblijfsvergunning is afgewezen en zij heeft een inreisverbod voor tien jaar wegens het plegen van een strafbaar feit. Voor eiser is het dan ook van belang dat de kinderen aan hem worden toevertrouwd. Het besluit is onjuist en onzorgvuldig voorbereid. Eiser verzoekt zijn beroep tegen het besluit gegrond te verklaren en het besluit te vernietigen.

2.5

Tegen de verlenging heeft eiser aangevoerd dat die beslissing ten onrechte in het voordeel van de vrouw is geweest. Eiser betwist dat hij heeft voorzien in een ander onderkomen en daardoor niet meer in zijn belang zou worden geschaad door niet in de woning te mogen verblijven en dat hij meer waarde zou hechten aan contact met zijn zoon. Eiser wenst toegang tot zijn woning en contact met beide kinderen. Eiser betwist voorts dat hij de agressor zou zijn. Verweerder heeft dit dan ook op geen enkele manier kunnen aantonen. Dat eiser geen contact mag hebben met zijn vrouw en de kinderen is onrechtmatig, het betreft immers een huisverbod.

2.6

Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat er geen antecedenten zijn. De vrouw heeft de opeenvolgende meldingen ten nadele van de man bij de politie gedaan met het enkele doel een verblijfsvergunning voor zichzelf te verkrijgen. De dochter wordt door de vrouw negatief beïnvloed, omdat zij als tolk moet fungeren en belast wordt met volwassenenproblematiek. Eiser heeft voorts elke betrokkenheid bij huiselijk geweld ontkend. De blauwe plek bij de vrouw is volgens eiser ontstaan doordat hij de deur wilde sluiten en de vrouw dat niet wilde. Dat de buren last hebben van het gezin, komt volgens eiser omdat de vrouw altijd tegen de kinderen schreeuwt. Eiser scheldt naar zijn zeggen nooit en reageert alleen door te zeggen dat de vrouw haar mond moet houden.

2.7

Verweerder heeft in verweer aangevoerd dat de hulpverlening niet op gang is gekomen, aangezien eiser en de vrouw weigeren om samen om de tafel te gaan. Het ernstige en onmiddellijke gevaar voor de vrouw en de kinderen bleek daarmee niet voor het einde van het huisverbod te zijn weggenomen, op grond waarvan het is verlengd. Het beroep tegen zowel het besluit als de verlenging zijn door eiser te laat ingediend. In ieder geval na afloop van het huisverbod, zodat van opheffing geen sprake meer kon zijn.

De aanwezigheid van eiser in de woning leverde een (ernstig vermoeden van) ernstig en onmiddellijk gevaar op voor de vrouw en de kinderen. Dit is gebaseerd op de verklaringen van de vrouw, de dochter en omwonenden. Uit het door de hulpofficier van justitie (HOvJ) ingevulde Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG) blijkt dat er reeds eerder meldingen van huiselijk geweld bij de politie zijn gedaan. De dochter heeft tegenover de HOvJ verklaard dat zij er vaak bij is als de vrouw door eiser wordt geslagen. De dochter moet dan tussen beide komen. De kinderen zijn door de confrontatie met het huiselijk geweld mogelijk slachtoffer van kindermishandeling. Zowel eiser als de vrouw hebben aangegeven dat er regelmatig conflicten zijn in hun relatie. Ter plaatse is door de politie bij de vrouw letsel geconstateerd, hetgeen haar verklaring ondersteunt. De politie heeft een buurtonderzoek ingesteld waaruit is gebleken dat er regelmatig ruzie is en de vrouw minimaal tweemaal per maand door eiser buiten wordt gesloten. Omwonenden hebben regelmatig blauwe plekken bij de vrouw gezien en zijn bang dat eiser de vrouw zal vermoorden. Verweerder acht het voldoende aannemelijk dat eiser de agressor is in deze. Uit het zorgadvies van 18 augustus 2015 en het beleidsadvies van 18 augustus 2015 blijkt dat de spanningen tussen eiser en de vrouw onverminderd voortduren. Er wordt tegenstrijdig gesproken en over en weer worden beschuldigingen geuit. Hun levensvisies verschillen dermate dat er een blijvende oorsprong van conflicten blijft bestaan die bijdraagt aan de ontwrichting van hun relatie. Bij een gezamenlijk verblijf in de woning ontstaat dan ook geen veilige situatie. Vanwege het redelijke vermoeden dat eiser de agressor is, heeft verweerder het belang van de vrouw en de kinderen zwaarder laten wegen dan het belang van de man om terug te keren naar de woning. Dat de vrouw illegaal in Nederland zou verblijven doet niets af aan het opleggen van het huisverbod. De verblijfstitel van de vrouw is alleen onderzocht om te kunnen beoordelen of zijn in haar levensonderhoud kan voorzien, aldus verweerder.

2.8

De vrouw heeft ter zitting naar voren gebracht dat de dochter de politie heeft gebeld, evenals de buren reeds tweemaal. De vrouw heeft ontkend dat het melden van geweldsincidenten te maken heeft met het verkrijgen van een verblijfsvergunning. De vrouw is bang voor de man en wil van hem scheiden, omdat dat volgens de vrouw beter is voor haarzelf en de kinderen.

2.9

De rechtbank dient, gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder, eerst te beoordelen of de beroepen tegen het besluit en de verlenging tijdig zijn ingediend.

De rechtbank heeft op 10 september 2015 zowel een beroepschrift tegen het besluit als een beroepschrift tegen de verlenging ontvangen. Gelet op de data van beide besluiten, 9 augustus 2015 en 18 augustus 2015, zijn beide beroepen tijdig ingediend. Eiser is derhalve ontvankelijk in zijn beroepen.

2.10

Uit de artikelen 2 en 9 van de Wth volgt dat de gebruikmaking van de bevoegdheid door de burgemeester in een concreet geval slechts terughoudend door de rechter kan worden getoetst. Dit betekent dat die gebruikmaking slechts dan rechtens onaanvaardbaar moet worden geacht indien geoordeeld moet worden dat de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik van die bevoegdheid heeft kunnen maken.

2.11

De rechtbank gaat allereerst in op de stelling van verweerder dat eiser geen belang meer zou hebben bij zijn beroep, nu hij dit heeft ingediend na ommekomst van de maximale termijn van het huisverbod. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 19 mei 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM4973) heeft eiser, alhoewel het huisverbod is geëindigd, nog een rechtens te beschermen belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de besluiten tot het opleggen en het verlengen van deze maatregel. Daarbij is redengevend dat een huisverbod, gelet op de gronden waarop dit wordt opgelegd, een publiekelijke afwijzing van het gedrag van de uithuisgeplaatste impliceert. Gelet hierop is tot op zekere hoogte aannemelijk dat eiser als gevolg van het hem opgelegde huisverbod in zijn eer en goede naam is geschaad. Het resultaat dat eiser nastreeft, te weten vernietiging van deze besluiten, kan om die reden voor hem van meer dan principiële betekenis zijn. Eiser is ook om deze reden ontvankelijk in zijn beroepen.

2.12

De rechtbank is voorts van oordeel dat de vrouw anders dan incidenteel in de woning verblijft, zoals omschreven in artikel 2 Wth. Dat de vrouw al dan niet illegaal in Nederland verblijft doet aan dat gegeven niets af.

2.13

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het huisverbod had mogen worden opgelegd en, ingeval het is verlengd, of het had mogen worden verlengd.

2.14

De verklaringen van eiser en de vrouw met betrekking tot de toedracht van de gebeurtenissen staan lijnrecht tegenover elkaar. Dat neemt niet weg dat verweerder op grond van de verklaring van de vrouw en de dochter aannemelijk mocht achten dat zich tussen eiser en de vrouw een incident heeft voorgedaan in het bijzijn van de kinderen.
De politiemedewerkers die het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van aangifte hebben opgetekend hebben letsel bij de vrouw geconstateerd. Hoewel eiser enerzijds ontkent dat er sprake is geweest van een incident en hij geen verklaring heeft voor het letsel van de vrouw, heeft hij wel erkend dat er een ruzie is geweest waarbij eiser de deur wilde sluiten en de vrouw hem daarin zou hebben gehinderd. Eiser heeft voorts erkend dat er regelmatig conflicten zijn tussen hem en de vrouw. Het buurtonderzoek bevestigt de verklaringen van de dochter en de vrouw dat de vrouw vaker blauwe plekken heeft en buiten de woning wordt gesloten.

De Afdeling van de Raad van State heeft eerder overwogen (uitspraak van 28 maart 2012 in zaak nr. 201100984/1/A3) dat, gelet op de aard van een huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt opgelegd, niet is vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat. Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan en dat die feiten en omstandigheden voor de in het besluit genoemde personen, met name de twee minderjarige kinderen, een ernstig en onmiddellijk gevaar dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar opleveren. De rechtbank wijst daarbij op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wth waaruit volgt dat het huisverbod tot doel heeft de preventie van strafbare feiten in de vorm van huiselijk geweld en het beschermen van de rechten en vrijheden van anderen en dat met het huisverbod ook wordt beoogd de gezondheid en de lichamelijke integriteit van de betrokkenen te kunnen beschermen in crisissituaties waarin (nog) geen sprake is van strafbare feiten.

2.15

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de aanwezigheid van eiser in de woning een ernstig vermoeden en onmiddellijk gevaar opleverde als bedoeld in artikel 2 Wth. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat verweer een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt door de belangen van de vrouw en de kinderen zwaarder te wegen dan die van eiser.

2.16

Ten aanzien van de verlenging overweegt de rechtbank dat als de uithuisgeplaatste na de oplegging of verlenging van het huisverbod een aanbod tot hulpverlening heeft aanvaard, dit een indicatie is dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan mogelijk niet langer bestaat. Bij de beoordeling of die dreiging of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, is van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken.

Duidelijk is dat er geen enkele reële aanvang was gemaakt met hulpverlening op het moment waarop verweerder diende te beoordelen of het huisverbod zou moeten worden verlengd. Zowel eiser als de vrouw hebben daaraan niet aantoonbaar meegewerkt. Verweerder kon zich, gelet op de bestaande gezinssituatie, naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt stellen dat professionele hulpverlening essentieel was om de dreiging van huiselijk geweld, of het ernstige vermoeden daarvan, binnen het gezin weg te kunnen nemen, mede gelet op de aanwezigheid van de minderjarige kinderen. Verweerder heeft derhalve terecht en op goede gronden het huisverbod verlengd.

2.17

De stelling van eiser dat een contactverbod onrechtmatig zou zijn wordt door de rechtbank gepasseerd. Blijkens artikel 1 van de Wth, wordt onder een huisverbod verstaan: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven. Op grond van het bepaalde in artikel 11 van de Wth volgt dat het opnemen van contact met de achterblijvers een misdrijf is.

2.18

De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Bij deze beslissing ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, in tegenwoordigheid van
H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep in stellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.