Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3521

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
C/15/225668 / FA RK 15-2538
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Kosten huishouding en vergoedingsrecht. Er is geen sprake van een situatie van vermogensverschuiving waarbij de man er in vermogen op achteruit is gegaan ten voordele van de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

RvD

zaak- en rekestnummers: C/15/225668 / FA RK 15-2538 en C/15/230709 / FA RK 15-4858

Beschikking van 28 april 2016 betreffende de echtscheiding en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (bij vervroeging)

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P.H.A. de Boer, gevestigd te Rotterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. F.R. Menso, gevestigd te Alkmaar.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, met productie 1, ingekomen op 28 april 2015;

- het bericht van 27 mei 2015 van de vrouw, met bijlage, ontvangen op 29 mei 2015;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met producties, van de man, ingekomen op 15 juli 2015;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 6 augustus 2015;

- het formulier verdelen en verrekenen, van de vrouw, ingekomen op 3 september 2015;

- een brief van 19 februari 2016, met bijlagen, van de man, ingekomen op 22 februari 2016.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 maart 2016, alwaar zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. De Boer en de man, bijgestaan door mr. Menso.

1.3.

Aan het einde van zitting hebben partijen verzocht de behandeling aan te houden om hen in de gelegenheid te stellen om alsnog tot overeenstemming te komen.

1.4.

Bij bericht van 14 april 2016 heeft de vrouw de rechtbank bericht dat partijen er niet in zijn geslaagd om overeenstemming te bereiken. Verzocht wordt om een beschikking te wijzen. De man heeft op 18 april 2016 om een beschikking verzocht.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd na het opmaken van huwelijkse voorwaarden op [huwelijksdatum] te [plaats] . De vrouw heeft de Filipijnse en de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Scheiding

2.2.1.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man heeft gevraagd het verzoek van de vrouw af te wijzen. Hij heeft betwist dat sprake is van duurzame ontwrichting. In de optiek van de man is de relatie tussen partijen altijd goed geweest en is er zelden sprake van ruzie geweest. De man zag de toekomst rooskleurig in en partijen hadden plannen om hun bestaan in de Filipijnen voort te zetten. Voor de man kwam het als donderslag bij heldere hemel dat de vrouw de relatie wilde beëindigen.

2.2.2.

Gelet op de stukken en de toelichting van partijen ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat de duurzame ontwrichting voldoende is komen vast te staan. Het verzoek tot echtscheiding is dan ook toewijsbaar.

2.3.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.3.1.

De man heeft verzocht om te bepalen dat de vrouw ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan hem dient te voldoen:

  • -

    € 47.791,00 en 2,7 miljoen PHP (onder verwijzing naar artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden);

  • -

    te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    € 3.500,00, dan wel een bedrag dat de rechtbank juist acht (onder verwijzing naar artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden).

Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man gesteld dat hij de vrouw in de periode vanaf 25 januari 2012 tot en met 22 juli 2014 in totaal € 40.600,00 heeft geleend in verband met de bouw van een commercieel pand in de Filipijnen [pand] en in verband met de uitbreiding van een daarnaast gelegen pand.

In de periode van 27 februari 2010 tot en met 1 mei 2010 heeft de man voorts bedragen overgeboekt naar de vrouw in verband met de aankoop van een [stuk land] in de Filipijnen [plaats] van in totaal 2,3 miljoen PHP. Dit betrof, aldus de man, een investering door de man, die op naam van de vrouw werd gezet, omdat de man aldaar geen onroerend goed op zijn naam mag hebben staan.

In de periode van 23 mei 2010 tot en met 23 september 2014 heeft de man voorts extra investeringen gedaan in verband met het [stuk land] van € 3.291,00.

Daarnaast stelt de man dat hij een extra hypotheek heeft moeten afsluiten tegen 5% rente in verband met de onroerende zaken in de Filipijnen. Dit heeft € 3.900,00 aan rente en kosten met zich gebracht.

Volgens de man zijn partijen mondeling overeengekomen dat de vrouw € 95.000,00 zou aflossen in termijnen van minimaal € 1.000,00 per maand.

Voorts had de vrouw volgens de man op grond van de huwelijkse voorwaarden rato moeten bijdragen in de kosten van de huishouding, wat zij nimmer heeft gedaan. De man begroot het door de vrouw aan hem verschuldigde bedrag op € 3.500,00.

2.3.2.

De vrouw heeft primair verzocht de verzoeken van de man af te wijzen, subsidiair tot een bedrag van € 22.855,48 toe te wijzen en voor het overige af te wijzen. De vrouw heeft aangevoerd dat uit de huwelijkse voorwaarden volgt dat er geen verrekening dient plaats te vinden bij echtscheiding.

Subsidiair merkt zij op dat uit de door de man overgelegde producties niet blijkt hoe hij de omvang van de door hem gestelde geïnvesteerde bedragen heeft vastgesteld.

De vrouw betwist dat zij met de man zou hebben afgesproken dat zij hem een bedrag van € 95.000,00 verschuldigd is en dat zij dit in termijnen van € 1.000,00 zou gaan aflossen.

De man heeft slechts aangetoond dat hij een bedrag van € 22.855,48 aan haar heeft betaald. De vrouw betwist € 3.900,00 verschuldigd te zijn ter zake van de extra hypotheek.

Volgens de vrouw kan de vordering van de man betreffende de kosten van de huishouding slechts betrekking hebben op de periode vanaf augustus 2013 tot het moment van feitelijk uiteengaan van partijen, te weten april 2014. De man heeft zijn verzoek dienaangaande geheel niet onderbouwd. Nu de vrouw ook inkomsten had, in ieder geval een deel van de periode, en daarvan ook lasten betaalde en in een andere perioden geen inkomsten, op grond waarvan in die periode geen verrekening plaatsvindt. Naar de mening van de vrouw valt er niets meer te verrekenen.

2.3.3.

Partijen zijn het erover eens dat tussen hen de op 24 juli 2008 ten overstaan van een notaris opgestelde huwelijkse voorwaarden gelden, welke zijn opgesteld in de Engelse taal. Voorts zijn partijen, met de rechtbank, van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Voor zover in het kader van de beoordeling van deze zaak relevant is in de huwelijkse voorwaarden het volgende bepaald.

2. Community of household effects with survivorship clause

1. The spouses will be married having a community of household effects. They exlude any other matrimonial property

3. Household expenses

1. The costs of the common household have to be paid bij both spouses in proportion to their income. Insofar as these incomes are insuffiecient, these costs will be chargeable against the assets in proportion to each of the spouse’s assets. All this does not apply if it is detrimental to special circumstances.

2. If one of the parties has paid more than he or she was obliged to do according tot he previous paragraph, a right is created to claim the excess from the other spouse.

The right of action lapses three years after the end of the calendar month to which the settlement relates. A written acknowledgement of debt to the other party is regarded as a settlement.

(..)

4. No annual settlement

The spouses agree not to regulary set-off their saves incomes.

6. No final settlement on divorce or legal seperacion

The spouses agree there is to be no final settlement when the marriage has ended other than bij death.

9. Reimbursements

Insofar as not otherwise agreed, the spouses have to reimburse each other with the amount withdrawn from the ones spouse’s capital for the other spouse’s benefit. This includes for instance cases where the one spouse pays taxes, premiums, levies and the like relating to the other spouse’s assets.

2.3.4.

Aan de hand van het voorafgaande stelt de rechtbank vast dat tussen partijen geen periodiek verrekenbeding is overeengekomen en geen finaal verrekenbeding bij echtscheiding. In artikel 9 is een regeling opgenomen ter zake vergoedingsrechten, naar het oordeel van de rechtbank inhoudende dat in gevallen waarin tussen de echtgenoten een vermogensverschuiving plaatsvindt die leidt tot een vermogensachteruitgang van één van beiden, er voor laatstbedoelde echtgenoot een recht op vergoeding ten bedrage van de verrijking van de ander ontstaat.

2.3.5

De stelling van de vrouw dat er gelet op artikel 6 van de huwelijksvoorwaarden geen grondslag voor de man bestaat voor welke verrekening dan ook, wordt door de rechtbank verworpen. Immers artikel 9 biedt partijen de mogelijkheid om zich te beroepen op vergoedingsrechten die ontstaan vanwege een vermogensverschuiving. Artikel 3 biedt voorts de mogelijkheid om ter zake de kosten van de huishouding een vordering in te stellen. De man beroept zich uitdrukkelijk op dit artikel 3 en artikel 9.

In het navolgende bespreekt de rechtbank achtereenvolgens de verzoeken van de man ter zake de kosten van de huishouding, de investering in [pand] , de investering in het [stuk land] , en de kosten en rente van de extra hypotheek.

Kosten huishouding

2.3.6.

De vrouw heeft, onder verwijzing naar artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden, onbetwist gesteld dat de vordering van de man grotendeels is verjaard en nog slechts betrekking kan hebben op de periode vanaf augustus 2013 tot het moment van feitelijk uiteengaan van partijen. De vrouw is in april 2014 in de Filipijnen gaan wonen, aldus de man. De vrouw heeft voorts nog onbetwist gesteld dat zij tot april 2014 in Nederland heeft gewerkt en dat er ook van haar inkomen kosten van de huishouding zijn voldaan. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in april 2014 feitelijk uit elkaar zijn gegaan.

Namens de man is bij verweerschrift van 15 juli 2015 en bij brief van 19 februari 2016 een groot aantal stukken overgelegd. Voor zover het de kosten van de huishouding betreft zijn deze stukken in het verweer noch in de brief van 19 februari 2016 toegelicht, er wordt slechts naar de stukken verwezen. De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke grondslag van hetgeen de man verzoekt niet gecreëerd kan worden door louter te verwijzen naar bijgevoegde stukken. Van de man die als procespartij stukken in het geding brengt teneinde zich op bepaalde feiten en omstandigheden te beroepen, mag worden gevergd dat hij dat op zodanige wijze doet dat voor wederpartij en rechter duidelijk is wat als grondslag van de vordering of het verweer ter beoordeling wordt voorgelegd. De man heeft hier niet aan voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat de man er niet in is geslaagd om zijn vordering ter zake de kosten van het huishouden aan te tonen. De man heeft niet onderbouwd dat hij gedurende de periode van augustus 2013 tot april 2014 meer dan de vrouw heeft uitgeven aan de kosten van de huishouding. Het verzoek zal op dit punt dan ook worden afgewezen.

De investering in [pand]

2.3.7.

De man heeft gesteld dat hij de vrouw in de periode vanaf 25 januari 2012 tot en met 22 juli 2014 in totaal € 40.600,00 heeft geleend in verband met de bouw van een commercieel pand in de Filipijnen [pand] en de uitbreiding van een daarnaast gelegen pand. In haar verweerschrift op het zelfstandig verzoek heeft de vrouw de vordering van de man ter zake het bedrag van € 40.600,00 reeds tot een bedrag van € 22.855,48 erkend. Ter zitting heeft de vrouw vervolgens de vordering van de man erkend tot een bedrag van € 38.000,00. Voor wat betreft het verschil van € 2.600,00 waar partijen nog over twisten, is de rechtbank van oordeel dat uit niets blijkt dat de man het bedrag van € 2.600,00 aan de vrouw heeft geschonken, zoals de vrouw stelt. Ter zitting heeft de man onweersproken verklaard dat in het bankafschrift waaruit de storting van de € 2600,00 blijkt, is vermeld [pand] . De vrouw heeft daartegenover te weinig gesteld om aan te kunnen nemen dat het een schenking betrof. De rechtbank zal het verzoek van de man op dit punt toewijzen tot een bedrag van € 40.600,00.

De investering in het [stuk land]

2.3.8.

De man heeft gesteld dat hij in de periode van 27 februari 2010 tot en met 1 mei 2010 in totaal 2,3 miljoen PHP heeft overgeboekt naar de vrouw in verband met de aankoop van een [stuk land] in de Filipijnen [plaats] . Dit betrof, aldus de man, een investering door de man, die op naam van de vrouw werd gezet, omdat de man aldaar geen onroerend goed op zijn naam mag hebben staan. De man heeft verklaard dat het [stuk land] is gelegen in een gebied dat naar verwachting commercieel aantrekkelijk zal worden. Volgens de man is met de vrouw de afspraak gemaakt dat het [stuk land] door de vrouw verkocht zou worden voor een bedrag van 2,7 miljoen PHP waarbij de gehele verkoopopbrengst aan de man zou toekomen. Bij een verkoopprijs hoger dan 2,7 miljoen PHP zou de vrouw kunnen delen in de extra verkoopopbrengst.

De vrouw heeft de door de man gestelde betalingen en de aanschaf van het [stuk land] op haar naam niet betwist. De vrouw heeft evenwel gesteld dat het niet gaat om een investering door de man in privé eigendom van haar, maar dat het om een belegging van de man gaat. Voorts heeft de vrouw de door de man gestelde afspraken betwist.

De rechtbank stelt vast dat het initiatief tot aankoop van het [stuk land] van de man is uitgegaan. Omdat de man in de Filipijnen niet op zijn eigen naam onroerend goed kon aankopen, en de vrouw wel, heeft de man de aankoop van het [stuk land] via de vrouw laten lopen. Formeel is de vrouw in de Filipijnen de eigenaresse van het [stuk land] geworden. Het [stuk land] bestaat uit een kaal stuk land en heeft op dit moment geen opbrengsten. De vrouw heeft dan ook geen inkomsten uit het [stuk land] . Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij van het [stuk land] af wil en dat het stuk grond wat haar betreft zo snel mogelijk wordt verkocht.

De rechtbank is mede op basis van de verklaringen van partijen ter zitting van oordeel dat het beroep van de man op artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden ter zake het [stuk land] niet kan slagen. Er is geen sprake van een situatie van vermogensverschuiving waarbij de man er in vermogen op achteruit is gegaan ten voordele van de vrouw. De vrouw is door de investering van de man in het [stuk land] niet verrijkt en zij zal in de toekomst in de visie van de man ook niet worden verrijkt. Dat de man dit zelf ook zo ziet, leidt de rechtbank af uit de verklaring van de man ter zitting over de door hem gekozen beleggingsconstructie, waaruit volgt dat de vrouw volgens de man niet kan meedelen in de verkoopopbrengst bij een verkoopprijs tot 2,7 miljoen PHP.

Pas bij een verkoopprijs boven 2,7 miljoen PHP zou de vrouw kunnen delen in de extra verkoopopbrengst, aldus de man. Nu het beroep van de man op artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden niet slaagt, zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen. Dit laat overigens onverlet dat partijen met elkaar in overleg zullen moeten gaan over de verkoop van het [stuk land] en de verdeling van de verkoopopbrengst.

Kosten en rente extra hypotheek

2.3.9.

Door de vrouw wordt niet betwist dat de man op zijn naam een hypotheek heeft afgesloten. De vrouw betwist evenwel dat zij ter zake deze hypotheek enig bedrag aan de man verschuldigd is. Voor zover de man heeft willen stellen dat hij ter zake de door hem afgesloten hypotheek een afspraak met de vrouw heeft gemaakt over de vergoeding van rente en kosten, dan is de rechtbank van oordeel dat de man het bestaan van een dergelijke afspraak niet heeft aangetoond. Voor zover de man ter zake de hypotheek een beroep heeft willen doen op artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden dan is de rechtbank van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat hij via het afsluiten van de hypotheek heeft geïnvesteerd in eigendom van de vrouw. Ook voor dit verzoek van de man geldt dat de feitelijk grondslag van hetgeen hij verzoekt niet gecreëerd kan worden door louter te verwijzen naar bijgevoegde stukken. De rechtbank verwijst naar haar overweging onder punt 2.3.6.

Wettelijke rente

2.3.10

Uit het voorafgaande volgt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 40.600,00 dient te betalen. De man heeft verzocht om hetgeen de vrouw aan hem dient te betalen te verhogen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken niet blijkt dat de man de vrouw ter zake door haar te betalen bedragen daadwerkelijk in gebreke heeft gesteld. De rechtbank ziet voorts geen aan de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid ontleende gronden aanwezig om de man vanaf een eerdere datum dan de datum van onderhavige beschikking te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van € 40.600,00. De rechtbank vat het verzoek van de man aldus dat de vrouw in verzuim komt indien het bedrag niet-tijdig wordt voldaan. Deze vordering is toewijsbaar als na te melden.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;

3.2.

veroordeelt de vrouw ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tot betaling aan de man van een bedrag van € 40.600,00 te verhogen met de wettelijke rente met ingang van 14 dagen na wijzen van deze beschikking;

3.3.

verklaart deze beschikking, afgezien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. van Diepen op 28 april 2016.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..