Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3323

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1193
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

APV. Tijdelijke standplaatsvergunning voor verse vismarkt in Oudeschild. Geen spoedeisend belang. Ook in belangrijkste ter zitting besproken gronden ziet voorzieningenrechter geen aanleiding voor schorsing van het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/1193

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 april 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

1. de vennootschap onder firma VOF Snackbar Veronica;

2. de besloten vennootschap de Texelse Visspecialist B.V.;

3. De Oude Vismarkt;

4. de vennootschap onder firma VOF Restaurant ’t Pakhuus;

5. de besloten vennootschap Furingo B.V., handelend onder de naam Eetcafé De Kombuis;

6. de vennootschap onder firma VOF De Compagnie;

7. Proef en Beleef Texel, bekend onder de naam Haven Hotel Texel,

allen te Oudenschild, verzoeksters

(gemachtigde: mr. E.A. Wentink-Quelle),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 1] , te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam 1] een tijdelijke standplaatsvergunning verleend.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2016. Namens verzoekers zijn verschenen [naam 2] , vennoot van VOF Snackbar Veronica en [naam 3] , directeur van de Texelse Visspecialist B.V. en De Oude Vismarkt, bijgestaan door hun gemachtigde. Voorts is [naam 4] ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde M. Oosterdijk.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat ten minste één van de verzoeksters als belanghebbende kan worden aangemerkt, zodat wordt toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een voorlopige voorziening getroffen als “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoekers hebben niet onderbouwd dat als gevolg van de, tijdelijke – zowel naar duur als openingstijden – en onder voorwaarden verleende vergunning, sprake zal zijn van een zodanige omzetderving dat zij daaraan een spoedeisend belang kunnen ontlenen. De conclusie is dat geen sprake is van “onverwijlde spoed” die tot het treffen van een voorlopige voorziening noopt. Reeds hierom moet de gevraagde voorziening, inhoudende een schorsing van het primaire besluit, worden afgewezen.

4.1

De voorzieningenrechter ziet ook overigens in de belangrijkste en ter zitting besproken gronden geen aanleiding voor schorsing van het primaire besluit.

4.2

Verzoekers hebben aangevoerd dat het primaire besluit in bezwaar evident niet in stand kan blijven omdat het is genomen in strijd met de Nota standplaatsenbeleid. Verzoekers wijzen op paragraaf 4.2, waarin het volgende is opgenomen: “Ondanks dat in dit beleid geen locatie in Den Hoor en Oudeschild wordt vastgesteld, worden deze dorpen in deze paragraaf wel meegenomen, omdat de mogelijkheid van een locatie in deze dorpen (onder gemelde voorwaarden) is open gehouden”. Verzoekers verwijzen verder naar pagina 8 van de Nota, waar de voorwaarden zijn opgenomen ter zake het aanwijzen van een standplaats in Oudeschild.

“De Snackbar Veronica Oudeschild B.V. te berichten dat de standplaatsvergunning is vervallen met de daaraan gekoppelde parameters. Ingangsdatum voor het vervallen zal zijn het moment van opening van de nieuwe Marktplaats op de haven Oudeschild (..).

De standplaatsennotitie wordt aangepast, zodat de huidige standplaatsenvergunning in Oudeschild op de haven vervalt met de daaraan gekoppelde parameters van:

  1. De intrekking van de standplaatsvergunning Oudeschild voor de verkoop van patat, snacks en andere kleine etenswaren op de haven in Oudeschild gegarandeerd voor een periode van 15 jaren vanaf de opening van de Marktplaats op de haven in Oudeschild. In deze periode zal geen nieuwe standplaatsvergunning worden uitgegeven voor de verkoop van patat, ijs, vis, snacks en andere kleine etenswaren op de haven.

  2. Na die periode zal er in de directe omgeving van de Marktplaats op de haven in Oudeschild, met een cirkel van 200 meter geen nieuwe standplaatsvergunning voor de verkoop van patat, ijs, vis, snacks en andere kleine etenswaren op de haven worden uitgegeven.

  3. Indien er een nieuwe standplaats wordt uitgegeven voor de verkoop van patat, ijs, vis, snacks en andere kleine etenswaren op de haven, rekening houdende met de punten 1 en 2, dan zal daar aan ten grondslag moeten liggen een nieuw distributief onderzoek voor vent- en standplaatsenvergunningenbeleid.”

Verzoekers stellen zich onder verwijzing naar de hierboven geciteerde passages uit de Nota standplaatsenbeleid op het standpunt dat de onderhavige standplaatsvergunning niet had mogen worden afgegeven, zeker niet nu daaraan geen nieuw distributief onderzoek ten grondslag is gelegd.

4.3

Verweerder heeft zich naar aanleiding van het door verzoekers gestelde ter zitting op het standpunt gesteld dat de Nota standplaatsenbeleid ziet op de aanwijzing van locaties voor vaste standplaatsen en dat daarin ook een regeling is opgenomen voor bijzondere situaties; er is in dat geval geen sprake van de aanwijzing van een vaste standplaatsen, maar van vaste locaties waarvoor alleen incidentele standplaatsvergunningen worden afgegeven. De onderhavige aanvraag ziet echter niet op de verkrijging van een vergunning voor een vaste standplaats, noch op de verkrijging van een incidentele standplaatsvergunning. Gevraagd is een tijdelijke standplaats voor een verse vismarkt. De beleidsnotitie voorziet daarin niet. Op de aan de derde-partij verleende standplaatsvergunning is de Nota niet van toepassing. Het besluit ziet dan ook niet op de aanwijzing van een vaste standplaats waaraan volgens de Nota een nieuw distributief onderzoek voor vent- en standplaatsenvergunningenbeleid ten grondslag zou moeten worden gelegd, aldus verweerder.

4.4

De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Nota standplaatsenbeleid niet op de onderhavige aanvraag van toepassing is en dat met de onderhavige standplaatsvergunning geen vaste standplaats is aangewezen. De voorzieningenrechter begrijpt dat met de in het geding zijnde tijdelijke vergunning (nog) geen sprake is van een aanwijzing van een locatie als bedoeld in paragraaf 3.2, pagina 8, onder 3, en paragraaf 4.2, tweede alinea, van de Nota standplaatsenbeleid.

4.5

Uit het voorgaande volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder de aanvraag terecht – alleen en direct – heeft getoetst aan de weigeringsgronden voor een standplaatsvergunning die in de Algemene Plaatselijke Verordening Texel (hierna: APV) zijn opgenomen, waarvan hier met name, ook gelet op hetgeen door verzoekers is aangevoerd, de weigeringsgronden bedoeld in artikel 5:18, tweede lid, van de APV en artikel 5:18, derde lid, aanhef en onder b, van de APV van belang zijn. De voorzieningenrechter ziet, binnen het huidige toetsingskader, geen grond voor het oordeel dat verweerder niet heeft kunnen afzien van weigering van de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan, nu hij voornemens is met het oog hierop het bestemmingsplan te wijzingen. Voorts biedt hetgeen door verzoekers is aangevoerd naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de standplaatsvergunning voor een verse vismarkt een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in Oudeschild tot gevolg zal hebben, dan wel een onaanvaardbaar risico behelst op structurele leegstand van (horeca)panden in de omgeving.

5. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het in bezwaar bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.