Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3371

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-04-2016
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
C/15/240192 / KG ZA 16-158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verbod op publicaties en uitlatingen over voormalige werkgever (na ontbindingsprocedure bij de kantonrechter).”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/681
AR 2017/399
AR-Updates.nl 2017-0081
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

Zittingsplaats Alkmaar

LK/AS

zaaknummer / rolnummer: C/15/240192 / KG ZA 16-158

Vonnis in kort geding van 25 april 2016

in de zaak van

1 de stichting SCHOLEN AAN ZEE,

gevestigd te [woonplaats 1] ,

2. [x],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. J.J. Blanken te 's-Gravenhage,

tegen

[y] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna SaZ, [X] en [Y] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 maart 2016 met bijlagen;

  • -

    de conclusie van antwoord van 4 april met bijlagen;

  • -

    de brief van 5 april van SaZ met de aanvullende producties 42 tot en met 47;

  • -

    de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 11 april 2016, alwaar verschenen zijn: de heer [K] , ad-interim voorzitter van de Raad van Bestuur van SaZ, en de heer

[B] (hierna: [b] ) namens SaZ, bijgestaan door mr. Blanken voornoemd,

en [Y] in persoon;

  • -

    de pleitnota van SaZ;

  • -

    de pleitnota van [Y] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[Y] is op 1 september 2011 bij SaZ in dienst getreden en was daar laatstelijk werkzaam als docent LB in de vakgroep Economie.

2.2.

[X] was tot 1 april 2016 voorzitter van het College van Bestuur (CvB) van SaZ.

2.3.

Na een informele afwijzing van het entreerecht op 23 juni 2014 heeft [Y] bij schrijven van 27 juni 2014 [X] , in zijn hoedanigheid van voorzitter van het CvB, verzocht hem het entreerecht toe te kennen conform artikel 5.2 van CAO-VO. Het entreerecht is een tijdelijke bevorderingsmethodiek waaraan voorwaarden zijn verbonden, te weten eerstegraadsbevoegdheid en het geven van 50% of meer van de structurele formatieve uren in de bovenbouw. [X] heeft op 2 juli 2014 beslist dat [Y] niet in aanmerking komt voor het entreerecht. Tegen deze beslissing heeft [Y] op 11 juli 2014 beroep ingesteld.

2.4.

Op 23 september 2014 heeft [Y] gesolliciteerd op een vacature Economie docent LB (economie) en wederom verzocht hem het entreerecht toe te kennen.

Dit verzoek is per e-mail van 5 oktober 2014 door Personeelszaken van SaZ afgewezen.

2.5.

Tijdens een gesprek tussen [X] , [Y] en de heer [k] op 20 oktober 2014 is [Y] het entreerecht met terugwerkende kracht per 1 augustus 2014 en de functie van LD-docent per die datum aangeboden. Daarbij is onder meer de voorwaarde gesteld dat [Y] zich zal inspannen om de verhoudingen tussen hem en zijn collega’s binnen de vakgroep economie en M&O te normaliseren door coaching te aanvaarden. [Y] heeft het aanbod slechts willen accepteren onder door hem gestelde voorwaarden. [X] heeft daarop het aanbod bij schrijven van 18 november 2014 ingetrokken.

2.6.

Op 24 november 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [Y] , vergezeld van zijn vader, [X] , de heer [k] en mevrouw [M] ,

Hoofd Personele en Financiële Zaken. In het gespreksverslag (bijlage 4 bij dagvaarding staat: “Chris stelt Jan (de rechtbank: [Y] ) voor de keuze: of je toont verandering in je gedrag door inzet van coaching of partijen nemen afscheid op een nette manier. Het is niet aan Jan om aanvullende eisen te stellen bij een coachingsaanbod”.

2.7.

De Commissie van Beroep VO (de onderwijsgeschillencommissie) heeft het tegen de beslissing van 2 juli 2014 ingestelde beroep op 6 januari 2015 ongegrond verklaard. Op 15 februari 2015 heeft [Y] een uitgebreid verzoek om herziening van de uitspraak van 6 januari 2015 bij de Commissie van Beroep ingediend.

Bij e-mail van 23 februari 2015 heeft [Y] dit verzoek aangevuld, waarbij hij SaZ beschuldigt van ‘slecht werkgeverschap’ en wijst hij op het mogelijk ontbreken van bevoegdheden bij docenten in zijn sectie (bijlage 6 bij dagvaarding).

2.8.

In maart 2015 ontving [Y] van SaZ een laatste waarschuwing, vanwege het feit dat de arbeidsrelatie door de door [Y] geuite beschuldigingen danig onder druk was komen te staan.

2.9.

Op 30 maart 2015 heeft [Y] de Onderwijsinspectie onder meer geschreven:

“In het verleden en ook in het heden zijn er meerdere collega’s die te maken hebben met de angstcultuur op Scholen aan Zee en het schrikbewind van de heer [X] ” (bijlage 7 bij dagvaarding).

2.10.

Bij schrijven van 17 april 2015 heeft SaZ [Y] per 20 april 2015 geschorst voor de duur van de op te starten procedure tot ontbinding van het dienstverband.

2.11.

Op 20 april 2015 schrijft [Y] in een e-mail aan alle docenten van SaZ met als onderwerp ‘Schrikbewind, pesterijen en onbevoegde docenten voor de klas’:

“Onder andere na intimidatie, psychisch geweld en andere wegpesttrucs van (mogelijk on )bevoegde vakgroepleden; het schrikbewind van mijn teamleidster;

het niet uitnodigen voor een sollicitatiegesprek door het hoofd personeelszake na het vertrek van een doelbewust aangenomen onbevoegde “collega”(voor een maand); een door school verplicht gestelde bevooroordeelde coach (…) waren en zijn er dus meerdere gegronde redenen om gebruik te maken van het in de wet vastgelegde recht tot het maken van geluidsopnamen. Dit heeft er mede toe geleid dat ik nu onterecht met onmiddellijke ingang ben geschorst en dat mij de toegang tot school wordt onthouden, waardoor ik helaas niet langer meer in staat ben om mijn werkzaamheden als eerstegraads bevoegd docent uit te kunnen oefenen.

Ter kennisgeving stuur ik jullie in vertrouwen mijn melding van de angstcultuur en het “slecht werkgeverschap” (…) (bijlage 10 bij dagvaarding).

2.12.

Op 24 april 2015 heeft [b] aangifte van verduistering gedaan.

2.13.

Bij beschikking van 29 juni 2015 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de arbeidsovereenkomst tussen SaZ en [Y] met ingang van 1 juli 2015 ontbonden zonder toekenning van een ontbindingsvergoeding. De kantonrechter overwoog onder 4.5. van genoemde beschikking:

“ [Y] valt aan te rekenen dat een verschil van mening over de regeling in de CAO zodanig is geëscaleerd dat voor hem binnen de stichting een totaal onwerkbare situatie is ontstaan die terugkeer naar de werkvloer onmogelijk maakt.

De uitlatingen van [Y] over / jegens de stichting, de aan de stichting verbonden docenten van de vakgroep Economie van het Lyceum aan Zee en over de voorzitter van het College van Bestuur van de stichting, zijn van dien toon en aard dat deze de mogelijkheid op een voor partijen werkbare oplossing te niet doet. Ter zitting is gebleken dat [Y] geen afstand van zijn beschuldigingen aan het adres van de diverse betrokkenen wenst te doen. Anders dan [Y] meent, is geen rechtvaardiging voorhanden voor de wijze waarop hij zich jegens / over genoemden betrokkenen heeft geuit.

De vergaande beschuldigingen aan het adres van de stichting over beledigingen, bedreigingen, en het regisseren van een crash-scenario met als doel [Y] eruit te werken, moeten als ongegrond van de hand worden gewezen”.

2.14.

[Y] is ook na deze beschikking doorgegaan met het publiekelijk uiten van beschuldigingen aan het adres van SaZ. Zo schrijft [Y] op 22 juli 2015 en op

29 oktober 2015 op zijn Facebook-pagina:

“Echter, er kan geen enkel misverstand over bestaan dat iedereen en dus ook het management bij Scholen aan Zee, aan de vereisten voor de functie moet voldoen en dat er al helemaal geen plaats is voor bedrog (..).” (bijlagen 19 en 24 bij dagvaarding).

2.15.

In een brief van 7 december 2015 aan twaalf medewerkers van SaZ schrijft [Y] dat zijn ontslag onrechtmatig is ‘wegens ernstig verwijtbaar en strafbaar handelen van het eenhoofdig College van Bestuur en diens trawanten’.

Deze brief heeft [Y] in afschrift gezonden aan de Stichting Onderwijsgeschillen en de Algemene Onderwijsbond, alsmede aan deze rechtbank (bijlage 25 bij dagvaarding).

2.16.

Op 9 januari 2016 is een artikel gepubliceerd in het Noord-Hollands Dagblad met de titel ‘Geen vertrouwen op school’, naar aanleiding van gesprekken met een tiental anonieme medewerkers, waaronder [Y] . Hoewel de Raad van Toezicht op dat moment aangeeft het spijtig te vinden dat [X] gaat vertrekken, laten de geïnterviewden een ander geluid horen. [X] zou in de gesprekken herhaaldelijk de zonnekoning zijn genoemd, die het beleid van SaZ in zijn eentje maakte en geen tegenspraak duldde. In het artikel staat onder meer: “Opvallend is dat iedereen zijn verhaal wil doen, maar niemand durft dit met naam en functie te doen uit angst voor represailles. Ze reppen van een angstcultuur, waarin niemand elkaar vertrouwt” (bijlage 28 bij dagvaarding).

2.17.

Op 26 januari 2016 is een artikel gepubliceerd op de website www.texelplaza.nl

waarbij aan een brief van het personeel van OSG De Hogeberg aan B&W wordt gerefereerd, waarin het personeel - wijzend op het artikel van 9 januari 2016 - laat weten dat er onder hen grote zorgen leven over de voorgenomen fusie met SaZ.

Het personeel schrijft: “In een artikel in de Helderse Courant lieten een tiental medewerkers anoniem weten dat er op de school in [woonplaats 1] sprake was van een angstcultuur. Hierdoor is Scholen aan Zee in onze ogen op dit moment geen stabiele fusiepartner.” (bijlage 33 bij dagvaarding).

2.18.

In een brief van 2 februari 2016 heeft [Y] aan een groot aantal medewerkers van SaZ, aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie en aan deze rechtbank geschreven dat onomstotelijk bewezen is dat ‘de Stichting Scholen aan Zee ernstig verwijtbaar en strafbaar heeft gehandeld en nog steeds ernstig verwijtbaar en strafbaar handelt.

[Y] heeft een kopie van deze brief gezonden aan de Stichting Onderwijs-geschillen, de Algemene Onderwijsbond en het Noord-Hollands Dagblad.

2.19.

Op zijn openbare Facebook-account schrijft [Y] herhaaldelijk over onder meer dat bij SaZ sprake is van “een angstcultuur, waarin niemand elkaar vertrouwt”, “ernstig verwijtbaar handelen en strafbaar handelen” en “mogelijke corruptie en steekpenningen en mogelijke misstanden en onregelmatigheden” bij SaZ.

3 Het geschil

3.1.

SaZ en [X] vorderen samengevat – [Y] :

a. te gebieden zijn publicaties en/of berichtgevingen omtrent SaZ, haar personeel respectievelijk overige ten behoeve van SaZ werkzame personen, haar werkwijze en dergelijke van het internet, waaronder sociale media, te verwijderen en verwijderd te houden;

b. [Y] te verbieden om (al dan niet in de media) mondeling of schriftelijk uitlatingen te doen waarin hij één of meer eisers en/of (oud-)medewerkers van SaZ en/of overige aan haar gelieerde personen van onrechtmatigheden en/of strafbaar handelen beschuldigt dan wel suggereert dat daarvan sprake is geweest;

zulks onder oplegging van een dwangsom en veroordeling in de proceskosten.

3.2.

Aan de vordering leggen eisers - samengevat - ten grondslag dat [Y] hen alsook de (oud-) medewerkers van SaZ stelselmatig en voortdurend beschuldigt van onrechtmatig en zelfs strafbaar gedrag, zonder dat hij daarvoor enig objectief bewijs aanlevert, en dat dit handelen van [Y] in de loop der tijd in ernst en hevigheid steeds verder is toegenomen. Voor zijn uitingen heeft [Y] steeds een zo groot mogelijk publiek gezocht, terwijl de uitlatingen schadelijk zijn voor eisers. Eisers hebben gegronde vrees dat het handelen van [Y] gevolgen zal hebben voor de toestroom van nieuwe leerlingen waardoor SaZ schade zal lijden. Verder heeft schade zich reeds gemanifesteerd doordat het artikel in het Noord-Hollands Dagblad, dat onder meer is gebaseerd op een door [Y] afgelegde verklaring, voor vertwijfeling bij de toekomstige fusiepartner heeft gezorgd. Daarnaast is merkbaar dat de berichten van [Y] voor onrust onder de medewerkers van SaZ zorgen.

[X] heeft zich door de uitlatingen van [Y] bedreigd en onveilig gevoeld.

3.3.

[Y] heeft schriftelijk verweer gevoerd. Hij voert onder verwijzing naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 30 november 2011 (LJN: BY5914) in de eerste plaats aan dat eisers hem onnodig op kosten jagen door de onderhavige procedure niet bij de kantonrechter, maar bij de voorzieningenrechter aanhangig te maken. Door deze keuze is [Y] immers griffierecht verschuldigd.

[Y] stelt voorts dat spoedeisend belang ontbreekt.

De stelling van eisers dat [Y] zich schuldig zou maken aan het publiekelijk verkondigen c.q. suggereren van onwaarheden over eisers ervaart [Y] als een valse beschuldiging aan zijn adres, nu onomstotelijk bewezen is dat eisers zich schuldig maken aan onrechtmatigheden en strafbaar handelen en er derhalve sprake is van een rechtvaardigingsgrond voor zijn uitlatingen. Het recht op vrijheid van meningsuiting dient te prevaleren boven de door SaZ ingeroepen rechten en de gevorderde voorziening is daarmee in strijd, aldus [Y] . Daarnaast heeft [Y] een aantal eisen in reconventie in willen stellen, zoals verwoord op pagina 22 van zijn conclusie van antwoord.

3.4.

[Y] vordert in reconventie, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort samengevat:

- veroordeling van onder meer [X] en [b] voornoemd tot gevangenisstraf,

- herstel van hemzelf in zijn eer, goede naam en functie met veroordeling van SaZ tot uitbetaling van achterstallig salaris,

- toekenning van een billijke schadevergoeding en

- veroordeling van 22 personeelsleden van SaZ tot ontslag op staande voet.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 254 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de voorzieningenrechter van deze rechtbank in het onderhavige geschil bevoegd een voorziening te treffen. De kantonrechter is ter zake niet bevoegd, nu dit geschil niet betreft een geldvordering onder € 25.000,- en ook niet kan worden opgevat als een arbeidsgeschil. Er is dan ook geen aanleiding om de zaak naar de kantonrechter te verwijzen.

4.2.

Gelet op het feit dat [Y] zijn uitingen continueert en ter zitting heeft aangegeven dat hij dit, ongeacht de uitspraak, zal blijven doen, is het spoedeisend belang in voldoende mate aanwezig. Inhoudelijk heeft het volgende te gelden.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in deze procedure niet aan de orde is of [Y] tot het entreerecht had moeten worden toegelaten. Daartegen heeft een afzonderlijke rechtsgang open gestaan, die [Y] ook heeft gevolgd.

Ook is niet aan de orde of er voldoende redenen waren om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Daarover heeft de kantonrechter geoordeeld.

Aan de orde is enkel de vraag of [Y] mag doorgaan met zijn uitlatingen tegen SaZ.

4.4.

Het draait in deze zaak om de botsing van twee fundamentele rechten, te weten enerzijds het recht van SaZ en [X] op bescherming van hun eer en goede naam en op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer, en anderzijds het recht van [Y] op vrijheid van meningsuiting. Welk van deze rechten in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van alle ter zake dienende en in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het geval, waaronder onder meer de aard van de gepubliceerde beschuldigingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die beschuldigingen betrekking hebben en de ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen.

Bij de afweging komt niet in beginsel voorrang toe aan het door artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting, noch aan de door artikel 8 EVRM beschermde rechten. De toetsing dient in één keer te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten gelet op alle ter zake dienende omstandigheden zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het tweede lid van artikel 10 EVRM, dan wel het tweede lid van artikel 8 EVRM (Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627).

4.5.

[Y] wil met zijn aantijgingen aan de orde stellen dat er bij SaZ sprake is van

- onbevoegde docenten,

- angstcultuur en schrikbewind,

- het doen van valse aangiften,

- steekpenningen, corruptie en bedrog en

- slecht werkgeverschap.

Bij de toetsing van de aantijgingen in het licht van voormelde maatstaf zal deze volgorde worden aangehouden.

Onbevoegde docenten

4.6.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een docent die eraan twijfelt of zijn collega-docent(en) toereikende bevoegdheden heeft, concrete aanwijzingen voor deze vermoedens dient te hebben alvorens mededelingen van zijn werkgever dienaangaande in twijfel te kunnen trekken en te verlangen dat hem inzage wordt verschaft in persoonsgegevens van die collega’s. [Y] heeft tot op heden niet concreet gemaakt op grond waarvan hij de bevoegdheid van de door hem genoemde collega’s in twijfel trekt. Het door hem overgelegde Excelbestand (Bijlage 5) acht de voorzieningenrechter daartoe ontoereikend.

Daar komt bij dat SaZ herhaaldelijk aan [Y] heeft aangeboden om hem, met toestemming van de betrokkenen, inzage in de betreffende documenten te geven maar dat [Y] van deze gelegenheid steeds geen gebruik heeft gemaakt. De door [Y] aan dat gebruik gestelde voorwaarden zijn door SaZ begrijpelijk en terecht van de hand gewezen. Bij die stand van zaken moet ervan worden uitgegaan dat er geen grond bestaat om de bevoegdheid van de betrokken docenten in twijfel te trekken.

Angstcultuur / schrikbewind

4.7.

Deze -vérstrekkende- kwalificaties kunnen pas worden gebezigd indien uit de lotgevallen van een aantal bij de school betrokken personen (leerlingen, docenten) blijkt dat de leiding van de school gedrag vertoont waardoor angstgevoelens kunnen worden opgeroepen of schrik wordt aangejaagd. [Y] onderbouwt deze kwalificaties echter uitsluitend door te verwijzen naar hetgeen hem zelf is overkomen. Hij suggereert wel dat er sprake is van een klimaat dat genoemde kwalificaties kan dragen, maar maakt dat in geen enkel opzicht concreet.

Voor zover een tiental anonieme medewerkers hebben verklaard dat er bij SaZ sprake is van een angstcultuur, zoals vermeld in eerdergenoemd krantenartikel van 9 januari 2016, geldt dat moet worden aangenomen dat [Y] de drijvende kracht achter die publicatie is geweest, zoals SaZ onweersproken heeft gesteld.

Het behoeft geen betoog dat het artikel schadelijk voor SaZ is en dat zij zich ook als schade mag aantrekken dat medewerkers zich in privé door [Y] lastig gevallen voelen.

Valse aangiften

4.8.

Van het doen van valse aangiften is slechts dan sprake indien de aangever bewust en opzettelijke een aangifte baseert op feiten waarvan hij weet dat die zich niet hebben voorgedaan. Hetgeen [Y] heeft aangevoerd, kan niet leiden tot de conclusie dat hiervan sprake is geweest. De door [X] gedane aangifte van bedreiging berust op uitlatingen die door [Y] zouden zijn gedaan tijdens de mondelinge behandeling bij de Commissie van Beroep op 22 mei 2015.

De aangifte vermeldt onder meer dat [Y] op het moment dat [X] de zaal verliet tegen deze geschreeuwd zou hebben: ‘ik maak je af’.

[Y] stelt, verwijzend naar het geluidsfragment dat hij ter zitting heeft afgespeeld (hetgeen een door zijn vader gemaakte opname van het verloop van de mondelinge behandeling vanuit de gang betreft), dat hij in werkelijkheid heeft gezegd: ‘je bent nog niet van me af’, en dat hij daarmee doelde op het online plaatsen van stukken.

De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat [Y] zich inderdaad in de door hem genoemde zin heeft uitgelaten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat slechts na onderzoek van de context van het gehele verloop van de mondelinge behandeling bij de Commissie van Beroep kan worden geoordeeld of de uitlatingen van [Y] van dien aard zijn dat ze grond kunnen zijn voor een redelijk vermoeden dat [Y] zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging, en of in de context van de overige uitlatingen en de sfeer tijdens de hoorzitting kan worden aangenomen dat [X] de bewuste uitlating van [Y] anders heeft opgevat dan deze kennelijk door [Y] was bedoeld. Dit noopt tot nader onderzoek, hetgeen het bestek van een kort geding te buiten gaat.

4.9.

De aangifte tot verduistering is ingetrokken na inlevering van de in bruikleen verstrekte laptop en alle daarbij behorende onderdelen, alsmede een sleutelblos,

een Digipas en een printmagneet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt niet in te zien waarin de onjuistheid van de eerder gedane aangifte is gelegen. De omstandigheid dat intrekking niet kan leiden tot verval van vervolging maakt dit niet anders.

4.10.

Kortom, van valse aangiften kan niet worden gesproken.

Steekpenningen, corruptie, bedrog

4.11.

Voor deze kwalificaties is geen feitelijke grondslag genoemd, hetgeen a fortiori betekent dat zij niet door onderliggende feitelijke vaststellingen en deugdelijk onderzoek worden gedragen.

Slecht werkgeverschap

4.12.

Er zijn geen feiten gesteld die het oordeel slecht werkgeverschap in algemene zin rechtvaardigen.

Dat [b] een vrijwaringsbewijs tekent voor de ontvangst en inname van een aantal zaken van SaZ waarop door [Y] een voetnoot is aangebracht waarin staat dat één exemplaar van het vrijwaringsbewijs voor ‘de zeer slechte werkgever’ is, vormt geenszins een feitelijke onderbouwing.

[Y] heeft door zijn opstelling herhaaldelijk te kennen gegeven dat hij zich als werknemer niet wilde laten aanspreken op zijn functioneren en niet wilde meewerken aan verbetering van de verhoudingen. De kantonrechter heeft reeds geoordeeld dat [Y] als werknemer niet meer was te handhaven en dat er voor SaZ voldoende redenen waren om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, zodat het slecht werkgeverschap evenmin gelegen kan zijn in de wijze waarop SaZ [Y] heeft behandeld.

Afweging

4.13.

Mede gelet op de door [Y] gedane uitlatingen ter zitting moeten de hiervoor besproken aantijgingen worden gezien als het voertuig van de hetze die [Y] tegen SaZ poogt te ontketenen. De aantijgingen lijken aldus uitsluitend te zijn ingegeven door rancune over hoe hij door SaZ is behandeld. Het gaat [Y] er niet om “misstanden” aan de kaak te stellen, maar om zijn gram te halen.

Dit mede in aanmerking genomen moet de slotsom zijn dat de aard, ernst en intensiteit van de aantijgingen zodanig zijn dat het recht van Saz en [X] op bescherming van de goede naam moet prevaleren boven het recht van [Y] op vrijheid van meningsuiting. De gevraagde voorziening is adequaat, te meer nu [Y] heeft laten weten hoe dan ook door te zullen gaan met zijn uitingen en zich daarin niet te laten stoppen, met dien verstande dat deze in duur zal worden beperkt tot twee jaar.

4.14.

[Y] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, zijnde een bedrag van € 77,75 aan kosten dagvaarding, € 288 aan griffierecht en een bedrag van € 816,- aan salaris van de advocaat.

in reconventie

4.15.

[Y] kan in zijn reconventionele vordering niet worden ontvangen, nu een vordering in reconventie ook in kort geding slechts kan worden ingesteld door een partij die bij advocaat is verschenen. Weliswaar geldt ingevolge artikel 255 Rv dat een gedaagde in een zaak als bedoeld in artikel 79 lid 2 Rv behalve bij advocaat ook in persoon procederen doch voor het instellen van een vordering heeft de betreffende partij evenwel de status van eiser. De inhoud van de onderhavige vordering illustreert dat deze beperking zinvol is.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

5.1.

gebiedt [Y] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis zijn publicaties en/of berichtgevingen omtrent SaZ, haar personeel respectievelijk overige ten behoeve van SaZ werkzame personen en haar werkwijze van het internet, waaronder sociale media, te verwijderen en gedurende een periode van twee jaar na heden verwijderd te houden;

5.2.

verbiedt [Y] gedurende twee jaar na heden om (al dan niet in de media) mondeling of schriftelijk uitlatingen te doen waarin hij één of meer eisers en/of (oud-)medewerkers van SaZ en/of overige aan haar gelieerde personen van onrechtmatigheden en/of strafbaar handelen beschuldigt dan wel suggereert dat daarvan sprake is geweest;

5.3.

bepaalt dat [Y] een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag voor iedere dag dat hij in strijd handelt met een van de hiervoor onder 5.1. en 5.2. vermelde ge- en verboden, zulks met een maximum aan in totaal te verbeuren dwangsommen van

€ 50.000,-;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

veroordeelt [Y] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van SaZ en

[X] begroot op € 365,75 aan verschotten en op € 816,- aan salaris van de advocaat;

5.6.

weigert de meer of anders gevraagde voorziening.

in reconventie

5.7.

verklaart [Y] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter van de rechtbank

Noord-Holland en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2016, in het bijzijn van de

griffier.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.