Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2892

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
4789159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz. Ontbindende voorwaarde arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1355
Prg. 2016/156
RAR 2016/125
AR-Updates.nl 2016-0524
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 4789159 \ OA VERZ 16-23 (PA)

Uitspraakdatum: 19 april 2016

Beschikking in de zaak van:

[naam] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [de werknemer]

gemachtigde: mr. F.C. Verploegen

tegen

de besloten vennootschap BNI Installaties B.V.,

gevestigd te Alkmaar

verwerende partij

verder te noemen: BNI Installaties

gemachtigde: mr. A.C. Siemons

1 Het procesverloop

1.1.

[de werknemer] heeft een verzoek gedaan, primair om de opzegging van de arbeidsovereenkomst door BNI Installaties te vernietigen, en subsidiair om ten laste van BNI Installaties een billijke vergoeding toe te kennen. BNI Installaties heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 22 maart 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft BNI Installaties bij brief van 1 maart 2016 nog een stuk toegezonden.

2 De feiten

2.1.

BNI Installaties is een elektrotechnisch installatiebedrijf.

2.2.

[de werknemer] , geboren [datum] , is op 17 november 2014 in dienst getreden bij BNI Installaties in de functie van leerling monteur, met een maandsalaris van € 1.824,00 bruto.

2.2.

In de arbeidsovereenkomst staat, voor zover relevant, het volgende:

Artikel 2
De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd te weten 17 november 2014 t/m 16 mei 2015. Het dienstverband eindigt na afloop van de overeengekomen periode, zonder dat voorafgaande opzegging nodig is. Aan dit contract is onlosmakelijk een leerovereenkomst van toepassing. Bij het beëindigen van de leerovereenkomst vervalt ook dit contract.

2.3.

Op 24 november 2014 heeft [de werknemer] een Praktijkovereenkomst beroepsbegeleidende leerweg (hierna: de leerovereenkomst) met het Horizon College, Stichting ROC Noord-Kennemerland /West-Friesland te Alkmaar (hierna: het ROC) als onderwijsinstelling en BNI Installaties als praktijk biedende organisatie gesloten voor de opleiding Installeren (monteur elektrotechnische installaties).

2.4.

BNI Installaties heeft het cursusgeld voor het ROC betaald alsmede de kosten voor de aanschaf van de boeken.

2.5.

Op 14 november 2014 zijn partijen een Persoonlijk Ontwikkelingsprogramma (hierna: POP) overeengekomen. In de POP staat, voor zover relevant, het volgende:

Betreffende medewerker gaat zich inzetten om te komen tot eerste monteur elektrotechniek. Inmiddels is gestart met de opleiding tot monteur. Hierbij zijn de volgende afspraken gemaakt:

Stap

Opleiding elektrotechniek

Behaalde score

Verhoging

Streefdatum

1

Monteur

Minimaal 50%

+€ 50,00

Juli 2015

2

Monteur

Diploma

+€ 150,00

November 2015

3

Eerste monteur

Minimaal 50%

+€ 250,00

November 2016

4

Eerste monteur

Diploma

+€ 350,00

November 2017

Hierbij is de verhoging de verhoging die staat t.o.v. het contractueel vastgelegde salaris exclusief cao verhogingen. Met andere woorden: een toekomstige cao verhoging komt bovenop de genoemde aanpassingen. (…)

2.6.

Op 3 mei 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [x] , directeur van BNI Installaties (hierna: [X] ) en [de werknemer] , waarbij [de werknemer] heeft aangegeven dat hij moeite had met de studie.

2.7.

De arbeidsovereenkomst van [de werknemer] is in juni 2015 en in november 2015 stilzwijgend verlengd.

2.8.

Op 8 oktober 2015 heeft het ROC [de werknemer] uitgeschreven van de opleiding.

2.9.

Op 4 november 2015 heeft [de werknemer] zich ziek gemeld vanwege letsel aan zijn schouder. [de werknemer] heeft beperkingen ten aanzien van heffen en hij heeft krachtverlies.

2.10.

Bij e-mail van 25 november heeft [X] [de werknemer] onder meer het volgende bericht:

Ik zat in je dossier na te kijken en ik mis daarin nog je leerovereenkomst met het ROC. Zou je die nog naar me kunnen mailen? Daarnaast is het voor jou van belang wat je in de toekomst wilt. Voor kantoorwerk heb je minimaal niveau 4 nodig en ik heb eerlijk gezegd geen idee hoever je er nu voor staat met je studie.

2.11.

Bij e-mail van 27 november 2015 heeft [X] aan [de werknemer] onder meer het volgende geschreven:

Dat is vervelend, wat ik wil maandag afspraken met je maken over onze toekomst.
1) Van belang is te weten hoe je er op school voorstaat.
2) Hoe jij jouw toekomst ziet. (werk, opleiding enz.)
3. Of BNI er een invulling aan kan geven.

Graag zie ik je maandag om 13.00 op kantoor.

Waarop [de werknemer] het volgende heeft geschreven:

Prima ik zie je maandag.

2.12.

Op 30 november 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [X] en [de werknemer] .

2.13.

Bij brief van 30 november 2015 heeft BNI Installaties de arbeidsovereenkomst per direct beëindigd. In de brief staat, voor zover relevant, het volgende:

Zoals reeds besproken bevestigen wij u hierbij dat uw arbeidsovereenkomst per direct van rechtswege is beëindigd. In onze arbeidsovereenkomst hadden wij vastgelegd dat deze overeenkomst onlosmakelijk verbonden was met een leerovereenkomst. Heden kreeg ik van u te horen dat u gestopt bent met uw studie ondanks uw enorme inspanning en ondanks de hulp van alle mogelijke partijen en buiten uw werkomgeving gewoonweg niet in staat bent om de benodigde theoretische kennis aan te leren.

Ondanks uw zeer grote inzet op de werkvloer zie ik daarmee toch geen mogelijkheden binnen ons bedrijf om met u verder te gaan. Uit coulance zullen wij u het salaris over december nog uitbetalen.

3 Het verzoek

3.1.

[de werknemer] verzoekt de kantonrechter primair de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en BNI Installaties te veroordelen tot betaling van loon, vakantiegeld en alle overige emolumenten vanaf 1 januari 2016 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt [de werknemer] veroordeling van BNI Installaties tot overlegging van een deugdelijke specificatie en wedertewerkstelling. Aan dit verzoek legt [de werknemer] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging. In dat kader heeft [de werknemer] aangevoerd dat geen sprake is van een geldige ontbindende voorwaarde. [de werknemer] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst na het stopzetten van de studie niet inhoudsloos is geworden. BNI Installaties heeft de arbeidsovereenkomst met ingang van 17 november 2015 met een half jaar verlengd, terwijl [de werknemer] zijn studie reeds maanden heeft beëindigd en BNI Installaties daarvan op de hoogte was. Ook zijn er andere werknemers bij BNI Installaties die geen diploma bezitten en evenmin met een opleiding bezig zijn. Voor zover er wel sprake is van een rechtsgeldige ontbindende voorwaarde handelt BNI Installaties in strijd met de redelijkheid en billijkheid door in de situatie dat [de werknemer] arbeidsongeschikt is daarop een beroep te doen.

3.2.

[de werknemer] heeft subsidiair, voor zover de vordering tot vernietiging van het ontslag niet toegewezen kan worden, een verzoek gedaan om ten laste van BNI Installaties een billijke vergoeding toe te kennen op grond van artikel 7:681 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) . Volgens [de werknemer] moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging en het ontslag dus in strijd is met artikel 7:671 BW. Deze billijke vergoeding moet tenminste gelijk zijn aan het loon en emolumenten vanaf 1 januari 2016 tot 16 mei 2016, zijnde het moment waarop de arbeidsovereenkomst van rechtswege zal eindigen.

4 Het verweer

4.1.

BNI Installaties verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan – samengevat – dat het volgen van een opleiding een voorwaarde was voor het voortduren van de arbeidsovereenkomst. Primair stelt BNI Installaties dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en [de werknemer] voor bepaalde tijd was, met twee bepalingen omtrent de bepaalde duur ervan: een tijdvak van zes maanden en de duur van de opleiding. Nu de opleiding is geëindigd, eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege. Subsidiair stelt BNI Installaties dat er sprake is van een geldige ontbindende voorwaarde. BNI Installaties heeft geen regulier werk voor ongediplomeerde werknemers. BNI Installaties stelt verder dat zij pas op 30 november 2015 op de hoogte is geraakt van het feit dat [de werknemer] was gestopt met de opleiding.

5 De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is in geschil of de arbeidsovereenkomst op 30 november 2015 van rechtswege is geëindigd.

5.2.

In artikel 2 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt indien de leerovereenkomst wordt beëindigd. Deze bepaling maakt de duur van de arbeidsovereenkomst afhankelijk van een onzekere gebeurtenis, het beëindigen van de leerovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat deze bepaling als een ontbindende voorwaarde moet worden gezien en niet enkel als een bepaling omtrent de duur van de arbeidsovereenkomst, zoals BNI Installaties primair heeft betoogd. Een dergelijke voorwaarde is in beginsel rechtsgeldig, aangezien de vervulling ervan niet door de werkgever is te beïnvloeden.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor een geslaagd beroep op een ontbindende voorwaarde vereist dat de vervulling ervan niet door de werkgever in de hand is gewerkt, dat het beroep op de voorwaarde redelijkerwijs verenigbaar is met het gesloten stelsel van ontslagrecht en dat de vervulling van de voorwaarde niet teveel verbonden is aan de subjectieve waardering door de werkgever.

5.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter is van het stoppen met de opleiding in de zin van artikel 2 van de arbeidsovereenkomst pas sprake wanneer de leerling definitief stopt met de opleiding, of omdat hij daartoe zelf besluit of omdat de school hem uitsluit van de opleiding. Tussen partijen is niet in geschil dat [de werknemer] zelf heeft besloten te stoppen met de opleiding, dat hij zich in de zomer van 2015 bij het ROC heeft afgemeld en dat [de werknemer] op 8 oktober 2015 daadwerkelijk door het ROC is uitgeschreven. Evenmin is in geschil dat het besluit van [de werknemer] om te stoppen met zijn opleiding geen verband houdt met zijn ziekte. Immers [de werknemer] heeft zich pas op 4 november 2015 ziek gemeld bij BNI Installaties en dus geruime tijd na uitschrijving van de opleiding. Dit betekent dat [de werknemer] met de opleiding is gestopt in de hiervoor onder 5.3 aangegeven zin.

5.5.

[de werknemer] heeft in aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst na het stopzetten van de opleiding niet inhoudsloos is geworden, hetgeen door BNI Installaties is betwist. BNI Installaties heeft gemotiveerd uiteengezet dat geen ongediplomeerde monteurs bij haar werkzaam zijn, behalve de monteurs die een opleiding volgen. [de werknemer] heeft daartegenover gesteld dat de heer [A] zonder diploma werkt. BNI Installaties heeft ter zitting gemotiveerd toegelicht dat [A] zijn opleiding met toestemming van de werkgever wegens privéomstandigheden enige tijd heeft onderbroken, maar dat hij inmiddels zijn opleiding weer heeft opgepakt. Gelet hierop heeft BNI Installaties voldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen ongediplomeerde monteurs in dienst heeft. De enkele stelling van [de werknemer] dat niet tegen hem is gezegd dat de opleiding van [A] tijdelijk is stopgezet, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er ook werknemers zonder diploma werkzaam zijn bij BNI Installaties.

5.6.

Vast staat dat het gesprek op 30 november 2015 ten doel had de re-integratiemogelijkheden van [de werknemer] te onderzoeken. Immers vanwege letsel aan zijn schouder had [de werknemer] beperkingen ten aanzien van heffen en had hij krachtverlies. BNI Installaties heeft in dat kader gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van [de werknemer] omdat kantoormedewerkers niveau 4 dienen te bezitten, aangezien BNI Installaties stelt dat voor het kunnen opstellen van offertes en het plaatsen van bestellingen een zeker kennisniveau noodzakelijk is. [de werknemer] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dit leidt ertoe dat nu [de werknemer] is gestopt met de opleiding, BNI Installaties voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen mogelijkheden had [de werknemer] elders te werk te stellen. Immers monteurswerkzaamheden kon [de werknemer] niet verrichten vanwege letsel aan zijn schouder en kantoorwerkzaamheden kon [de werknemer] niet doen vanwege onvoldoende kennis. De kantonrechter is daarom van oordeel dat door het beëindigen van de opleiding de mogelijkheid om werkzaamheden te verrichten bij BNI Installaties is komen te vervallen en dat daarmee de arbeidsovereenkomst inhoudsloos is geworden.

5.7.

Aan de stelling van [de werknemer] dat BNI Installaties in ieder geval vanaf begin mei 2015 op de hoogte was van het feit dat hij gestopt was met de opleiding, gaat de kantonrechter voorbij. Naar het oordeel van de kantonrechter valt uit de overgelegde correspondentie af te leiden dat BNI Installaties daarvan tot aan het gesprek van 30 november 2015 niet op de hoogte was. Immers, bij WhatsApp van 15 juni 2015 heeft BNI Installaties nog gevraagd naar de scores van de opleiding van [de werknemer] . Ook bij e-mail van 25 november 2015 heeft BNI Installaties aangegeven dat het voor haar van belang is te weten hoe ver [de werknemer] is met zijn studie. Niet valt in te zien waarom BNI Installaties vraagt naar de opleiding van [de werknemer] als zij er reeds van op de hoogte zou zijn geweest dat [de werknemer] was gestopt met de opleiding. Uit niets blijkt dat [de werknemer] op vragen van BNI Installaties ter zake zijn opleiding heeft gereageerd door te zeggen dat hij al in de zomer van 2015 was gestopt en dat BNI Installaties hiervan op de hoogte was of kon zijn.

Dat een gesprek in maart 2015 heeft plaatsgevonden waarbij [de werknemer] heeft gezegd dat hij ging stoppen met de opleiding is betwist door BNI Installaties. BNI Installaties erkent dat op 3 mei 2015 een gesprek heeft plaatsgevonden, maar zij stelt dat [de werknemer] toen alleen kenbaar heeft gemaakt dat hij de opleiding lastig vond, waarop [X] heeft gezegd dat [de werknemer] moest doorzetten. BNI Installaties heeft ter onderbouwing een verklaring van de heer [b] (hierna: [B] ) overgelegd. [B] verklaart dat [de werknemer] heeft gezegd dat hij overwoog te stoppen met zijn opleiding en dat [X] aangaf dat hij door moest bijten en niet meteen moest afhaken. Desgevraagd heeft [de werknemer] ter zitting aangegeven dat hij tijdens het gesprek op 3 mei 2015 tegen [X] heeft gezegd dat hij wilde stoppen of ging stoppen met school. Ook geeft [de werknemer] aan dat hij dit wellicht anders had moeten formuleren. Het feit dat [de werknemer] op genoemde datum meldt dat hij wil of gaat stoppen met zijn opleiding, betekent immers nog niet dat hij op dat moment reeds was gestopt. Gesteld noch gebleken is dat [de werknemer] naderhand op enigerlei wijze, schriftelijk dan wel mondeling, BNI Installaties heeft geïnformeerd over het beëindigen van de opleiding bij het ROC. In het licht van het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast komen te staan dat BNI Installaties pas op 30 november 2015 op de hoogte is geraakt dat [de werknemer] was gestopt met zijn opleiding.

5.8.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen komt de kantonrechter tot het oordeel dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst op grond van artikel 2 van die overeenkomst van rechtswege is geëindigd op 30 november 2015. Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van [de werknemer] de opzegging van de arbeidsovereenkomst door BNI Installaties kan vernietigen, indien BNI Installaties heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat sprake is van een einde van rechtswege, zal het verzoek van [de werknemer] om vernietiging van die opzegging worden afgewezen. Er is immers geen sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er ook geen grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW. Nu BNI Installaties het loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst heeft voldaan, dienen de overige verzoeken van [de werknemer] eveneens te worden afgewezen. Op grond van het voorgaande zal ook de subsidiair gevorderde billijke vergoeding worden afgewezen.

5.9.

De proceskosten komen voor rekening van [de werknemer] , omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de verzoeken af;

6.2.

veroordeelt [de werknemer] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van BNI Installaties tot en met vandaag vaststelt op € 400,00 voor salaris gemachtigde;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. M. Hoendervoogt, kantonrechter en op 19 april 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter