Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3114

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1171 en AWB - 16_1172
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder was bevoegd handhavend op te treden nu geen sprake is van een voor 1 januari 2013 vergunde of gemelde activiteit (artikelen 3.113 en 3.114a Activiteitenbesluit).

Wetsverwijzingen
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 3.113
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/1172 en HAA 16/1171

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2016 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: ing. B.H. Wopereis),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser gelast om voor 1 februari 2016 de tien paardenstallen in de schuur op het perceel [locatie] terug te brengen tot vier op straffe van een dwangsom van € 4.000,- per dierplaats boven de toegestane vier stallen.

Bij besluit van 9 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M. Dur en A. Minneboo, werkzaam bij de Omgevingsdienst IJmond.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter heeft daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen onmiddellijk uitspraak gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

Op grond van artikel 3.113 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit) vindt, binnen een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied, het oprichten van een dierenverblijf, indien voorafgaand aan het oprichten geen sprake is van een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden, niet plaats, tenzij het dierenverblijf bestemd is voor landbouwhuisdieren die uitsluitend of in hoofdzaak worden gehouden ten behoeve van natuurbeheer.

Op grond van artikel 3.114a van het Activiteitenbesluit worden, totdat met betrekking tot een inrichting die een activiteit uitvoert als bedoeld in artikel 3.111 waarvan een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied een wijziging waarop artikel 3.113 of artikel 3.114 van toepassing is, is gemeld, binnen de inrichting niet meer landbouwhuisdieren per diercategorie gehouden en is de ammoniakemissie niet groter dan:

a. op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht mochten worden gehouden, onderscheidenlijk mocht worden veroorzaakt tot het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, of

b. op grond van de betrokken algemene maatregel van bestuur mochten worden gehouden, onderscheidenlijk mocht worden veroorzaakt, tot het van toepassing worden van dit besluit op de inrichting en waarvan in geval van oprichting of wijziging van de inrichting een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer was gedaan.

Naar aanleiding van eisers stelling dat, anders dan voorheen, geen sprake meer is van een overgangsbepaling wijst de voorzieningenrechter eiser op paragraaf 3.8 van de nota van toelichting bij het Besluit van 18 september 2015 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten), gepubliceerd in Staatsblad 2015, 337, en de transponeringstabel overgangsrecht. De titel van paragraaf 3.8 luidt ‘Verplaatsing van het speciale overgangsrecht’. Uit de in deze paragraaf opgenomen transponeringstabel blijkt dat de overgangsbepaling van artikel 6.24r van het Activiteitenbesluit thans is opgenomen in artikel 3.114a van het Activiteitenbesluit.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit artikel 3.113, gelezen in samenhang met het overgangsrechtelijk artikel 3.114a, dat voor 1 januari 2013 sprake moet zijn van een vergunde of gemelde activiteit.

In dit geval is van een omgevingsvergunning of een geaccepteerde melding van voor 1 januari 2013 (datum inwerkingtreding Activiteitenbesluit waarin dit onderdeel is geregeld) geen sprake. Dat volgens eiser al veel langer landbouwhuisdieren worden gehouden binnen de inrichting doet daar niet aan af, nu hiervoor geen vergunning is verleend of een melding is gedaan.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 3.113, nu op grond van deze bepaling de oprichting van een dierenverblijf niet is toegestaan en is verweerder bevoegd handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

In het onderhavige geval is, gelet op vorenstaande, geen zicht op legalisatie. De door eiser in januari en maart gedane meldingen kunnen niet tot het oordeel leiden, zoals eiser meent, dat geen sprake meer is van overtreding van artikel 3.113 van het Activiteitenbesluit. Er is immers geen sprake van een inrichting waarbinnen het houden van landbouwhuisdieren op grond van vergunning of melding van voor 1 januari 2013 reeds was toegestaan.

Voorts zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat verweerder van handhaving had moeten afzien.

Nu het beroep ongegrond is verklaard en het verzoek is afgewezen is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.