Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3089

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
15/800268-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Raadkamer
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking ex art. 7 Wet DNA

Vonnis nog niet onherroepelijk ivm appel door veroordeelde, maar dit staat niet in de weg aan toepassing van de Wet DNA. Ook geen sprake van een uitzonderingssituatie, en daarom verklaart de rechtbank het bezwaarschrift ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/6.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: RK 16-000507

Parketnummer: 15/800268-15

Uitspraakdatum: 29 februari 2016

Beschikking (art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 26 januari 2016 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. N. Hendriksen ingediend bezwaarschrift, gedateerd 26 januari 2016 van

[veroordeelde] , veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

domicilie kiezende te (1441 GV) Purmerend, Schoolplein 2, ten kantore van

mr. N. Hendriksen, advocaat,

Het bezwaarschrift is gericht tegen het nader bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, ten behoeve waarvan op bevel van de officier van justitie te Haarlem van 17 november 2015 op 13 januari 2016 bij veroordeelde celmateriaal is afgenomen.

Op 15 februari 2016 is dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld.

Voor veroordeelde is verschenen mr. N. Hendriksen, voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. W. Halsema.

2 Standpunten

Het standpunt van veroordeelde komt er - zakelijk weergegeven - op neer, dat - gelet op de aard van de verdenking - niet valt in te zien op welke wijze het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van betekenis kan zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van bezwaarde. De veroordeling in eerste aanleg ziet op feiten die niet 'sporen'-gerelateerd zijn.

Voorts meent de verdediging dat gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.

Bezwaarde is veroordeeld voor diefstal met geweld. Bezwaarde kan zich met dit vonnis van de rechtbank niet verenigen nu hij stelt onschuldig te zijn. De meervoudige kamer oordeelde dat bezwaarde betrokken was bij de diefstal van de telefoon van aangever [aangever] , nu hij daarbij aanwezig was en niet ingegrepen heeft. Verder zijn what’s-appberichten voor het bewijs gebezigd waaruit zou blijken dat bezwaarde achteraf met zijn medeverdachte gesproken heeft over de telefoon. Bezwaarde betwist derhalve de gang van zaken en stelt dat hij niet degene is geweest die de telefoon van aangever heeft gepakt.

De verdediging meent in ieder geval dat de specifieke omstandigheden van het geval, waarbij bezwaarde zich hooguit niet heeft gedistantieerd van de belaging door zijn medeverdachten, niet de afname van DNA-materiaal rechtvaardigen. In het geval van bezwaarde zal dat gelet op voornoemde omstandigheden niet van betekenis kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde

Het standpunt van de officier van justitie luidt, zakelijk weergegeven, dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard. Een onherroepelijke veroordeling is niet vereist. Er is geen sprake van een uitzonderingssituatie. Gelet op de aard van het ten laste van veroordeelde bewezen verklaarde feit kan het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van betekenis zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.

3 Beoordeling

Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA materiaal van 17 november 2015 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet), waarbij als grondslag heeft gediend de veroordeling van [veroordeelde] , voornoemd op 19 oktober 2015 door deze rechtbank ter zake van onder meer artikel 312 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Veroordeelde heeft op 13 januari 2016 middels afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek.

Het bezwaarschrift dat veroordeelde heeft ingediend tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel is tijdig ingediend.

Ingevolge artikel 8 EVRM heeft belanghebbende het (grond)wettelijke recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat alleen dan inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam kan worden gemaakt, indien zulks bij of krachtens wet is voorzien. Nu artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek voorziet, is er geen sprake van schending van artikel 8 EVRM.

In op 13 mei 2008 gewezen arresten stelt de Hoge Raad voorop dat tekst, alsmede doel en strekking van de Wet als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich één van de in het eerste lid genoemde - en beperkt uit te leggen - uitzonderingen voordoet.

In genoemde Wet wordt verstaan onder veroordeelde: een persoon die al dan niet onherroepelijk is veroordeeld tot een straf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, onderdeel 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Voor een generieke uitzondering voor minderjarigen bestaat geen ruimte. Zodanige generieke uitzondering kan ook niet aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind worden ontleend.

De in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet genoemde uitzondering doet zich niet voor, nu niet gebleken is dat reeds een DNA-profiel van veroordeelde is verwerkt.

De rechtbank dient derhalve, op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet, te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Ten aanzien van deze uitzonderingsgrond geldt, dat in de aard van het ten laste van veroordeelde bewezen verklaarde misdrijf van artikel 312, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, noch in de omstandigheden waaronder dat misdrijf is gepleegd, grond kan worden gevonden om te concluderen dat DNA-onderzoek niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Ook wat betreft de aard van het misdrijf is van een uitzonderingsituatie derhalve geen sprake.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 19 oktober 2015 aan veroordeelde naast een (forse) taakstraf een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 maanden opgelegd met een proeftijd van 2 jaren en daarbij bepaald dat aan de voorwaardelijke straf onder meer de voorwaarde wordt verbonden dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet opnieuw aan een strafbaar feit zal schuldig maken.

Uit de zwaarte van de opgelegde straf noch uit de motivering van de strafmaat leidt de rechtbank af dat veroordeelde een zeer beperkte rol zou hebben gehad. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat – gelet op de opgelegde straf en het over veroordeelde uitgebrachte voorlichtingsrapport van 17 september 2015 van Reclassering Nederland – niet zonder meer gesteld kan worden dat het onderhavige feit een incident is geweest. Dat de verdediging het niet eens is met het vonnis van de rechtbank, doet hieraan niet af. Een onherroepelijke veroordeling is immers geen vereiste.

Nu een afweging van de persoonlijke belangen van de veroordeelde enerzijds en het algemeen maatschappelijk belang anderzijds, blijkens de arresten van de Hoge Raad, bij de beoordeling niet aan de orde is, dient met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

4
4. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

5 Samenstelling enkelvoudige kamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door:

mr. J. van Beek, rechter,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2016.