Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3090

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-02-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
15/184956-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking ex art. 591a Sv

Het verzoek strekt tot toekenning aan verzoeker van een vergoeding van € 8576,65 wegens de gemaakte kosten van een raadsman in de strafzaak. De raadsman heeft hierbij een uurtarief van 300 euro berekend. Gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak - zo zijn er meerdere getuigen gehoord bij de RC en op zitting en is de zaak verwezen naar de MK vanwege de complexiteit - acht de rechtbank het billijk om dit volledige uurtarief toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: RK 15-005476

Parketnummer: 15/184956-14

Uitspraakdatum: 8 februari 2016

Beschikking (art. 591a Sv.)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 7 oktober 2015 is ter griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. H.K. ter Brake, advocaat, ingediend verzoekschrift, gedateerd 24 september 2015, van

[verzoeker] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Het verzoekschrift strekt tot toekenning aan verzoeker van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 8.576,65, wegens de door deze met betrekking tot de strafzaak met bovengenoemd parketnummer gemaakte kosten van een raadsman, alsmede tot vergoeding van de kosten van een raadsman met betrekking tot de indiening en behandeling van het onderhavige verzoekschrift.

Op 25 januari 2016 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld.

Voor verzoeker is verschenen mr. H.K. ter Brake, voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. D. Sarian.

2 Beoordeling

De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door het onherroepelijk worden van het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 03 september 2015, waarbij verzoeker van het hem tenlastegelegde is vrijgesproken.

Het door verzoeker ondertekende verzoekschrift is tijdig ingediend.

Op de voet van het bepaalde in artikel 591a jo artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering kan de gewezen verdachte – indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten van een raadsman.

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt de rechtbank voorop dat de declaratie van de raadslieden niet meer is dan een uitgangspunt, dat door de rechtbank wordt betrokken in haar oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadslieden en zo ja, tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat de rechtbank geenszins gebonden is aan de door de raadslieden gedeclareerde tijd of het door hen gehanteerde uurtarief.

Van de zijde van verzoeker is er op gewezen dat het door de raadsman gehanteerde uurtarief van € 300,00 alleszins billijk is omdat de raadsman gespecialiseerd is in het strafrecht en de strafzaak van een dusdanige complexiteit was, dat verzoeker bijstand van een ervaren strafrechtspecialist behoefde. Het is bovendien het gangbare uurtarief van de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een vergoeding van de kosten van de raadsman voor toewijzing in aanmerking komt, gebaseerd op een uurtarief van

€ 200,00. De zaak was niet van een zodanige complexiteit dat een hoger uurtarief redelijk en billijk moet worden geacht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de bepaling van het uurtarief, hanteert de rechtbank in beginsel een uurtarief van € 200,00, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een ander uurtarief billijken.

De rechtbank heeft acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder betrokken dat in het kader van de behandeling bij de rechtbank meerdere getuigen zijn gehoord ten overstaan van de rechter-commissaris terwijl ook op de terechtzitting nog een getuige is gehoord. Voorts heeft de politierechter de zaak op grond van haar complexiteit ter afdoening verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De rechtbank acht het gelet op het voorgaande dan ook passend dat verzoeker bijstand van een ervaren strafrechtspecialist heeft verzocht, en acht het om die reden billijk om het verzochte uurtarief van € 300,00 toe te kennen.

.

Het verzoek zal dan ook worden ingewilligd op de wijze als hieronder is aangegeven.

3 Beslissing

De rechtbank:

Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 8.576,65 (zegge: achtduizend vijfhonderdzesenzeventig euro en 65 cent ), welk bedrag als volgt is samengesteld:

  • -

    € 8.026,65 wegens de kosten van een raadsman voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak;

  • -

    € 550,00 wegens de kosten van een raadsman voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.

Beveelt de uitbetaling door de griffier van deze rechtbank van de bij deze beschikking aan verzoeker toegekende vergoeding op de bankrekening van verzoekers advocaat, bankrekeningnummer [bankrekening] ten name van mr. dr. H.K. ter Brake te Hoorn, onder vermelding van “schadevergoeding [verzoeker]/om.”

4 Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Beek, rechter,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2016.

Informatie bij deze beschikking

Voor zover er in deze uitspraak een bedrag is toegewezen kan de opdracht tot uitbetaling van dit bedrag pas worden gegeven nadat de beslissing onherroepelijk is geworden. Bijgaande beschikking is op dit moment nog niet onherroepelijk; de officier van justitie heeft 14 dagen de tijd om hoger beroep in te stellen en voor de verzoekende partij is binnen een maand (30 dagen) na betekening van deze uitspraak hoger beroep mogelijk. Genoemde termijnen kunnen worden bekort wanneer ter griffie afstand wordt gedaan van het recht op het instellen van hoger beroep.

U kunt op de volgende wijze ter griffie afstand doen van het recht op het instellen van hoger beroep:

  • -

    (als verzoeker) in persoon bij de informatiebalie van onze rechtbank;

  • -

    (als advocaat) in persoon bij de informatiebalie van onze rechtbank, indien u verklaart daartoe door verzoeker te zijn gevolmachtigd;

  • -

    (in het geval dat noch verzoeker noch de advocaat in de gelegenheid is om in persoon bij de informatiebalie afstand te doen) door aan een medewerker van de strafgriffie daartoe een schriftelijke bijzondere volmacht te verlenen.