Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3526

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
02-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4561
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen onvolledige informatie verstrekt door voormalig werkgever, weigering aansprakelijkheid te erkennen terecht. Toetsingskader is de door de Centrale Raad van Beroep voor bestuursorganen geherfomuleerde norm van 6:170 Burgerlijk Wetboek. Door de voormalig werkgever is aan eiseres geen onvolledige informatie verstrekt met betrekking tot een hypothetische carrière en de financiële consequenties daarvan, indien eiseres een verkeersongeval niet was overkomen. Eiseres had deze informatie nodig om in het kader van een civiele schadevergoedingszaak het verlies aan verdiencapaciteit te onderbouwen. Geen als fout aan te merken onrechtmatige gedraging, schade niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/4561

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. van Breet),

en

de Minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.M.A. van Wijngaarden-Gooijer).

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor de door eiseres gestelde schade.

Bij besluit van 4 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] .

Overwegingen

1.1

Eiseres was sinds 25 augustus 2003 bij het Ministerie van Defensie in dienst als medewerker personeelszaken te Den Helder. De functie was ingedeeld in salarisschaal 6 van het Inkomensbesluit Burgerlijke Ambtenaren Defensie (IBBAD). Eiseres zou op 13 oktober 2005 starten met een ontwikkeltraject naar de hogere functie van personeelsadviseur, schaal 10. Op 12 oktober 2005 overkomt haar echter een verkeersongeval. Eiseres start op 21 november 2005 met haar re-integratie en met het ontwikkeltraject, op basis van 50% arbeidsongeschiktheid. In september 2006 start zij met de HBO-opleiding, die bij het ontwikkeltraject hoort. Eiseres houdt last van de gevolgen van het ongeval, met name van concentratieproblemen en hoofdpijn en wordt in september 2008 volledig arbeidsongeschikt. In november 2008 stopt zij met de HBO-opleiding. Per 1 januari 2011 wordt eiseres eervol ontslag verleend.

1.2

Vanwege het ongeval in oktober 2005 vordert eiseres schadevergoeding van de veroorzaker van het ongeval. Eiseres wordt daarbij bijgestaan door mr. [naam 2] , letselschadeadvocaat. In het kader van de financiële afwikkeling van de schadezaak verzoekt [naam 2] bij brief van 8 februari 2011 aan verweerder om aan te geven hoe de carrière van eiseres zou zijn verlopen, indien het ongeval haar niet was overkomen, en tot welke financiële consequenties dit zou hebben geleid.

1.3

Bij brief van 4 mei 2011 antwoordt [naam 1] , senior personeelsadviseur, dat de re-integratie van eiseres in de praktijk een moeizaam proces bleek. Pogingen eiseres te ontwikkelen in de adviserende rol bleken ook op de lange termijn niet haalbaar. Eiseres bleek veel last van concentratieproblemen te hebben, waardoor ook het continueren van haar studie en het voltooien daarvan een te zware belasting bleek te zijn. Het voorgenomen ontwikkeltraject naar de functie van personeelsadviseur, salarisschaal 10, werd beëindigd.

1.4

Bij brief van 10 november 2011 dient [naam 2] namens eiseres een onderbouwing van de schadevordering in bij verzekeringmaatschappij [naam verzekeringsmaatschappij] . Daarin stelt [naam 2] dat er sprake is van verlies van verdienvermogen in indirecte zin, omdat eiseres sinds en door het ongeval geen carrière heeft kunnen maken en dat eiseres na de voltooiing van de HBO-opleiding een hogere functie zou gaan bekleden.

1.5

Eiseres heeft op 25 juni 2011 en op 23 augustus 2011 verweerder verzocht om reactie op een aantal zaken, waaronder de bevordering in salarisschaal in het kader van het ontwikkeltraject indien zij dit had kunnen vervolgen. Eiseres wijst in dit verband op een collega die gedurende eenzelfde ontwikkeltraject tussentijds bevorderd werd.

1.6

Bij brief van 6 februari 2012 antwoordt verweerder op deze verzoeken. Verweerder stelt dat er tijdens de re-integratie rekening is gehouden met de belastbaarheid van eiseres. Het ontwikkeltraject verliep vanwege de beperkte inzetbaarheid moeizaam en om die reden is er geen sprake geweest van bevordering naar een naasthogere schaal. Vergelijking met een collega is volgens verweerder niet aan de orde.

1.7

Op 4 november 2013 stelt eiseres verweerder aansprakelijk voor de materiële schade als gevolg van het niet volledig beantwoorden van de vragen van [naam 2] van 8 februari 2011, met betrekking tot de carrière van eiseres, indien zij geen verkeersongeluk zou hebben gehad, en de financiële consequenties. Eiseres stelt daarbij dat uit verweerders brief van 6 februari 2012 volgt dat zij zou zijn bevorderd, indien het verkeersongeval haar niet zou zijn overkomen. Dit is volgens eiseres ten onrechte niet vermeld in de eerdere brief van 4 mei 2011 en [naam 2] heeft deze informatie dan ook niet kunnen meenemen bij de financiële afwikkeling van de gevolgen van het ongeval. Door eiseres in de brief van 4 mei 2011 niet volledig te informeren, heeft verweerder onrechtmatig gehandeld, aldus eiseres.

1.8

Bij het primaire besluit weigert verweerder aansprakelijkheid voor de door eiseres gestelde schade te erkennen. Bij het bestreden besluit verklaart verweerder het bezwaar ongegrond. Uit de brief van 6 februari 2012 is volgens verweerder niet op te maken dat eiseres zou zijn bevorderd indien haar geen ongeval was overkomen. De inhoud en strekking van de brief van 6 februari 2012 is volgens verweerder gelijk aan de brief van de 4 mei 2011. Uit beide brieven blijkt dat het ontwikkeltraject van eiseres naar de functie van personeelsadviseur op schaal 10-niveau uiteindelijk is beëindigd als gevolg van de ongevalsgerelateerde klachten. Van onvolledig informeren en daarmee van een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van [naam 1] is derhalve geen sprake geweest. Het had volgens verweerder op de weg van [naam 2] gelegen om nadere informatie op te vragen indien het verlies aan verdienvermogen nader onderbouwd had moeten worden.

2. In beroep stelt eiseres dat het ontwikkeltraject naar de functie van personeelsadviseur niet enkel bestond uit het voltooien van de HBO-opleiding, die zou leiden tot de bevordering naar schaal 10 IBBAD. In zijn brief van 4 mei 2011 heeft verweerder - in de visie van eiseres ten onrechte - niet uiteengezet uit welke onderdelen het ontwikkeltraject bestond en op welke momenten eiseres gedurende het traject zou zijn bevorderd. Dit kon [naam 2] dan ook niet meenemen in haar schadeberekening. Verweerder heeft derhalve gehandeld in strijd met de wettelijk op hem rustende plicht om de uit zijn functie voortvloeiende plichten nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Eiseres stelt dat [naam 2] uit mocht gaan van de juistheid en volledigheid van de brief van 4 mei 2011, en dat het niet op haar weg lag om nadere vragen te stellen.

Voorts stelt eiseres dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu het hoofd personeelszaken, [naam 4] , niet om informatie is gevraagd, noch om zijn aandeel in deze kwestie. Volgens eiseres was [naam 1] tot februari 2011 niet bekend met de zaak en hij moet dus informatie van [naam 4] hebben gekregen.

3. Verweerder stelt dat het ontwikkeltraject is ingezet vanwege het vervallen van de functie van eiseres vanwege een reorganisatie. In dat verband zou eiseres een HBO-opleiding gaan volgen. Anders dan de reguliere functionerings- en beoordelingsgesprekken waren er geen voor dit ontwikkelingstraject specifiek geplande evaluatiemomenten. Er waren ook geen op voorhand vastgelegde momenten waarop eiseres bevorderd zou kunnen worden. Verweerder stelt dat hoe de ontwikkeling zou verlopen en daarmee een eventuele bevordering naar een naasthogere schaal, afhankelijk was van het functioneren en de studieresultaten van eiseres en dat dat niet vooraf concreet was aan te geven.

Verweerder stelt voorts dat de brief van 4 mei 2011 ondubbelzinnig is over het feit dat eiseres een ontwikkeling naar schaal 10 zou kunnen doormaken, maar dat die ontwikkeling vanwege de concentratieproblemen niet voltooid kon worden. De concentratieproblemen hielden verband met het ongeluk. Deze brief was volledig en zorgvuldig en daarmee heeft verweerder aan de op hem rustende plichten voldaan. Er is geen sprake van onrechtmatig handelen.

Voorts stelt verweerder dat eiseres van 21 november 2005 tot aan het einde van haar dienstverband op 1 januari 2011 werkzaam was onder de begeleiding van [naam 1] . Hij kon dan ook alle informatie uit eigen wetenschap verstrekken. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake.

4.1

In geschil is of verweerder in zijn brief van 4 mei 2011 onvolledig is geweest, en wel zo dat verweerder aansprakelijk is voor de door eiseres dientengevolge geleden schade. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.2

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt de vraag welk recht op schadevergoeding voor een ambtenaar uit zijn dienstbetrekking voortvloeit, niet beantwoord door rechtstreekse toepassing van regels van burgerlijk recht. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 25 oktober 2001 (ECLI:NL:CRVB:2001: AD6369) het toepasselijke toetsingskader aldus geformuleerd. De CRvB acht een bestuursorgaan gehouden tot vergoeding aan de ambtenaar van de schade die een gevolg is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen optreden van een ander indien - en hier zoekt de CRvB aansluiting bij het in artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek tot uitdrukking gebrachte beginsel inzake de aansprakelijkheid voor ondergeschikten - deze schade is veroorzaakt door een als een onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan werkzame persoon, indien de kans op de fout is vergroot door de taakopdracht aan die persoon en indien dat bestuursorgaan zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat pas in de brief van 6 februari 2012 door verweerder een oorzakelijk verband wordt gelegd tussen de gevolgen van het ongeval en het al dan niet bevorderd worden naar een hogere schaal. In de brief van 4 mei 2011 staat immers reeds vermeld dat concentratieproblemen eraan in de weg stonden om eiseres te ontwikkelen in de adviserende rol, alsmede aan het volgen en voltooien van haar studie. In de brief van 6 februari 2012 wordt gesteld dat het ontwikkeltraject moeizaam verliep en dat er om die reden geen sprake was van bevordering. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook inhoudelijk geen verschil tussen de brieven van 4 mei 2011 en van 6 februari 2012. Van onvolledige informatieverstrekking is reeds daarom geen sprake.

4.4

Daarbij komt dat de brief van 6 februari 2012 is opgesteld naar aanleiding van vragen van eiseres, onder andere met betrekking tot de tussentijdse bevordering van een collega die, net als eiseres, aan het ontwikkeltraject tot personeelsadviseur was begonnen. Verweerder heeft voldoende duidelijk gemaakt dat de tussentijdse bevordering een beslissing in een individueel geval is en niet is gebleken dat verweerder en eiseres op voorhand momenten hebben vastgesteld waarop eiseres tussentijds bevorderd zou kunnen worden. Het is verweerder dan ook niet aan te rekenen dat hij hieromtrent in zijn brief van 4 mei 2011 niets heeft vermeld. Het had op de weg van eiseres gelegen om nadere informatie bij verweerder in te winnen, indien de brief van 4 mei 2011 in de optiek van eiseres onvolledig was. Dat heeft eiseres echter niet gedaan. Bovendien is namens eiseres bij brief van 10 november 2011 aan [naam verzekeringsmaatschappij] Groep aangegeven dat eiseres door het ongeval geen carrière meer heeft kunnen maken, maar heeft eiseres er kennelijk – zoals blijkt uit het verslag van de hoorzitting – voor gekozen om de schadeclaim op basis van schaal 6 af te wikkelen.

4.5

Eiseres kan evenmin gevolgd worden in haar stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. [naam 1] kende de situatie van eiseres vanaf het begin, en het gegeven dat het hoofd personeelszaken [naam 4] eveneens bij eiseres betrokken is geweest, maakt niet dat hij ook bevraagd had moeten worden.

4.6

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden aansprakelijkheid van de gestelde schade niet heeft erkend. Bovendien merkt de rechtbank nog op dat de door eiseres gestelde schade op geen enkele wijze is onderbouwd.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J. de Lange, voorzitter, en mr. M.E. Fortuin en mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.