Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3447

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
C/15/239557 / HA RK 16/30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Wrakingsverzoek afgewezen. Ter zitting genomen procedurele beslissingen van de kantonrechter leveren geen zwaarwegende aanwijzingen op voor het oordeel dat de vrees voor vooringenomenheid van de kantonrechter objectief is gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/239557 / HA RK 16/30

Beslissing van 19 april 2016

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. S. Kleij,

hierna te noemen: de kantonrechter.

1 Procesverloop

1.1

Verzoeker heeft op 17 februari 2016, bij de rechtbank ontvangen op 18 februari 2016, schriftelijk de wraking verzocht van de kantonrechter in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie kanton, locatie Zaandam aanhangige zaak met als zaaknummer 4571734 / CV EXPL 15-7048, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De kantonrechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 19 april 2016. Verzoeker, de kantonrechter en de wederpartij in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker en de kantonrechter zijn verschenen. De wederpartij in de hoofdzaak heeft van de geboden gelegenheid, zonder bericht, geen gebruik gemaakt.

2 Het standpunt van verzoeker

2.1

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat –

het volgende aangevoerd.

Tijdens de comparitie na antwoord krijgt verzoeker het gevoel dat bij de kantonrechter sprake is van partijdigheid. Om dit gevoel te staven vraagt hij direct na de zitting van 29 januari 2016 het proces-verbaal van de zitting op. Als hem wordt medegedeeld dat een dergelijk verzoek schriftelijk dient te gebeuren, stuurt verzoeker op 1 en 11 februari 2016 schriftelijke verzoeken naar de rechtbank. Op 11 februari 2016 wordt verzoeker medegedeeld dat hij het proces-verbaal gelijktijdig met het vonnis tegemoet kan zien. Hierop heeft verzoeker op 17 februari 2016 het verzoek tot wraking ingediend. Verzoeker stelt ontvankelijk te zijn in zijn verzoek nu het verzoek vóór het vonnis is ingediend.

Door het verzoek tot het bekijken van door verzoeker opgenomen en meegenomen beeldmateriaal tot vijfmaal toe te weigeren heeft de kantonrechter blijk gegeven van vooringenomenheid. Bovendien was sprake van eenrichtingsverkeer bij de ondervraging waardoor belangrijke vragen aan de wederpartij niet gesteld zijn.

2.2

De kantonrechter heeft ter aanvulling van haar schriftelijke reactie – samengevat – het volgende aangevoerd.

Het wrakingsverzoek is te laat ingediend en daarom niet ontvankelijk. De zitting vond plaats op 29 januari 2016. Op dat moment waren alle feiten en omstandigheden waarop verzoeker zijn verzoek baseert reeds bekend.

Van vooringenomenheid was bij de kantonrechter geen sprake en verzoeker heeft haar handelen en spreken ter zitting ook in redelijkheid niet kunnen opvatten als blijk gevend van de schijn daarvan. In reactie op vragen van de kantonrechter gaf verzoeker telkens aan dat hij beeldmateriaal wilde tonen. De kantonrechter heeft dit meermalen geweigerd en erop aangedrongen dat verzoeker haar vragen zou beantwoorden en daarmee zou toelichten waarom het beeldmateriaal van belang was voor de beoordeling van de zaak. Uiteindelijk is het beeldmateriaal ter zitting wel bekeken. De kantonrechter heeft bij de ondervraging inderdaad meer vragen gesteld aan verzoeker dan aan de wederpartij. Zij heeft daarbij aan verzoeker medegedeeld dat zij dit deed om verzoekers kant van de zaak duidelijk te krijgen. De kantonrechter heeft bovendien bij aanvang van de zitting uitgelegd dat zij informatie vergaart door aan beide partijen vragen te stellen over de punten die haar – op basis van de stukken uit het dossier – nog niet duidelijk zijn.

3 De beoordeling

3.1

Een wrakingsverzoek kan worden ingediend als de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. Dit kan in elke stand van het geding – mits vóór de einduitspraak – zodra de wrakingsgronden bekend zijn. Dit voorschrift strekt er toe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich de feiten en omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van het wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht. Het verzoek kan worden gedaan in elke stand van de procedure (tot het moment waarop een beslissing is gegeven), dus ook nog na afloop van de mondelinge behandeling.

3.2

De wrakingskamer stelt voorop dat verzoeker het verzoek tot wraking niet ter comparitie heeft gedaan, terwijl het wrakingsverzoek gestoeld is op de wijze waarop de kantonrechter de comparitie heeft geleid. De wrakingsgronden waren toen bekend.
Het is de wrakingskamer gebleken dat verzoeker direct na de zitting van 29 januari 2016 het proces-verbaal van de zitting heeft opgevraagd. Aangezien een dergelijke aanvraag schriftelijk dient te gebeuren heeft verzoeker op 1 februari 2016 daartoe een schriftelijk verzoek ingediend. Op 11 februari 2016 heeft hij dit verzoek herhaald. Na het antwoord van de rechtbank op 11 februari 2016 heeft verzoeker op 17 februari 2016 het verzoek tot wraking ingediend, welke op 18 februari 2016 bij de rechtbank is ontvangen. Dat verzoeker, die in persoon procedeert, het proces-verbaal van de zitting heeft willen afwachten en dat hij enkele dagen nodig heeft gehad om uit te zoeken hoe hij een verzoek tot wraking kon indienen en opstellen, acht de wrakingskamer begrijpelijk. Gelet op het voorgaande is het verzoek tot wraking tijdig gedaan en is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.

3.3

Een kantonrechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de kantonrechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een kantonrechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de kantonrechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een kantonrechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

3.4

Uit het wrakingsverzoek en de (schriftelijke) toelichting daarop blijkt niet dat er aanwijzingen zijn voor het oordeel dat de kantonrechter jegens verzoeker enige vooringenomenheid koestert dan wel dat haar handelen ter zitting grond heeft gegeven voor de vrees dat het haar aan onpartijdigheid ontbreekt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.5

De grondslag van het wrakingsverzoek is gelegen in de aanvankelijke weigering van de kantonrechter om het door verzoeker opgenomen en meegenomen beeldmateriaal te bekijken en in de – naar het oordeel van verzoeker – eenzijdige ondervraging door de kantonrechter. Dit zijn echter processuele beslissingen en deze staan de kantonrechter, gelet op de regiefunctie van de rechter, vrij. Als negatief of teleurstellend ervaren processuele beslissingen bieden zonder bijkomende omstandigheden onvoldoende grond voor wraking, tenzij die beslissingen zozeer onbegrijpelijk zijn, dat deze zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de vrees dat de kantonrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is. Daarvoor ziet de rechtbank in dit geval geen aanknopingspunten.

De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

4 Beslissing

De rechtbank

4.1

wijst het verzoek tot wraking van de kantonrechter af,

4.2

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de kantonrechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.3

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van de afdeling privaatrecht, sectie kanton, locatie Zaandam.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, mr. J.H. Gisolf en mr. J.L. Roubos, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Naeije, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2016.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.