Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3108

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-04-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
15/700309-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verkort vonnis.

Artikel 6 WVW 1994 aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig. Het niet verlenen van voorrang is gebeurd tijdens een bijzondere verrichting, namelijk het keren door verdachte, waarbij extra voorzichtigheid is geboden. Gelet op de tijd die met het uitvoeren van deze bijzondere verrichting is gemoeid, had verdachte tijdens deze manoeuvre de motorrijder op enig moment moeten zien en aan hem voorrang moeten verlenen. Het argument dat verdachte de motorrijder niet zou hebben opgemerkt omdat de motorrijder te hard zou hebben gereden, vindt onvoldoende bevestiging in de snelheidsberekening die de afdeling Verkeersondersteuning van de politie heeft verricht. Een mogelijke snelheidsoverschrijding door de motorrijder disculpeert verdachte bovendien niet van zijn verplichting om goed te kijken bij deze bijzondere verrichting waarbij hij aangeeft naar rechts af te slaan en vervolgens weer de voorrangskruising oprijdt.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2016/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700309-14

Uitspraakdatum: 18 april 2016

Tegenspraak

Verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 april 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonplaats] , [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van

- het standpunt van de officier van justitie, mr. M. Spruijt dat ertoe strekt dat de rechtbank het primair ten laste gelegde (aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend) bewezen zal verklaren en verdachte hiervoor zal veroordelen tot een werkstraf van 90 uren subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis.

- hetgeen door verdachte en mr. E. Boskma, raadsman van verdachte, naar voren is gebracht. De raadsman heeft bepleit verdachte van het primair ten laste gelegde vrij te spreken.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 1 april 2014 in de gemeente Purmerend als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mercedes-Benz, kenteken [kenteken] ), daarmee heeft gereden over de weg, de Koogsingel en zich daarbij zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, om te (gaan) keren, zonder zich er vooraf in voldoende mate van te hebben vergewist, dat hij deze bijzondere manoeuvre op een veilige en/of verantwoorde manier kon gaan uitvoeren en/of in elk geval, zonder, hoewel daartoe gehouden, een motorfiets voorrang te verlenen, immers verdachte is, toen hij ter hoogte van de kruising of splitsing van die Koogsingel en de Bergmolen reed, aan de, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, rechterzijde, naar rechts gaan rijden, (gedeeltelijk) die Bergmolen in en/of (daarna) meteen naar links, terug naar de Koogsingel, gaan rijden en daardoor dwars op (de oostelijke rijstrook van) de rijbaan van die Koogsingel terecht gekomen, op een moment dat een op die Koogsingel, richting Bergmolen, rijdende bestuurder van een motorfiets (merk Harley Davidson, kenteken [kenteken] ) zo dicht was genaderd, dat hij een noodremming is gaan uitvoeren, daarbij ten val is gekomen en/of (vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met de linker zijkant van zijn, verdachtes, motorrijtuig, waardoor aan de bestuurder van die motorfiets, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, (te weten een breuk in de rechter bovenarm (bot doormidden gebroken), een verbrijzelde rechter elleboog, een gebroken rechter onderarm en geblokkeerde zenuwen in de rechterhand), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair

hij op of omstreeks 1 april 2014 in de gemeente Purmerend als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Mercedes-Benz, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de Koogsingel, is gekeerd, althans is gaan keren, zonder zich er vooraf in voldoende mate van te hebben vergewist, dat hij deze bijzondere manoeuvre op een veilige en/of verantwoorde manier kon gaan uitvoeren en/of in elk geval, zonder een motorfiets voor te laten gaan, immers verdachte is, toen hij ter hoogte van de kruising of splitsing van die Koogsingel en de Bergmolen reed, aan de, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, rechterzijde, naar rechts gaan rijden, (gedeeltelijk) die Bergmolen in en/of (daarna) meteen naar links, terug naar de Koogsingel, gaan rijden en daardoor dwars op (de oostelijke rijstrook van) de rijbaan van die Koogsingel terecht gekomen, op een moment dat een op die Koogsingel, richting Bergmolen, rijdende bestuurder van een motorfiets (merk Harley Davidson, kenteken [kenteken] ) zo dicht was genaderd, dat hij een noodremming is gaan uitvoeren, daarbij ten val is gekomen en/of (vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met de linker zijkant van zijn, verdachtes, voertuig, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.1.

Bewijs

De rechtbank grondt de beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

3.2.

Bewijsmotivering

Om te komen tot een veroordeling van het primair ten laste gelegde (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW 1994), dient onderzocht te worden of de schuld aan het verkeersongeval kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. De Hoge Raad heeft daarover het volgende overwogen (ECLI:NL:HR:2004:AO5822):

“Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van de schuld in de zin van bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.”

Bij de beoordeling van onderhavige zaak zijn de volgende factoren van belang:

Verdachte heeft geen voorrang verleend aan de voor hem van links komende motorrijder toen hij met zijn personenauto vanuit de Bergmolen weer de Koogsingel op reed. Verdachte had die voorrang wel moeten verlenen. Ter plaatse was een uitritconstructie aangebracht door middel van drempels en afwijkende wegverharding met haaientanden voor het fietspad en voor de weg. Het niet verlenen van voorrang is gebeurd tijdens een bijzondere verrichting, namelijk het keren door verdachte, waarbij extra voorzichtigheid is geboden. De rechtbank acht op grond van de verklaringen van het slachtoffer en getuige [getuige] bewezen dat verdachte in een vloeiende beweging is omgekeerd op de Koogsingel via de uitrit naar de Bergmolen. Gelet op de tijd die met het uitvoeren van deze bijzondere verrichting is gemoeid, had verdachte tijdens deze manoeuvre de motorrijder op enig moment moeten zien en aan hem voorrang moeten verlenen. Het argument dat verdachte de motorrijder niet zou hebben opgemerkt omdat de motorrijder te hard zou hebben gereden, vindt onvoldoende bevestiging in de snelheidsberekening die de afdeling Verkeersondersteuning van de politie heeft verricht. Hieruit blijkt een indicatieve snelheid van de motorrijder van minimaal 49 en maximaal 60 kilometer per uur. Zelfs wanneer de maximumsnelheid ter plaatse door de motorrijder zou zijn overschreden, was dat in ieder geval niet in die mate dat dit zou hebben meegebracht dat verdachte de motorrijder niet heeft kunnen zien. Een mogelijke snelheidsoverschrijding door de motorrijder disculpeert verdachte bovendien niet van zijn verplichting om goed te kijken bij deze bijzondere verrichting waarbij hij aangeeft naar rechts af te slaan en vervolgens weer de voorrangskruising oprijdt.

3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 1 april 2014 in de gemeente Purmerend als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mercedes-Benz, kenteken [kenteken] ), daarmee heeft gereden over de weg, de Koogsingel en zich daarbij zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, om te (gaan) keren, zonder zich er vooraf in voldoende mate van te hebben vergewist, dat hij deze bijzondere manoeuvre op een veilige en verantwoorde manier kon gaan uitvoeren en zonder, hoewel daartoe gehouden, een motorfiets voorrang te verlenen, immers verdachte is, toen hij ter hoogte van de kruising van die Koogsingel en de Bergmolen reed, aan de, gezien zijn, verdachte’s, rijrichting, rechterzijde, naar rechts gaan rijden, (gedeeltelijk) die Bergmolen in en daarna meteen naar links, terug naar de Koogsingel, gaan rijden en daardoor dwars op de oostelijke rijstrook van de rijbaan van die Koogsingel terecht gekomen, op een moment dat een op die Koogsingel, richting Bergmolen, rijdende bestuurder van een motorfiets (merk Harley Davidson, kenteken [kenteken] ) zo dicht was genaderd, dat hij een noodremming is gaan uitvoeren, daarbij ten val is gekomen en vervolgens in botsing is gekomen met de linker zijkant van zijn, verdachte’s, motorrijtuig, waardoor aan de bestuurder van die motorfiets, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in de rechter bovenarm, een verbrijzelde rechter elleboog, een gebroken rechter onderarm en geblokkeerde zenuwen in de rechterhand, werd toegebracht.

Hetgeen aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de hoofdstraf

Bij de beslissing over de hoofdstraf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval. Door het verlaten van de rijbaan om een bijzondere verrichting uit te voeren en het vervolgens weer terugkeren op de rijbaan, zonder daarbij goed te kijken of zich verkeer op die rijbaan bevond en dat verkeer voorrang te verlenen, heeft de motorrijder een noodstop moeten maken, waarbij hij met de motor onderuit is gegaan en tegen de auto van verdachte is gebotst. De motorrijder heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat verdachte zijn fout betreurt, enkele dagen na het ongeluk bij de woning van het slachtoffer heeft geïnformeerd naar diens toestand en dat verdachte direct zijn verzekeringsmaatschappij heeft ingeschakeld in verband met vergoeding van de schade.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 februari 2016, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld.

Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat inmiddels ruim twee jaren zijn verstreken sinds het ongeval plaatsvond en dat het recidiverisico, zoals vermeld in het beknopte reclasseringsadvies van 10 juli 2015, opgesteld door mevrouw [naam] van Reclassering Nederland, als laag wordt ingeschat.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en

artikel 6 en 175 Van de Wegenverkeerswet 1994,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 3.3. bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 90 (negentig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.S. Lamboo, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. J.M. Sassenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.A. van der Meij,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 april 2016.