Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2841

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
4686611 WM VERZ 15-1742
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De gemachtigde van betrokkene wil betogen dat er sprake is van ‘undue delay’, omdat de officier van justitie de in artikel 11, eerste lid, WAHV gestelde termijn niet in acht heeft genomen. De kantonrechter verbindt geen gevolgen aan de vastgestelde termijnoverschrijding. Wel bepaalt de kantonrechter dat de officier van justitie een dwangsom aan betrokkene verschuldigd is, omdat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist op het administratief beroep.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Alkmaar

Zaaknr.: 4683611 \ WM VERZ 15-1742 DG

CJIB-nummer: 178474619

Uitspraakdatum: 30 maart 2016

Beslissing op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)

in de zaak van:

naam [naam]

adres [adres]

woonplaats [woonplaats]

gemachtigde [x]

hierna te noemen betrokkene.

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld ter zitting van 18 maart 2016. Ter zitting is verschenen: de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie. De gemachtigde is namens de betrokkene verschenen en heeft zijn zienswijze toegelicht.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd luidt – kort omschreven – als volgt: overschrijding maximum snelheid binnen de bebouwde kom, met 11 km/h.

Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift – dat zich bij de stukken bevindt – de gronden daarvoor aangevoerd. De vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie heeft het standpunt van de officier van justitie verwoord.

De officier van justitie heeft geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en dat het beroep niet-ontvankelijk is. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden. Deze beroepstermijn eindigde op 28 februari 2014. Ter zitting heeft de gemachtigde van betrokkene een verzendbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat op 25 februari 2014 per fax administratief beroep is ingesteld. De vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat daarom wél tijdig beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking. De kantonrechter zal daarom het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij het inleidende administratieve beroep niet-ontvankelijk is verklaard, gegrond verklaren en deze beslissing vernietigen.

De gemachtigde voert vervolgens aan dat de officier van justitie het administratief beroepschrift te laat heeft doorgezonden naar de kantonrechter. Voor zover de gemachtigde wil betogen dat er sprake is van 'undue delay' in onderhavige procedure, overweegt de kantonrechter als volgt.

Artikel 11, eerste lid, van de WAHV bepaalt: "Het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken worden door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.".

In het onderhavige geval heeft de betrokkene op 10 februari 2014 zekerheid gesteld voor de betaling van de sanctie en is op 15 oktober 2014 tijdig beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Ten minste tien maanden later, bij brief van 8 september 2015, heeft de officier van justitie de ontvangst van het beroepschrift aan de gemachtigde en de betrokkene bevestigd. De kantonrechter stelt vast dat de officier van justitie het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken vervolgens omstreeks

16 december 2015 ter kennis aan de rechtbank heeft gebracht. De kantonrechter stelt vast dat derhalve niet aan de termijn van artikel 11, eerste lid, van de WAHV is voldaan.

In het arrest van het Gerechtshof Leeuwarden, 1 februari 2001, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0102, is overwogen dat noch in de Awb noch in de WAHV een sanctie is gesteld op overschrijding van de in artikel 11, eerste lid, van de WAHV genoemde termijn. Aangezien in het onderhavige geval niet is gebleken dat de betrokkene door de termijnoverschrijding is geschaad in enig rechtens te respecteren belang en evenmin sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, is er naar het oordeel van de kantonrechter geen reden om aan de termijnoverschrijding gevolgen te verbinden.

De kantonrechter heeft thans te beoordelen of er voldoende grondslag is voor de vaststelling dat de gedraging is begaan.

De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de administratieve sanctie is opgelegd, is begaan. Uit het door de officier van justitie overgelegde zaakoverzicht is de kantonrechter gebleken dat de snelheid is gecontroleerd door middel van een voor de meting geteste en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter met daaraan gekoppelde fotoapparatuur. Uit het overgelegde zaakoverzicht blijkt dat de geconstateerde snelheid 64 kilometer per uur bedroeg. Deze waarde is naar beneden gecorrigeerd tot 61 kilometer per uur, conform de landelijk vastgestelde correctiewaarde in verband met de maximaal toegelaten fouten in de meetapparatuur, zoals bedoeld in de Regeling meetmiddelen politie. Naar het oordeel van de kantonrechter is de gedraging op een juiste wijze geconstateerd en vastgesteld. De toegestane snelheid ter plaatse bedraagt 50 kilometer per uur. Betrokkene heeft de maximum toegestane snelheid overschreden met 11 kilometer per uur, zodat terecht een sanctie is opgelegd.

Het beroep heeft op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb mede betrekking op de beschikking van de officier van justitie van 9 september 2015 waarbij het verzoek om vaststelling van een dwangsom is afgewezen, aangezien betrokkene deze beschikking betwist.

Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken stelt de kantonrechter vast dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd. De zittingsvertegenwoordiger heeft immers alsnog erkend dat reeds op 25 februari 2014 per fax administratief beroep is ingesteld. De kantonrechter dient vast te stellen over welke periode de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd.

De initiële beschikking is door de officier van justitie verzonden op 17 januari 2014. Hiertegen is door de gemachtigde administratief beroep aangetekend op 25 februari 2014. Volgens artikel 7:24, eerste lid, van de Awb had de officier van justitie binnen 16 weken op het administratieve beroepschrift moeten beslissen, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken. Dat is in dit geval geweest op 28 februari 2014. De beslistermijn eindigde op 20 juni 2014. Artikel 7:24, vierde lid, van de Awb biedt de officier van justitie de mogelijkheid om de beslistermijn voor ten hoogste tien weken te verlengen. Hiervan is door de officier van justitie geen gebruik gemaakt.

In de door de officier van justitie overgelegde stukken bevindt zich een kopie van de beslissing op het administratief beroep met dagtekening 27 augustus 2014. De beslissing van de officier van justitie had echter uiterlijk voor 20 juni 2014 genomen moeten zijn. Op grond van artikel 4:17 van de Awb is in dat geval een dwangsom verschuldigd, tenzij het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Nu er sprake is van een vertraging van meer dan 42 dagen is een maximale dwangsom van € 1.260,- verschuldigd.

De gemachtigde heeft verder verzocht om de officier van justitie te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over het verschil tussen de door de officier van justitie afgewezen dwangsom en de door de kantonrechter vastgestelde dwangsom. Ingevolge artikel 4:18 van de Awb dient de officier van justitie de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was, vast te stellen.

De officier van justitie is een dwangsom verschuldigd over de periode van 20 juni 2014 tot en met 27 augustus 2014. Hij had dus de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom uiterlijk op 10 september 2014 moeten vaststellen. De officier van justitie heeft echter op 9 september 2015 een beslissing genomen op het verzoek tot vaststelling van een dwangsom.

Artikel 4:100 van de Awb bepaalt dat, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop het bestuursorgaan in verzuim zou zijn geweest, indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor geldende termijn zou zijn gegeven. Gelet op het voorgaande is de officier van justitie wettelijke rente verschuldigd over de periode van 10 september 2014 tot en met 9 september 2015.

De gemachtigde heeft in het kader van beide beroepen – het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie over de sanctie en het beroep over de vaststelling van de dwangsom - een kostenveroordeling gevraagd wegens een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Met betrekking tot het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie over de sanctie overweegt de kantonrechter als volgt. Het beroep bij de kantonrechter wordt gegrond verklaard, zodat de proceskosten in de rechterlijke fase voor vergoeding in aanmerking komen. Hiervoor worden 2 punten toegekend (een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting). Omdat de kantonrechter de inleidende beschikking in stand laat, wijst de kantonrechter het verzoek tot vergoeding van de proceskosten in de administratief beroepsfase af.

Met betrekking tot het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie over de dwangsom bestaat in beginsel aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat het beroep gegrond wordt verklaard. Er zijn door de gemachtigde echter geen extra proceshandelingen verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. De beide beroepen zijn immers gezamenlijk op zitting behandeld.

De slotsom is dat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht twee punten worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 496,00. De gemachtigde heeft verzocht om gelet op de zwaarte van de zaak wegingsfactor 1,0 toe te passen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om dit verzoek toe te wijzen en zal de wegingsfactor 0,5 toepassen. Aldus zal de kantonrechter de officier van justitie veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 496,00 (2 x € 496,00 x 0,5). Anders dan in de door de gemachtigde aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 16 oktober 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:11636) heeft de zittingsvertegenwoordiger ter zitting niet ingestemd met een hogere wegingsfactor en ziet de kantonrechter overigens in dit geval geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijk te hanteren wegingsfactor in WAHV zaken.

De beslissing

De kantonrechter:

  • -

    verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze beslissing;

  • -

    verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen het dwangsombesluit van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze beslissing;

  • -

    stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 1.260,00 en bepaalt dat de officier van justitie dit bedrag aan betrokkene dient te voldoen;

  • -

    veroordeelt de officier van justitie tot betaling van wettelijke rente over € 1.260,00 met ingang van 20 juni 2014 tot aan 9 september 2015;

  • -

    veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 496,00.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.A. Swildens, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter

Tegen deze beslissing staat ingevolge artikel 14 WAHV hoger beroep open binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de Sectie Kanton van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.

Datum toezending: