Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3505

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
C/15/241204 / HA RK 16/56
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Wrakingsverzoek afgewezen. Een rechter heeft een grote vrijheid bij het bewaken van de procesorde, zodat slechts in zeer bijzondere omstandigheden de wijze waarop een rechter die taak heeft ingevuld een zwaarwegende aanwijzing kan opleveren dat een rechter jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Naar het oordeel van de wrakingskamer doet deze situatie zich in deze zaak niet voor.

Het enkele feit dat de rechter een aan een partij onwelgevallige beslissing neemt of dreigt te gaan nemen, levert evenmin grond voor wraking op. Dit is slechts anders indien een beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Naar het oordeel van de wrakingskamer doet deze situatie zich in deze zaak niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/241204 / HA RK 16/56

Beslissing van 21 april 2016

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. W.N. Sardjoe, gevestigd te ’s Gravenhage.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. J.H. Dubois,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1.

Verzoeker heeft op 25 maart 2016 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, onderdeel Kort Geding, locatie Haarlem, aanhangige zaak met als zaaknummer C/15/240533 / KG ZA 16/184 (verder: de hoofdzaak).

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3.

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 12 april 2016. Verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak, mevrouw [A] (verder: [A] ), zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Voorts is verschenen [A] , bijgestaan door haar advocaat mr. A. Scholtens-Vogelaar. De rechter heeft van de geboden gelegenheid, met afbericht, geen gebruik gemaakt.

2 Het standpunt van verzoeker

2.1.

Verzoeker stelt dat sprake is van feiten en omstandigheden van zowel subjectieve partijdigheid als objectieve partijdigheid, waardoor de vrees is ontstaan dat de rechter niet onpartijdig is in de hoofdzaak. Daaraan legt verzoeker – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag:

  1. Het beginsel van hoor en wederhoor is na de zitting op grove wijze geschonden.

  2. Het beginsel van hoor en wederhoor is tijdens de zitting geschonden.

  3. Het beginsel van hoor- en wederhoor is ten aanzien van de gezaghebbende moeder op grove wijze geschonden.

  4. De rechter is “ambtshalve” te actief opgetreden ten behoeve van [A] .

  5. De rechter heeft [A] processueel bevoordeeld.

  6. De rechter heeft verzoeker processueel benadeeld.

Op de onderbouwing van deze gronden zal de rechtbank ingaan bij de beoordeling van het verzoek.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

3.2.

Ter onderbouwing van de wrakingsgrond dat de rechter het beginsel van hoor en wederhoor na de zitting heeft geschonden en de wrakingsgrond dat de rechter [A] processueel heeft bevoordeeld, stelt verzoeker, samengevat:

- dat de rechter in tegenstelling tot haar eerdere oordeel ter zitting alsnog heeft besloten het kind van verzoeker (verder: het kind) te horen, terwijl zij had gezegd dat [A] geen enkel bewijsmiddel had overgelegd;

- dat verzoeker, doordat de rechter de beslissing het kind te horen heeft genomen na sluiting van het onderzoek ter zitting, geen gelijkwaardige en eerlijke gelegenheid heeft gekregen zich uit te laten over het horen van het kind;

- dat de rechter door haar beslissing het kind te horen buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, aangezien de rechter geen enkele juridische mogelijkheid heeft om de vordering van eiseres in de hoofdzaak toe te wijzen;

- dat de rechter door deze beslissing de belangen van verzoeker en de moeder van het kind heeft geschonden.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

3.3.

De rechter is op grond van artikel 809 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ambtshalve bevoegd om het kind te horen. Zij is niet verplicht partijen hieromtrent te horen. Zelfs indien juist is dat zij aanvankelijk tegen partijen heeft gezegd dat zij het kind niet zou horen, en na beraad in raadkamer heeft besloten dat zij het kind tóch wilde horen, blijkt daaruit niet dat sprake is van enige vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker. Dit is ook geen grond voor twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter. Dat de rechter deze beslissing, zoals verzoeker stelt, slechts zou hebben genomen in het belang van [A] , volgt de rechtbank niet. Uit niets blijkt dat deze beslissing zou zijn ingegeven door een ander belang dan het belang van het kind.

De stelling van verzoeker dat de rechter met haar beslissing is getreden buiten de rechtsstrijd van partijen, kan de rechtbank ook niet volgen, aangezien partijen in de hoofdzaak strijden over de hoofdverblijfplaats van het kind en een omgangsregeling met het kind. Hierbij speelt het belang van het kind evident een grote rol.

Voor zover verzoeker heeft bedoeld te stellen dat de vordering van [A] voor afwijzing gereed ligt, zodat het besluit om het kind te horen niet anders kan worden geduid als een poging om [A] te helpen, geldt dat dat er op neerkomt dat verzoeker vreest dat de rechter zijn standpunt in de hoofdzaak niet zal volgen. Het enkele feit dat de rechter een aan een partij onwelgevallige beslissing neemt of dreigt te gaan nemen, levert echter geen grond voor wraking op. Dit is slechts anders indien een beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Naar het oordeel van de wrakingskamer doet deze situatie zich gelet op het voorgaande in deze zaak niet voor.

3.4.

Verzoeker legt voorts aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag dat het beginsel van hoor en wederhoor tijdens de zitting is geschonden. Hij stelt daartoe dat de rechter tijdens de zitting eerst uitgebreid [A] en haar advocaat aan het woord heeft gelaten en daarna pas verzoeker de gelegenheid heeft gegeven op alles te reageren, waardoor verzoeker geen goed beeld kon geven van de zaak en het perspectief van de rechter al was aangetast. Daarnaast stelt verzoeker dat zijn advocaat voortdurend werd onderbroken door de rechter en de advocaat van [A] , en dat de advocaat van [A] veel meer ruimte kreeg dan die van verzoeker, terwijl het de advocaat van verzoeker werd aangerekend dat de advocaten ruzie maakten.

3.5.

Bij de beoordeling van deze wrakingsgrond is van belang dat deze handelingen van de rechter kunnen worden aangemerkt als een uitvoering van haar taak om op de zitting de procesorde te bewaken en de regie te voeren. Een rechter heeft daarbij een grote vrijheid, zodat slechts in zeer bijzondere omstandigheden de wijze waarop een rechter die taak heeft ingevuld een zwaarwegende aanwijzing kan opleveren dat een rechter jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De rechter bestrijdt niet dat zij, nadat zij [A] had bevraagd en haar advocaat aan het woord had gelaten, eerst verzoeker en daarna zijn advocaat liet reageren. Ook bestrijdt zij niet dat zij de advocaat van verzoeker heeft onderbroken en dat zij tegen hem heeft gezegd dat de advocaten van partijen geen ruzie moesten maken. Deze gang van zaken levert echter geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Dit klemt te meer daar verzoeker en zijn advocaat gelegenheid hebben gekregen om op het standpunt van [A] en haar advocaat te reageren. De advocaat van [A] heeft bovendien tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek onbetwist gesteld dat de rechter zich niet alleen jegens de advocaat van verzoeker, maar ook jegens haar kritisch had uitgelaten (in haar eigen bewoordingen had zij “een oorvijg gekregen”, en kreeg zij “net zo goed wind van voren”). Deze wrakingsrond faalt derhalve.

3.6.

Ook de wrakingsgrond dat sprake is van een grove schending van de beginselen van hoor- en wederhoor ten aanzien van de gezaghebbende moeder, faalt. Verzoeker stelt ter onderbouwing van deze grond dat de rechter heeft gehandeld alsof de moeder van het kind niet bestaat, ondanks dat de advocaat van verzoeker de rechter er op heeft gewezen dat de moeder niet kon reageren op de standpunten van partijen en dat de moeder in de procedure betrokken diende te worden. Verzoeker gaat er hier echter bij aan voorbij dat de rechter niet de mogelijkheid heeft om de moeder in het geding te betrekken.

3.7.

Aan zijn wrakingsgrond dat de rechter ambtshalve te actief heeft opgetreden ten behoeve van [A] , legt verzoeker ten grondslag dat de rechter [A] , ondanks zijn bezwaar, heeft geholpen door de subsidiaire vordering te herformuleren (hoewel deze volgens verzoeker niet toewijsbaar was), door twee keer te benadrukken dat er zo spoedig mogelijk een bodemprocedure aanhangig gemaakt moest worden en door te beslissen het kind te horen, terwijl dat niet als bewijsmiddel is aangedragen. De rechter bestrijdt dat zij de subsidiaire vordering voor de vrouw heeft geherformuleerd. Zij heeft toegelicht dat zij slechts aantekeningen maakte voor zichzelf. De feitelijke juistheid van de stelling van verzoeker is derhalve niet vast komen te staan. De overige stellingen van verzoeker geven geen grond voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Zij duiden er veeleer op dat de rechter heeft gepoogd de belangen van het kind te waarborgen.

3.8.

De rechtbank volgt verzoeker evenmin in zijn wrakingsgrond dat de rechter hem processueel heeft benadeeld. Verzoeker legt aan deze wrakingsgrond ten grondslag dat de vooringenomenheid van de rechter blijkt uit het feit dat het juridische gedeelte van de zaak na 20 minuten klaar was en dat de rechter daarna 1 uur en 40 minuten heeft besteed aan het zoeken van oplossingen om [A] te helpen, terwijl verzoeker – naar zijn stelling – juridisch gelijk had en [A] niet wenste te onderhandelen over een omgangsregeling vanuit de situatie dat het kind verblijf heeft bij verzoeker. Hij wijst er in dit kader ook op dat de rechter in haar verweerschrift spreekt van “het zoeken naar een oplossing voor de vrouw”. Verzoeker erkent echter dat zijn advocaat tijdens de kort geding zitting heeft verklaard dat een oplossing in onderling overleg beter was dan een procedure en dat er veel draagvlak was om de situatie te stroomlijnen. Ook stelt hij dat zijn advocaat zelf met het idee is gekomen om het traject Kinderen Uit de Knel te doorlopen. Dat de rechter hierop is ingegaan en heeft onderzocht of een minnelijke regeling tussen partijen mogelijk was, duidt niet op een vooringenomenheid jegens verzoeker, of een objectief gerechtvaardigde vrees dat die vooringenomenheid bestaat. Uitgangspunt van een minnelijke regeling is immers dat beide partijen daarmee in kunnen stemmen.

3.9.

Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de advocaat van verzoeker nog betoogd dat de vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker ook blijkt uit de brief van de advocaat van [A] aan de rechtbank, waarin staat dat zij “conform het verzoek van de rechtbank” het zaaknummer van de bodemprocedure aan de rechtbank heeft doen toekomen. Verzoeker stelt niet op de hoogte te zijn geweest van een dergelijk verzoek. Ook dit betoog faalt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [A] verklaard dat de rechter haar tijdens de kort geding zitting had gevraagd om, indien een bodemzaak aanhangig zou worden gemaakt, het zaaksnummer daarvan door te geven. Dit is door verzoeker niet (gemotiveerd) betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van die verklaring. Niet valt in te zien waarom deze gang van zaken een wrakingsgrond zou opleveren.

3.10.

De conclusie van het voorgaande luidt dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, noch voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ook in onderlinge samenhang bezien, leveren de door verzoeker naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen wrakingsgrond op. De rechtbank zal het verzoek tot wraking daarom afwijzen.

4 Beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;

4.2.

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.3.

beveelt dat het proces in kort geding wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. Th.S. Röell, voorzitter, mr. J.I. de Vreese en
mr. C.A. van Dijk, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van S.M.J. Boon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.