Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:3038

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
15/800477-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Promis. Diefstal in vereniging met braak. Salduz-verweer slaagt, bewijsuitsluiting volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800477-15 (P)

Uitspraakdatum: 14 april 2016

Tegenspraak (art. 279 Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 maart 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A.M.H.G. Peters, en van wat door de raadsman van verdachte, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 19 oktober 2015 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een Bruna filiaal gelegen aan de [adres 2] ) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid sigaretten/rookwaar en/of (andere) goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (winkel) Bruna, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen sigaretten/rookwaar en/of (andere) goed(eren) van zijn/hun gading onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

Feit 2:

Primair

hij op of omstreeks 14 oktober 2015 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een filiaal van Compaenen tabacconist Franzen, gelegen aan de [adres 3] ) heeft weggenomen sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Compaenen tabacconist Franzen en/of [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen sigaretten onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2015 tot en met 19 oktober 2015 te Purmerend, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, sigaretten (merk Mohawk) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde sigaretten wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van beide feiten dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman, onder verwijzing naar rechtspraak, betoogd dat de rol van verdachte zo gering is dat geen sprake is van medeplegen, maar slechts van medeplichtigheid. Dit is echter niet ten laste gelegd, aldus de raadsman.

3.3

Vrijspraak van feit 2

Ten aanzien van het primaire feit

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiaire feit

Salduz-verweer

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de bekennende verklaring van verdachte bij de politie niet als bewijs kan dienen. Volgens de raadsman is verdachte in zijn eerste verhoor alleen over het eerste feit verhoord en heeft slechts in dit kader overleg met zijn raadsman plaatsgevonden. Nadien vond het tweede verhoor plaats, waarin is overgegaan op een ondervraging over het tweede feit. Verdachte was toen echter niet bekend met een verdenking voor dat feit. Hij is op dat moment niet op zijn consultatierecht gewezen en heeft over dit feit ook niet kunnen overleggen met zijn raadsman. Onder die omstandigheid heeft verdachte vervolgens bekennend verklaard. Er is dan ook sprake van een onherstelbaar vormverzuim waarop bewijsuitsluiting dient te volgen, aldus de raadsman.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het consultatierecht van verdachte niet is geschonden. Volgens de officier van justitie volgt uit pagina 73 van het dossier dat het tweede feit al in het eerste politieverhoor is aangestipt. Vervolgens is er overleg geweest met de raadsman, zodat verdachte zijn raadsman toen ook over het tweede feit heeft kunnen raadplegen. Van een vormverzuim is daarom geen sprake en de gehele verklaring van verdachte kan voor het bewijs worden gebezigd, aldus de officier van justitie.

De rechtbank stelt voorop dat een aangehouden verdachte, behoudens uitzonderingen, in de gelegenheid moet worden gesteld om voorafgaand aan het eerste politieverhoor een advocaat te raadplegen. Indien dat niet gebeurt, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv, dat – na een daartoe strekkend verweer – onder omstandigheden dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.

Vast is komen te staan dat verdachte op 19 oktober 2015 is aangehouden wegens verdenking van het onder 1 ten laste gelegde feit, de inbraak op 19 oktober 2015. Voorts is gebleken dat verdachte vóór het eerste politieverhoor is gewezen op zijn consultatierecht, waarvan hij op dat moment nog geen gebruik heeft willen maken. Eerst na dat verhoor heeft verdachte alsnog met zijn raadsman gesproken. De raadsman heeft ter terechtzitting verklaard dat die consultatie slechts betrekking had op feit 1 en zich niet ook heeft uitgestrekt tot feit 2.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet gebleken van omstandigheden die maken dat de consultatie op dat moment tevens betrekking had kunnen en moeten hebben op het tweede feit, waarvoor verdachte niet was aangehouden. Uit het dossier (pagina’s 72 en 73) volgt immers dat in het eerste verhoor slechts in algemene zin naar “vergelijkbare feiten” is gevraagd. Op dat moment had verdachte noch zijn raadsman er op bedacht hoeven zijn dat een nieuwe verdenking zou rijzen. Verdachte wist toen immers (nog) niet dat in zijn auto (mogelijk) van diefstal afkomstige sigaretten (verdenking feit 2) zouden worden aangetroffen. Pas in het tweede verhoor – na het overleg met zijn raadsman – is verdachte hiermee geconfronteerd. Dit brengt mee dat aan verdachte, voorafgaand aan de ondervraging op dit punt in het tweede verhoor, gelegenheid had moeten krijgen zijn raadsman over het tweede feit te consulteren.
Nu dit niet is gebeurd, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. De verklaring van verdachte met betrekking tot dit feit zal daarom niet voor het bewijs worden gebezigd.

Het dossier bevat overigens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor hetgeen verdachte onder 2 subsidiair is ten laste gelegd, zodat verdachte ook daarvan zal worden vrijgesproken.

3.4

Oordeel van de rechtbank

I. Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 19 oktober 2015 omstreeks 03:15 uur hoort [getuige] een klap. Zij gaat naar het terras naast de slaapkamer, vanaf waar zij zicht heeft over de hele Hoogstraat. [getuige] ziet vier mannen dicht op elkaar staan voor de Bruna. Een man slaat met een voorhamer tegen de deur van de Bruna. Nadat [getuige] binnen een telefoon had gepakt om de politie te bellen, ziet zij buiten nog maar één jongen staan met de hamer in zijn hand, die druk om zich heen kijkt. Vervolgens komen de mannen door de deur naar buiten. De mannen zijn enkele minuten binnen geweest. In de [straat] staan twee scooters zonder kentekenplaten, met draaiende motoren. De jongens springen op de scooters en rijden weg in de richting van de [straat] , met op elke scooter twee personen.2

[getuige 2] verklaart dat hij op 19 oktober 2015 omstreeks 03:25 uur zijn woning aan de [adres 4] te Purmerend heeft verlaten. Hij hoort vervolgens een brommer en ziet dat deze stilstaat bij de boxeningang van de tweede flat aan de [adres 4] . De persoon die achterop zit, heeft een witte tas in zijn hand.3 Vervolgens spreekt [getuige 2] [verbalisant] aan, die een onderzoek heeft ingesteld in de Rivierenbuurt te Purmerend naar aanleiding van een melding van een inbraak bij Bruna. [verbalisant] begeeft zich naar aanleiding van hetgeen [getuige 2] hem vertelt naar de door [getuige 2] aangeduide flat. Hij kijkt door het glas van de deur van de boxengang en ziet dat op de vloer van de boxengang een nat bandenspoor van mogelijk een scooter loopt. Het bandenspoor loopt tot achterin de gang. Op het moment dat [verbalisant] de boxenging in loopt, ruikt hij direct de penetrante geur van benzine die mogelijk afkomstig zou kunnen zijn van een scooter die kort geleden door de gang was gereden. Het natte bandenspoor stopt bij de boxdeur van [box] van de [adres 4] . De deur van [box] is vervolgens geforceerd. [verbalisant] ziet een viertal personen in de box staan. Tevens ziet hij twee donkerkleurige scooters staan zonder kentekenplaten. Op de grond ligt een voorhamer. In het midden van de box staat een grote, lichtkleurige tas die bijna geheel is gevuld met pakjes sigaretten.4 Verder worden in de box onder meer bivakmutsen, zwarte jassen en broeken, een breekijzer, meerdere handschoenen en schoenen aangetroffen.5

Op 19 oktober 2015 doet [aangeefster] , werkzaam bij Bruna gevestigd aan de [adres 2] te Purmerend, aangifte. Zij verklaart dat de ruit van de rechtervoordeur van de winkel eruit is geslagen, waarna personen de winkel zijn binnengegaan. De meest populaire merken zijn weggenomen, te weten Marlboro, L&M en Camel.6 Het is een feit van algemene bekendheid dat dit sigarettenmerken betreffen. [verbalisant 2] ziet dat de sigarettenbalie van Bruna flink overhoop is gehaald. Meerdere verpakkingen sigaretten liggen op de grond.7

Bruna heeft camerabeelden ter beschikking gesteld, welke 51 minuten achterlopen op de werkelijke tijd. Omstreeks 03:20:51 uur komt een brommer met daarop twee personen aanrijden. Twee seconden later komt een tweede brommer aanrijden met daarop ook twee personen. De brommers worden geparkeerd tegenover Bruna. Om 03:21:06 uur begint één van de personen met een lange hamer met kracht tegen één van de ruiten van de toegangsdeur te slaan. De ruit gaat hiervan stuk. Hij slaat in totaal vijftien maal tegen de ruit. Vervolgens begint een tweede personen met zijn rechtervoet tegen de gedeeltelijk vernielde ruit te schoppen. Om 03:21:15 uur komen twee personen met ieder een tas in hun handen erbij staan. Een van hen begint te schoppen tegen de gedeeltelijk vernielde ruit van de toegangsdeur. Omstreeks 03:21:28 uur gaan drie personen achtereenvolgens de winkel binnen, één van hen met een tas in zijn handen. Er staat één persoon buiten op de Hoogstraat voor Bruna. Hij loopt heen en weer met een hamer in zijn handen. Omstreeks 03:22:34 uur rennen twee personen naar buiten, gevolgd door de derde persoon. Vervolgens vertrekken de twee brommers in de richting van de [straat] te Purmerend.8

Verdachte heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij de inbraak bij Bruna te Purmerend. Hij heeft drie jongens vanuit Amsterdam naar Purmerend gebracht met zijn auto. Dit zijn dezelfde jongens als met wie hij is aangehouden in de box. Verdachte wist dat zij een inbraak wilden gaan plegen.9 Later is ter sprake gekomen dat de inbraak bij Bruna zou gaan plaatsvinden. De vier personen zijn op twee scooters naar Bruna gereden, waarbij verdachte achterop één van de scooters zat. Toen zij eenmaal bij Bruna waren aangekomen, sloeg één van die jongens met een grote hamer tegen het raam. Er moest een paar keer geslagen worden. Het raam ging kapot en ze waren gelijk binnen. Verdachte bleef buiten wachten met de voorhamer in zijn handen. Toen de jongens weer naar buiten kwamen met twee tassen, kreeg verdachte een tas in zijn handen, welke hij moest vasthouden. In de box is uiteindelijk de inhoud van beide tassen in één tas gedaan. De tassen waren gevuld met verschillende soorten sigaretten.10

II. Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat de rol van verdachte niet dusdanig gering is dat slechts sprake is van medeplichtigheid, zoals de verdediging heeft betoogd, en niet van medeplegen.

Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Daarvoor is niet vereist dat de van medeplegen verdachte persoon zelf uitvoeringshandelingen verricht. Ook een andere rol van die persoon kan leiden tot de conclusie dat deze een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de in de box met hem aangehouden personen (hierna: medeverdachten) een inbraak wilden gaan plegen bij Bruna in Purmerend. Met die wetenschap heeft hij – als enige in bezit van een auto – hen met zijn auto naar Purmerend gebracht. Verdachte en medeverdachten zijn vervolgens naar [box] gegaan, waarvan een medeverdachte de sleutel heeft opgehaald. Verdachte heeft zich in de box omgekleed en is vervolgens met medeverdachten op twee scooters naar Bruna gereden. Medeverdachten zijn, nadat de ruit van de toegangsdeur met een voorhamer is ingeslagen, de winkel binnengegaan. Verdachte is toen buiten blijven staan met de voorhamer in zijn handen. Getuige [getuige] verklaart dat de persoon die buiten bleef staan, druk om zich heen keek, hetgeen wordt ondersteund door de beschikbare camerabeelden. De rechtbank verbindt aan de uiterlijke gedragingen van verdachte de conclusie dat hij buiten op de uitkijk heeft gestaan. Nadat medeverdachten met gevulde tassen Bruna uitkomen, heeft verdachte één van de tassen (de buit) meegenomen. Vervolgens is hij met medeverdachten op de scooters naar de garagebox teruggereden, waar zij zich stil hebben gehouden voor de politie. Niet is gebleken dat verdachte zich op enig moment heeft gedistantieerd van de gedragingen van zijn medeverdachten.

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte nauw en bewust met zijn medeverdachten heeft samengewerkt, zodat het medeplegen van het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.

3.5

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij op 19 oktober 2015 te Purmerend, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een Bruna filiaal gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een grote hoeveelheid sigaretten toebehorende aan (winkel) Bruna, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 200 uur, waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht, indien zij tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten komt, rekening te houden met de LOVS-oriëntatiepunten. Voor een inbraak in een bedrijfspand is als oriëntatiepunt voor een first offender opgenomen een taakstraf voor de duur van 120 uur.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 19 oktober 2015 tezamen en in vereniging met anderen een inbraak in een winkel van Bruna gepleegd, waarbij met aanzienlijk geweld een ruit van de voordeur is ingeslagen en een grote hoeveelheid sigaretten is buitgemaakt. Verdachte en zijn mededaders hebben hiermee geen respect getoond voor andermans eigendommen en hebben bovendien materiële schade en overlast veroorzaakt voor de gedupeerden. Omwonenden zijn ongewild getuige geweest van dit nachtelijk geweld bij de inbraak.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn jeugdige leeftijd en op het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 11 maart 2016, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor enig vermogensdelict is veroordeeld.


De door de verdediging aangehaalde LOVS-oriëntatiepunten zijn tot uitgangspunt genomen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 1 bewezen verklaarde feit de hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 120 (honderdtwintig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. C.A.J. van Yperen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.A. Spoelstra,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 april 2016.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 21 oktober 2015 (dossierpagina’s 191 t/m 193).

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige H.J. [getuige 2] d.d. 19 oktober 2015 (dossierpagina 188).

4 Proces-verbaal van bevindingen opgesteld door [verbalisant] d.d. 20 oktober 2015 (dossierpagina 148).

5 Proces-verbaal van bevindingen opgesteld door [verbalisanten] d.d. 19 oktober 2015 (dossierpagina 150).

6 Proces-verbaal van aangifte gedaan door [aangeefster] , namens Bruna, met fotobijlagen d.d. 19 oktober 2015 (dossierpagina 138).).

7 Proces-verbaal van bevindingen opgesteld door [verbalisant 2] d.d. 19 oktober 2015 (dossierpagina 152)

8 Proces-verbaal Camera-beelden Bruna d.d. 20 oktober 2015 (dossierpagina’s 161 t/m 168).

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 19 oktober 2015 (dossierpagina’s 60 t/m 63).

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 19 oktober 2015 (dossierpagina’s 64, 68, 69 en 71).