Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3213

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
15/993006-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; bewezenverklaringen t.a.v. feit 1: witwassen; feit 2: als degene die uit hoofde van artikel 3 van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten (verordening) verplicht is tot het doen van aangifte, deze aangifte opzettelijk niet doen; strafoplegging; geldboete; voorwaardelijke gevangenisstraf; overschrijding redelijke termijn ex art. 6 EVRM; verbeurdverklaring €88.000,00.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een niet geringe hoeveelheid geld, te weten ruim € 88.000,-, dat van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft voorts verzuimd aangifte te doen van de uitvoer van dit geldbedrag. Door deze manier van handelen heeft zij geprobeerd inkomsten uit misdrijf te onttrekken aan het zicht van justitie en de fiscus, hetgeen doorgaans resulteert in een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel in het bijzonder en schade aan de maatschappij in het algemeen. Daarnaast werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en ook na het plegen van de bewezenverklaarde feiten niet met (de Nederlandse) justitie in aanraking is gekomen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van deze zaak te lang heeft geduurd. In deze zaak is verdachte voor het eerst als verdachte door de Douane gehoord op 4 december 2013. Die dag geldt als de dag waarop de op redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Verdachte heeft vanaf dat moment kunnen verwachten dat tegen haar strafvervolging zou worden ingesteld. Hierdoor is de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 EVRM overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/993006-14 (P)

Uitspraakdatum: 23 februari 2016

Verstek

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

9 februari 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te Zhejiang (China),

wonende te [adres] (Italië),

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J.A.E. Rijssenbeek.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

zij op of omstreeks 4 december 2013, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 88.000 euro, althans een geldbedrag, althans een goed:

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een/de voorwerpen(en) te weten voornoemde geldbedrag, was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden had, en/of

- een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 88.000 euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Feit 2:

zij op of omstreeks 4 december 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, als degene die uit hoofde van artikel 3 Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europese Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, verplicht was tot het doen van aangifte, deze aangifte niet, onvolledig of onjuist heeft gedaan, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s) toen en daar een geldbedrag van (ongeveer) 88.000 euro, althans een geldbedrag met een waarde hoger dan 10.000 euro, voorhanden gehad en/of met dat geld op de luchthaven Schiphol vanuit de vertrekhal het beveiligd gebied van de luchthaven Schiphol heeft betreden en/of vervolgens met dat geld zich heeft begeven naar Gate E5 en/of zich heeft gemeld bij de daar aanwezige security die op dat moment was belast met de (veiligheids)controle van passagiers reizende met vlucht KL881 naar Hangzhou (China), teneinde vervolgens aan boord te gaan van genoemde vlucht zonder genoemde aangifte te doen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 4 december 2013 wordt op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in de ingecheckte ruimbagage van verdachte een geldbedrag aangetroffen van meer dan
€ 10.000,-.2 Daarop zijn medewerkers van de Douane naar Gate E05 gegaan, alwaar vlucht KL0881 met als eindbestemming Hangzhou/China zou vertrekken. De medewerker van de Douane heeft een gate-stop laten plaatsen op verdachte. Een medewerker van de Douane overhandigt aan verdachte een folder in de Chinese taal waarin staat omschreven dat indien men de Europese Unie verlaat met € 10.000,- of meer aan contant geld je hiervoor aangifte dient te doen bij de Douane. De medewerker van de Douane hoort verdachte in het Engels zeggen: “Nee, slechts 5.000” en (lachend) “Nee, nee”.3

Verdachte heeft tegen medewerkers van de Douane verklaard dat zij niet wist hoe het geld in de koffers is terechtgekomen en dat de koffers werden bewaard bij een persoon in Rome van wie zij de naam niet kon noemen. Verdachte heeft tevens het volgende gezegd: “Als je meer dan € 10.000 hebt is het een probleem dat weet ik”.4

In de zwarte handtas van verdachte werd in een zijvak een bundel eurobiljetten aangetroffen, te weten een bedrag van € 15.650,-. In een portemonnee in voornoemde tas werd een bedrag van € 130,- aangetroffen. Bij controle van de ruimbagage van verdachte, 1 zwarte en 1 rode koffer, werd in de zwarte koffer, van haar 9-jarige dochter, een geldbedrag van € 30.000,- aangetroffen en in de rode koffer een geldbedrag van € 40.000,-. Verdachte pakte uit haar binnenzak van de jas een geldbedrag van € 3.000,-. Na telling blijkt het bij verdachte aangetroffen geldbedrag in totaal een bedrag van € 88.780,- te zijn. Dit geldbedrag is samengesteld uit de volgende coupures: 1 biljet van 200 euro, 102 biljetten van 100 euro, 1567 biljetten van 50 euro, 1 biljet van 20 euro en 1 biljet van 10 euro. 5

3.3.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 1:

Voor bewezenverklaring van witwassen is vereist dat komt vast te staan dat het desbetreffende geldbedrag middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden.

De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is, dat niet zelden via Schiphol grote bedragen in contanten die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, worden in- of uitgevoerd. Verdachte is aangehouden met een geldbedrag van € 88.780,-, terwijl zij dit bedrag niet heeft aangegeven bij de Douane. Het is hoogst ongebruikelijk om dergelijke bedragen fysiek te vervoeren, gelet op de risico’s die daarmee gepaard gaan. Voormelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen een vermoeden van witwassen. Alsdan mag van verdachte worden verwacht dat zij een concrete verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de herkomst van het bij haar aangetroffen geldbedrag.

In een brief aan de officier van justitie van 13 oktober 2014, is namens verdachte beschreven dat een geldbedrag van € 9.000,- van haarzelf was, een bedrag van € 9.000,- van haar man en een bedrag van € 70.000,- van verschillende mensen, die geld aan haar hadden meegegeven naar China. Bij die brief zijn verklaringen gevoegd van personen die het geld aan verdachte zouden hebben meegegeven. Die verklaringen zijn weliswaar voorzien van namen en kopieën van identiteitsbewijzen, echter, de adressen van de betreffende personen ontbreken. Voorts is opmerkelijk dat alle verklaringen zijn gedateerd op 13 oktober 2014, gelijk de brief namens verdachte.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen onvoldoende weerlegd. De verklaring namens verdachte, zoals verwoord in haar brief van 13 oktober 2014, over de herkomst van het geldbedrag is onvoldoende concreet en niet (eenvoudig) te verifiëren. De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld dan ook ongeloofwaardig.

Het voorgaande leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het onder verdachte aangetroffen contante geldbedrag, te weten € 88.780,-, een legale herkomst heeft en dat het ervoor moet worden gehouden dat verdachte ervan op de hoogte was dat het geld (on)middellijk van misdrijf afkomstig was.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

zij op 4 december 2013, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 88.000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Feit 2:

zij op 4 december 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk, als degene die uit hoofde van artikel 3 Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europese Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, verplicht was tot het doen van aangifte, deze aangifte niet heeft gedaan, immers heeft zij toen en daar een geldbedrag van (ongeveer) 88.000 euro voorhanden gehad en met dat geld op de luchthaven Schiphol vanuit de vertrekhal het beveiligd gebied van de luchthaven Schiphol betreden en zich vervolgens met dat geld zich heeft begeven naar Gate E5 en zich gemeld bij de daar aanwezige security die op dat moment was belast met de (veiligheids)controle van passagiers reizende met vlucht KL881 naar Hangzhou (China), teneinde vervolgens aan boord te gaan van genoemde vlucht zonder genoemde aangifte te doen.

Hetgeen aan verdachte onder feiten 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1: witwassen;

feit 2: als degene die uit hoofde van artikel 3 van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten (verordening) verplicht is tot het doen van aangifte, deze aangifte opzettelijk niet doen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:

- een geldboete van € 29.000,- subsidiair 180 dagen hechtenis;

- een gevangenisstraf voor de duur van een (1) maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Ten aanzien van het beslag vordert de officier van justitie dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag, te weten: € 88.000,-, wordt verbeurd verklaard.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een niet geringe hoeveelheid geld, te weten ruim € 88.000,-, dat van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft voorts verzuimd aangifte te doen van de uitvoer van dit geldbedrag. Door deze manier van handelen heeft zij geprobeerd inkomsten uit misdrijf te onttrekken aan het zicht van justitie en de fiscus, hetgeen doorgaans resulteert in een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel in het bijzonder en schade aan de maatschappij in het algemeen. Daarnaast werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en ook na het plegen van de bewezenverklaarde feiten niet met (de Nederlandse) justitie in aanraking is gekomen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van deze zaak te lang heeft geduurd. In deze zaak is verdachte voor het eerst als verdachte door de Douane gehoord op 4 december 2013. Die dag geldt als de dag waarop de op redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Verdachte heeft vanaf dat moment kunnen verwachten dat tegen haar strafvervolging zou worden ingesteld. Hierdoor is de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 EVRM overschreden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een geldboete moet worden opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

6.3.

Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezen verklaarde feit met betrekking tot dat geldbedrag, dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

23, 24, 24c, 33, 33a, 57, 420 bis van het Wetboek van Strafrecht;

10:1 van de Algemene douanewet.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder de feiten 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJF (5) MAANDEN, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte voorts tot het betalen van een geldboete van € 2.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd een geldbedrag van € 88.000,-.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mr. J.C. van den Bos en mr. E.J. Bellaart, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 februari 2016.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen en overdracht d.d. 4 december 2013 (AH-001a).

3 Het proces-verbaal van bevindingen en overdracht d.d. 5 december 2013 (AH-001).

4 Het proces-verbaal van bevindingen en overdracht d.d. 4 december 2013 (AH-001a, pagina 5).

5 Het proces-verbaal van bevindingen en overdracht d.d. 4 december 2013 (AH-001a).