Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2819

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
C/15/228225
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verklaringsprocedure art. 477a lid 2 Rv. Executoriaal derdenbeslag. Onjuist afgelegde derden-verklaring. Man heeft wel twee vergoedingsvorderingen op de vrouw. Getrouwd onder huwelijkse voorwaarden. Eenvoudige gemeenschap. Mede-eigendom. Natuurlijke verbintenis. Verjaring. Rechtsverwerking. Tegenvorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

Zittingsplaats Alkmaar

ST/PV

zaaknummer / rolnummer: C/15/228225 / HA ZA 15/431

Vonnis van 2 maart 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap BOUW- EN EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ [Naam eiseres],

[Woonplaats eiseres] ,

EISERES,

advocaat: mr. H.B. de Regt te Alkmaar,

tegen

[Voornaam gedaagde] [Achternaam gedaagde] ,

wonende te [Woonplaats gedaagde] (N-H),

GEDAAGDE,

advocaat: mr. L.T. van Eyck van Heslinga te Alkmaar.

Partijen zullen hierna '' [Naam eiseres] '' en '' [Achternaam gedaagde] '' worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties E1 tot en met E9
    - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4
    - het tussenvonnis van 19 augustus 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 januari 2016 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[Achternaam gedaagde] is met de heer [Voornaam man] [Achternaam man] (hierna te noemen: [Achternaam man] ) gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.

2.2.

[Achternaam man] was statutair bestuurder van [Naam eiseres] Op 22 augustus 2013 is hij uit zijn functie van bestuurder ontslagen.

2.3.

Bij vonnis van 22 oktober 2014 heeft deze rechtbank voor recht verklaard dat [Achternaam man] toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitoefening van zijn taak als bestuurder van [Naam eiseres] Voorts heeft de rechtbank [Achternaam man] veroordeeld om aan [Naam eiseres] te betalen het bedrag van € 1.633.502,- te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 5.160,-. De door [Naam eiseres] ingestelde vorderingen ten aanzien van [Achternaam gedaagde] heeft de rechtbank afgewezen.

2.4.

[Naam eiseres] heeft tegen dit vonnis, voor zover het betreft de afwijzing van haar vorderingen jegens [Achternaam gedaagde] , hoger beroep ingesteld. [Achternaam man] heeft geen hoger beroep ingesteld.

2.5.

Bij exploot van 17 februari 2015 is [Achternaam man] bevel gedaan om uitvoering te geven aan het vonnis van de rechtbank door betaling van € 1.819.636,35 + PM posten. [Achternaam man] heeft aan dit bevel wegens gebrek aan financiële middelen geen gehoor gegeven.

2.6.

Op 18 maart 2015 heeft de deurwaarder aan [Achternaam gedaagde] voormeld vonnis van de rechtbank betekend en het formulier als bedoeld in artikel 475 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) achtergelaten. Voorts is executoriaal derdenbeslag gelegd op alle vorderingen die [Achternaam man] heeft op [Achternaam gedaagde] dan wel uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, alsmede op [Achternaam man] toebehorende roerende zaken, die onder [Achternaam gedaagde] mochten berusten en geen registergoederen zijn. Het executoriaal derdenbeslag is overbetekend aan [Achternaam man] .

2.7.

Op 14 april 2015 heeft [Achternaam gedaagde] de zogenaamde derden-verklaring afgelegd. Zij heeft op het daartoe bestemde formulier niets aangekruist, maar onderaan het formulier en boven haar handtekening het volgende vermeld:
“Ik kan op dit formulier als bedoeld in artikel 475 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij A, B en C niets aankruisen wat van toepassing is. Daarop aansluitend ook niet bij 2,3,4. Toelichting: Mij is zelf niet bekend dat ik op het moment van 3e beslag (18 maart 2015) beschik over zaken en/of (toekomstige) vorderingen en/of rechten toekomend aan schuldenaar. De enige rechten die mij uit de (rechts)verhouding met schuldenaar bekend is: “Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd”.”

2.8.

Bij brief van 21 april 2015 heeft [Naam eiseres] de juistheid van de door [Achternaam gedaagde] afgelegde derden-verklaring betwist en [Achternaam gedaagde] verzocht om haar verklaring aan te vullen met inachtneming van de inhoud van deze brief. [Naam eiseres] stelt in deze brief dat dat [Achternaam gedaagde] dient te verklaren dat zij € 187.500,- + € 80.000,- = € 267.500,- verschuldigd is aan [Achternaam man] . Voor aanpassing van de verklaring is [Achternaam gedaagde] een termijn van veertien dagen na 21 april 2015 gegeven.

2.9.

[Achternaam gedaagde] heeft nadien de door haar afgelegde derden-verklaring niet aangepast.

3 Het geschil

3.1.

[Naam eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
a. [Achternaam gedaagde] zal veroordelen om een schriftelijke en namens haar ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen met inachtneming van hetgeen [Naam eiseres] in deze dagvaarding heeft gesteld, van al datgene dat [Achternaam gedaagde] van [Achternaam man] onder zich heeft en/of zal verkrijgen en/of aan [Achternaam man] verschuldigd is en/of zal worden;

b. [Achternaam gedaagde] zal veroordelen om nadat die verklaring door [Achternaam gedaagde] zal zijn afgelegd en/of door de rechtbank zal zijn bepaald wat [Achternaam gedaagde] onder zich heeft en/of zal verkrijgen en/of verschuldigd is en/of zal worden aan [Achternaam man] , tot het ter tenuitvoerlegging af- en/of overdragen van zodanig gelden en/of goederen, een en ander voor zover deze gelden en/of goederen niet het totale bedrag dat [Naam eiseres] ingevolge het vonnis van [Achternaam man] te vorderen heeft overtreft;

c. [Achternaam gedaagde] zal veroordelen om aan [Naam eiseres] te vergoeden de door haar geleden schade, gespecificeerd op € 2.250,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze schade vanaf 14 april 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

d. [Achternaam gedaagde] zal veroordelen aan [Naam eiseres] te vergoeden de buitengerechtelijke incassokosten, gespecifieerd op € 5.160,-, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 14 april 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

e. [Achternaam gedaagde] zal veroordelen om binnen veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, te voldoen.

3.2.

[Naam eiseres] legt aan haar vorderingen - kort gezegd - het volgende ten grondslag.
[Achternaam gedaagde] heeft een onvolledige en onjuiste derden-verklaring afgelegd. [Achternaam gedaagde] neemt niet in acht dat [Achternaam man] diverse vorderingen op haar heeft, die in beslag genomen zijn. In dit verband stelt [Naam eiseres] dat tijdens het huwelijk van [Achternaam man] en [Achternaam gedaagde] er vermogensverschuivingen tussen de echtelieden hebben plaatsgevonden. In de eerste plaats hadden de echtelieden in gemeenschappelijke eigendom de woning aan de [Adres 1] te [Woonplaats adres 1] (hierna te noemen: de oude woning). Bij verkoop daarvan in 2005/2006 voor de prijs van € 375.000,- is het aandeel van [Achternaam man] in de verkoopopbrengst aangewend in 2005/2006 ter verkrijging van [Adres 2] te [Woonplaats gedaagde] (hierna te noemen: de nieuwe woning). De nieuwe woning is geheel eigendom van [Achternaam gedaagde] , zodat [Achternaam man] jegens [Achternaam gedaagde] een vordering ter hoogte van zijn inbreng heeft. Ten tweede hebben de echtelieden eveneens in 2006 gezamenlijk een bedrag van € 160.000,- ten titel van lening van de broer van [Achternaam gedaagde] - de heer [Naam broer] – verkregen (hierna: de geldlening), waarvoor beide echtelieden medeschuldenaar zijn. Het aandeel van [Achternaam man] in het uit lening verkregen bedrag is eveneens aangewend ter verkrijging van de nieuwe woning, zodat hij ook daarvoor een vordering op [Achternaam gedaagde] heeft. Ten onrechte verklaart [Achternaam gedaagde] hierover niet. [Naam eiseres] stelt dat op de derde-beslagene de wettelijke plicht rust tot het afleggen van een juiste derden-verklaring en dat [Achternaam gedaagde] , doordat zij weigert haar (buitengerechtelijke) derden-verklaring aan te passen na hiertoe door [Naam eiseres] met toezending van betreffende stukken te zijn gesommeerd, hiermee in strijd handelt. Ook is haar nalaten van aanpassing in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. Door dit onrechtmatig handelen stelt [Naam eiseres] schade te lijden.

3.3.

[Achternaam gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Zij voert, kort samengevat, aan dat zij de derden-verklaring tijdig en volledig naar waarheid heeft afgelegd. Zij handhaaft haar standpunt dat [Achternaam man] geen vorderingen op haar heeft op het moment dat het executoriaal derdenbeslag werd gelegd. Volgens [Achternaam gedaagde] hebben er bij de transacties rond de oude woning en de nieuwe woning geen vermogensverschuivingen ten laste van [Achternaam man] en ten gunste van haar plaatsgevonden en kan hieruit dus geen vordering van [Achternaam man] op haar worden geconstrueerd. Dit geldt ook ter zake van de door [Naam broer] verstrekte geldlening. Voor zover het bestaan van vorderingen van [Achternaam man] ten laste van [Achternaam gedaagde] niettemin zou worden aangenomen geldt, aldus [Achternaam gedaagde] , dat [Achternaam man] met zijn investeringen ten behoeve van de nieuwe woning heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens haar. Meer subsidiair voert [Achternaam gedaagde] aan dat de vergoedingsvorderingen van [Achternaam man] verjaard zijn en dat hij zijn rechten terzake jegens haar heeft verwerkt. Volgens [Achternaam gedaagde] bestaan er voorts aan haar zijde tegenvorderingen op [Achternaam man] die met de vergoedingsvorderingen van [Achternaam man] verrekend dienen te worden. [Achternaam gedaagde] benadrukt daarbij dat, voor zover deze tegenvorderingen de vorderingen van [Achternaam man] overstijgen, zij daarop geen aanspraak maakt, omdat beide echtelieden dergelijke vergoedingsvorderingen als een natuurlijke verbintenis jegens elkander beschouwen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak betreft een verklaringsprocedure in de zin van artikel 477a lid 2 Rv. [Naam eiseres] stelt zich, samengevat, op het standpunt dat de door [Achternaam gedaagde] afgelegde buitengerechtelijke verklaring onjuist is, omdat [Achternaam man] wel degelijk vorderingen op [Achternaam gedaagde] heeft. In onderhavige procedure vordert [Naam eiseres] daarom dat [Achternaam gedaagde] alsnog een juiste verklaring aflegt. Vaststaat dat [Achternaam gedaagde] bij conclusie van antwoord, noch in een later stadium van deze procedure haar verklaring heeft aangevuld. [Achternaam gedaagde] blijft bij haar standpunt dat [Achternaam man] geen vordering op haar heeft en dat haar verklaring juist is.

4.2.

Uitgangspunt in een verklaringsprocedure is dat de bewijslast van de stelling dat de afgelegde verklaring onjuist is en daarmee ook van de stelling dat de beslagene – in tegenstelling tot hetgeen is verklaard – een vordering op de derde heeft, op de beslaglegger rust. De ingevolge artikel 476a Rv op de derde rustende verplichting om de verklaring met redenen te omkleden en zoveel mogelijk vergezeld te doen gaan van feitelijke gegevens en tot staving dienende bescheiden brengt echter wel mee dat de derde bij betwisting een verzwaarde motiveringsplicht heeft.

4.3.

Tussen partijen is in geschil of [Achternaam man] twee vergoedingsvorderingen op [Achternaam gedaagde] heeft ter zake van vermogensverschuivingen van [Achternaam man] naar [Achternaam gedaagde] . [Naam eiseres] meent dat dit het geval is, doordat [Achternaam man] zowel zijn aandeel in de verkoopopbrengst van de oude woning als zijn aandeel in een door beide echtelieden verkregen bedrag uit geldlening heeft ingebracht in de nieuwe woning van [Achternaam gedaagde] . [Achternaam gedaagde] betwist het bestaan van deze vorderingen. Bij de beoordeling geldt het volgende. Peilmoment voor de beoordeling van het al dan niet bestaan van een vergoedingsrecht tussen de echtelieden is het moment van de gestelde vermogensverschuiving. In dit geval is dat het moment dat de nieuwe woning door [Achternaam gedaagde] werd verkregen, te weten 2005/2006. Ten onrechte meent [Achternaam gedaagde] dan ook dat het er voor de vaststelling van gestelde vermogensverschuiving om zou gaan hoe sinds 1983/1984 het vermogen is ingebracht, verzameld en verschoven. Het moment van de gestelde vermogensverschuiving is het moment waarop beoordeeld moet worden of daarvan sprake was en of daarbij werd voldaan aan een natuurlijke verbintenis.

[Adres 1] (oude woning) en [Adres 2] (nieuwe woning)

4.4.

[Naam eiseres] stelt dat [Achternaam man] en [Achternaam gedaagde] beide de verkopende eigenaren waren van de oude woning. [Naam eiseres] heeft de oude woning op 24 februari 2006 van de echtelieden geleverd gekregen. [Naam eiseres] meent dat de verkoopopbrengst van de oude woning, te weten € 374.920,63, voor de helft aan [Achternaam man] toekomt. [Achternaam man] heeft dit bedrag, zijnde € 187.460,31, gestoken in de nieuwe woning, die [Achternaam gedaagde] uit de nalatenschap van haar moeder heeft verkregen en volledig haar eigendom is. [Naam eiseres] meent dat [Achternaam man] voor zijn bijdrage aan de aankoopsom een vergoedingsvordering op [Achternaam gedaagde] heeft.

4.5.

[Achternaam gedaagde] voert als verweer aan dat [Achternaam man] geen geld in de oude woning heeft ingebracht. De grond is verworven met vermogen van [Achternaam gedaagde] en de kosten van realisatie van deze woning in 1984, waaronder architect-, funderings-, loodgieters- en keukenkosten, en de verdere verbouwing zijn gedragen door [Achternaam gedaagde] vanuit haar eigen vermogen, zodat [Achternaam man] geen enkele aanspraak op dit vermogen heeft. Er is, aldus [Achternaam gedaagde] , dan ook geen enkele reden om 50% van de verkoopopbrengst van de woning uit hoofde van een vergoedingsrecht aan [Achternaam man] toe te kennen.

4.6.

Ter zitting heeft [Achternaam gedaagde] bevestigd dat de oude woning zowel op haar naam als op naam van [Achternaam man] in de openbare registers was ingeschreven, dat beiden als verkoper aan [Naam eiseres] zijn opgetreden en dat beiden aan [Naam eiseres] geleverd hebben. Daarmee staat vast dat de oude woning aan beide echtelieden in mede-eigendom toebehoorde op het moment van verkoop en dat [Achternaam man] mede-eigenaar was van de verkoopopbrengst, ongeacht de voorgeschiedenis van verkrijging en bouw.

4.7.

Ter zitting heeft [Achternaam gedaagde] naar voren gebracht dat dit gegeven in haar optiek niet betekent dat [Achternaam man] aanspraak kan [Achternaam gedaagde] op 50% van de verkoopopbrengst van de oude woning. Wie welk aandeel toekomt, wordt volgens haar bepaald door wie welk deel heeft gefinancierd. [Achternaam gedaagde] wijst erop dat de kosten van de bouw van de oude woning volledig uit haar eigen vermogen zijn betaald.

4.8.

De rechtbank oordeelt dat, nu de oude woning aan [Achternaam gedaagde] en [Achternaam man] gezamenlijk in eigendom toebehoorde, ingevolge artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tussen partijen met betrekking tot deze woning in elk geval ten tijde van de verkoop in 2006 een eenvoudige gemeenschap bestond.

4.9.

Uitgangspunt bij een eenvoudige gemeenschap is op grond van artikel 3:166 lid 2 BW dat de aandelen van de deelgenoten gelijk zijn, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Voorts kan eventueel uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verhouding van ieders aandeel voortvloeien. Het enkele feit dat de ene echtgenoot ten behoeve van de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privé-vermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot, leidt er niet reeds zonder meer toe dat uit hun rechtsverhouding voortvloeit dat ieders aandeel niet gelijk is (Hoge Raad 21 april 2006, NJ 2007/395). Dat [Achternaam gedaagde] , zoals zij stelt, de volledige kosten voor de woning heeft voldaan en een gedeelte van de hypotheekschuld heeft afgelost, is in het licht van het bovenstaande, dus onvoldoende om te oordelen dat haar aandeel in de woning niet gelijk is aan dat van [Achternaam man] . Dit geldt te meer daar de vermogensrechtelijke consequenties hiervan via eventuele vergoedingsrechten af te wikkelen zijn, indien zij uit haar privé-vermogen bestedingen ten behoeve van de verkrijging van de gemeenschappelijke oude woning heeft gedaan. [Achternaam gedaagde] heeft verder geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld, die - mits bewezen - zouden kunnen meebrengen dat op grond van de rechtsverhouding tussen de echtelieden of de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verhouding van aandelen dan gelijke aandelen geldt. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij heeft nagelaten aan te geven welk aandeel [Achternaam man] in haar optiek wel toe zou komen.

4.10.

Het vorenstaande brengt mee dat de deelgenoten bij verkoop van het goed ieder voor de helft gerechtigd zijn in de opbrengst van dat goed.
Vaststaat dat de verkoopopbrengst van de oude woning € 374.920,63 bedroeg, zodat in beginsel de helft van deze waarde, te weten € 187.460,31, als vermogen van [Achternaam man] is te beschouwen. Niet weersproken is dat de gehele verkoopopbrengst van de oude woning, dus ook het aandeel van [Achternaam man] voor het bedrag van € 187.460,31 is aangewend voor de aankoop van de nieuwe woning, die alleen eigendom is van [Achternaam gedaagde] . Voor zover [Achternaam gedaagde] in dit verband wijst op een hypotheekschuld van € 200.000,- die ten tijde van de verkoop in 2006 nog op de oude woning rustte, overweegt de rechtbank dat dit punt hierna bij de beoordeling van het bestaan van een vergoedingsrecht aan de zijde van [Achternaam gedaagde] aan de orde komt.

Geldlening [Naam broer]

4.11.

Ten aanzien van de geldlening waarop [Naam eiseres] een beroep doet, overweegt de rechtbank als volgt.
Blijkens een notariële akte van 24 februari 2006, waaraan dwingende bewijskracht toekomt, zijn [Achternaam man] en [Achternaam gedaagde] beide schuldenaren terzake van de geldlening. De rechtbank gaat er daarom als vaststaand feit van uit dat de geldlening aan beiden is verstrekt, ieder voor de helft. Een bedrag van € 80.000,- viel daarmee in het vermogen van [Achternaam man] . Dat er niet daadwerkelijk (fysiek) geld door [Achternaam man] is ontvangen doet daarbij niet ter zake. Of de achtergrond van de inhoud van de notariële akte was om [Naam broer] extra zekerheid te verschaffen doet evenmin ter zake. Niet betwist is dat het gehele ter leen verstrekte bedrag van € 160.000,- is aangewend ter verkrijging van de nieuwe woning. Aldus heeft een verschuiving plaatsgevonden uit het vermogen van [Achternaam man] naar het vermogen van [Achternaam gedaagde] - aan wie de nieuwe woning volledig in eigendom toebehoort - voor een bedrag van € 80.000,-.

4.12.

[Achternaam gedaagde] heeft bij wijze van subsidiair verweer er op gewezen dat de schuld terzake de geldlening inmiddels volledig is voldaan en geheel uit haar vermogen, zodat zij een tegenvordering op [Achternaam man] heeft terzake. [Naam eiseres] heeft ter zitting bevestigd dat de schuld uit geldlening geheel is afgelost. Beide partijen hebben ter zitting erkend dat de aflossing is betaald met de verkoopopbrengst van een aan [Achternaam man] en [Achternaam gedaagde] in mede-eigendom toehorende onroerende zaak, door hen aangeduid als [Naam woning] . Derhalve moet onder herhaling van wat hierover met toepassing van artikel 3:166 BW over de eenvoudige gemeenschap is overwogen, worden geconstateerd dat de aflossing van de lening slechts voor de helft uit het vermogen van [Achternaam gedaagde] is betaald. De andere helft van de verkoopopbrengst van [Naam woning] behoorde immers toe aan [Achternaam man] . Er is ter zake dan ook geen vergoedingsvordering van [Achternaam gedaagde] op [Achternaam man] en het verweer faalt.

Natuurlijke verbintenis
4.13. [Achternaam gedaagde] voert verder als verweer aan dat [Achternaam man] met zijn investeringen ten behoeve van het verkrijgen van de nieuwe woning heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens haar, zodat ter zake geen vergoedingsrechten zijn ontstaan. Hier is sprake van het verstrekken van gelden door [Achternaam man] als de man aan [Achternaam gedaagde] als de vrouw, hetgeen als voorbeeld van een naar objectieve maatstaven vast te stellen natuurlijke verbintenis moet worden aangemerkt volgens [Achternaam gedaagde] . Het was de bedoeling van [Achternaam man] om [Achternaam gedaagde] in staat te stellen de woning van haar moeder als nieuwe woning te verkrijgen. Voor zover er al vorderingen van [Achternaam man] op [Achternaam gedaagde] hebben kunnen bestaan beschouwen beiden dit als het voldaan hebben aan een natuurlijke verbintenis.

4.14.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Een natuurlijke verbintenis bestaat onder meer wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. De vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar wat naar objectieve maatstaven als de maatschappelijke opvattingen heeft te gelden. Aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, komt geen doorslaggevende betekenis toe. Bepalend is de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie.

4.15.

Terecht stelt [Achternaam gedaagde] dat in het algemeen in een situatie waarbij echtelieden buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis zal kunnen worden beschouwd de omstandigheid dat de prestatie bestond uit het verstrekken door ene echtgenoot van gelden voor de aankoop van een alleen op naam van de andere echtgenoot te plaatsen, gemeenschappelijke woning. Echter, volgens vaste rechtspraak dient mede acht te worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand, het rollenpatroon en de behoefte van partijen.

4.16.

Vaststaat dat de nieuwe woning op naam van [Achternaam gedaagde] staat en dat [Achternaam man] deels geholpen heeft met de financiering ervan. Ten tijde van de aankoop van deze woning in 2005/2006 verdiende [Achternaam man] , die als bestuurder voor [Naam eiseres] werkte, zijn eigen inkomsten. Voorts is gebleken dat [Achternaam gedaagde] toentertijd aandeelhouder was van [Naam eiseres] en daarnaast uit de verkoop van de oude woning, de [Naam woning] en een erfenis geldbedragen verkreeg, zodat zij over eigen vermogen beschikte.
Gelet op het rollenpatroon en de gebleken wederzijdse welstand van [Achternaam gedaagde] en [Achternaam man] is de rechtbank van oordeel dat [Achternaam gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die tot het oordeel leiden dat de vermogensverschuivingen ten laste van [Achternaam man] op grond van de maatschappelijke opvattingen naar objectieve maatstaven als voldoen aan een natuurlijke verbintenis zijn aan te merken. De rechtbank acht ontoereikend de stelling van [Achternaam gedaagde] dat zij dit net als [Achternaam man] , binnen de huwelijkse verplichting elkaar zorg te verlenen, zelf zo heeft gezien en ziet. Evenmin is toereikend de stelling van [Achternaam gedaagde] dat de overwaarde van de oude woning aan haar zou moeten toekomen omdat deze woning weliswaar op naam van beiden stond, maar zij oorspronkelijk de bijbehorende grond als enige van haar vader in eigendom verkreeg, de bouwkosten van de woning heeft betaald en de nieuwe woning alleen op haar naam werd gesteld om de ouderlijke woning te verkrijgen.

Tussenconclusie

4.17.

Uit het voorgaande volgt dat er vermogensverschuivingen van [Achternaam man] naar [Achternaam gedaagde] hebben plaatsgevonden en dat er in beginsel twee vergoedingsrechten van [Achternaam man] op [Achternaam gedaagde] bestaan, één van € 187.460,31 en één van € 80.000,-.

Verjaring
4.18. [Achternaam gedaagde] doet een beroep op verjaring voor geval enige vordering van [Achternaam man] uit vergoedingsrechten zou worden aangenomen, omdat in haar ogen de verjaringstermijn van 5 jaren voor deze vorderingen ruim verstreken is. [Naam eiseres] kan zich als derde niet op de verlenging van verjaringstermijnen tussen echtelieden zoals bepaald in artikel 3:321 lid 1 BW beroepen. De ratio van deze bepaling, gelegen in het voorkomen van onrust in een huwelijk over afloop van eventuele verjaring, brengt dit volgens [Achternaam gedaagde] mee.

4.19.

[Naam eiseres] handhaaft dat van verjaring geen sprake kan zijn omdat op grond van artikel 3:321 lid 1 BW de verjaringstermijn ter zake van schulden tussen echtelieden van rechtswege wordt verlengd. Dat zij als derde tot executie van de vordering van [Achternaam man] op [Achternaam gedaagde] wil overgaan, stelt deze bepaling niet buiten werking meent [Naam eiseres]

4.20.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vraag in hoeverre [Naam eiseres] als derde, die tot executie overgaat van het vorderingsrecht van de ene echtgenoot op de andere echtgenoot, een beroep toekomt op artikel 3:321 lid 1 sub a BW, kan voor de beoordeling van het verjaringsverweer onbeantwoord blijven. Ook als met [Achternaam gedaagde] geredeneerd zou worden dat een derde zich niet op die bepaling kan beroepen, kan dat haar niet baten. Immers, tot het moment waarop [Naam eiseres] in 2015 in beeld is gekomen als degene die het vorderingsrecht van [Achternaam man] wil executeren via beslaglegging, gold deze verlenging van rechtswege van de verjaringstermijn tussen de echtelieden, terwijl vanaf genoemd moment in elk geval nog geen vijf jaren zijn verstreken. Het beroep op verjaring slaagt dus niet.

Rechtsverwerking
4.21. [Achternaam gedaagde] voert verder aan dat [Achternaam man] zijn rechten tot invorderen van vergoedingsrechten heeft verwerkt, doordat hij jegens [Achternaam gedaagde] nimmer heeft gezegd dat hij een vordering op haar zou hebben en nimmer actie in die richting heeft genomen, maar juist met woord en gebaar meermalen aan [Achternaam gedaagde] duidelijk heeft gemaakt dat hij geen geld van [Achternaam gedaagde] tegoed heeft, omdat hij zo blij is dat zij voor hem zorgt en hiervoor nooit wat terug wil. Volgens [Achternaam gedaagde] heeft [Achternaam man] bij haar het vertrouwen opgewekt dat hij eventuele aanspraken jegens haar niet geldend zou maken .

4.22.

Volgens vaste rechtspraak kan van rechtsverwerking slechts sprake zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van een aan hem toekomend recht. Enkel tijdsverloop dan wel louter stilzitten van de schuldeiser is op zichzelf niet voldoende om rechtsverwerking aan te nemen. Voor rechtsverwerking is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken , hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard ingeval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken .

4.23.

Gelet op deze maatstaf is de rechtbank van oordeel dat [Achternaam gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die - mits bewezen - zouden kunnen meebrengen dat van rechtsverwerking sprake is. Dat [Achternaam man] nimmer actie heeft genomen of heeft gezegd een vordering op haar te hebben is aan te merken als stilzitten en daarom niet voldoende. Wat [Achternaam gedaagde] stelt dat in woord en gebaar zou zijn duidelijk gemaakt is evenmin voldoende. De gestelde inhoud van het woord en gebaar is zodanig algemeen en niet concreet, dat dit niet kan gelden als bijzondere omstandigheid waaraan [Achternaam gedaagde] gerechtvaardigd het vertrouwen zou mogen ontlenen dat [Achternaam man] de hierboven vastgestelde concrete vorderingen op haar niet te gelde zou [Achternaam gedaagde] . Dat dat vertrouwen enkel daarop niet gerechtvaardigd was, wordt verder versterkt doordat in de praktijk de echtelieden over geldzaken nauwelijks spraken en [Achternaam man] de financiële zaken deed, terwijl [Achternaam gedaagde] daar niets mee had, zoals ter zitting is toegelicht. Het bewijsaanbod op dat punt wordt dan ook gepasseerd. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

Tegenvorderingen
4.24. [Achternaam gedaagde] voert tot slot aan dat zij tegenvorderingen op [Achternaam man] heeft. Omdat zij van de hypotheekschuld die op de oude woning rustte en die [Achternaam man] als deelgenoot gehouden was bij helfte te dragen, ook het door hem te dragen deel op zich heeft genomen door de schuld geheel over te hevelen naar de alleen aan haar in eigendom toebehorende nieuwe woning, stelt zij voor die helft een tegenvordering op [Achternaam man] te hebben. Deze moet volgens haar in mindering strekken op wat [Achternaam man] uit de verkoopopbrengst van de oude woning in de nieuwe woning zou hebben ingebracht. Verder stelt [Achternaam gedaagde] dat er meer dan voldoende vorderingen van haar op [Achternaam man] zijn die verrekend zijn of kunnen worden, in welk verband zij noemt het verschaffen van kosteloze inwoning van [Achternaam man] in haar woning, het niet betalen van vergoedingen door [Achternaam man] voor het feit dat hij van haar vermogen gebruik maakte en nog maakt, en wat mogelijk voortvloeit uit de hoger beroepsprocedure bij het gerechtshof tussen [Naam eiseres] en [Achternaam gedaagde] .

4.25.

[Naam eiseres] stelt zich primair op het standpunt dat [Achternaam gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om een gerechtelijke verklaring af te leggen, dat in een dergelijke verklaring zij haar tegenvorderingen had kunnen opnemen en dat bij deze stand van zaken tegenvorderingen van [Achternaam gedaagde] dus geen rol (kunnen) spelen. Subsidiair stelt [Naam eiseres] dat de vermeende tegenvorderingen onvoldoende onderbouwd zijn.

4.26.

De rechtbank volgt [Naam eiseres] in haar primaire standpunt niet. Uitgangspunt daarbij is dat [Achternaam gedaagde] als de derde-beslagene in beginsel niet in een slechtere positie mag komen te verkeren dan wanneer zij rechtstreeks door haar schuldeiser, [Achternaam man] , was aangesproken. Naar het oordeel van de rechtbank kan de derde-beslagene in beginsel op zijn verklaring terugkomen zolang nog geen afdracht op de voet van art. 477 lid 1 Rv heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld in het geval dat (naderhand) van een voor verrekening vatbare tegenvordering is gebleken. Dat [Achternaam gedaagde] van haar verrekeningsbevoegdheid geen melding heeft gedaan in haar buitengerechtelijke verklaring noch in een latere gerechtelijke verklaring, staat dus op zichzelf nog niet eraan in de weg dat zij zich nadien op verrekening beroept. Voor een striktere benadering bestaat, mede in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3953, onvoldoende grond. Van de derde mag wel worden verwacht dat hij de beslaglegger zo spoedig mogelijk in kennis stelt van zijn tegenvorderingen. Aan deze eis heeft [Achternaam gedaagde] door haar tegenvorderingen in het kader van deze verklaringsprocedure aan de orde te stellen voldaan.

4.27.

Ter zitting heeft [Achternaam gedaagde] over de aflossing van de hypothecaire geldlening op de oude woning nader toegelicht dat ten tijde van de verkoop van de oude woning daaraan nog een hypothecaire lening van € 200.000,- was verbonden, dat deze is overgegaan op de nieuwe woning en dat na verkrijging van de nieuwe woning niet meer op de hypothecaire geldleningen is afgelost. [Achternaam gedaagde] wijst erop dat zij daarmee de hypothecaire geldschuld geheel op zich heeft genomen, hetgeen [Naam eiseres] niet bestrijdt.

4.28.

Als niet of niet voldoende betwist staat vast dat [Achternaam gedaagde] de schuld van [Achternaam man] ten bedrage van de helft van de aan de oude woning verbonden hypothecaire geldlening op zich heeft genomen, door deze over te laten hevelen naar de nieuwe woning. Zijdens [Naam eiseres] is niet aangevoerd noch is overigens gebleken dat [Achternaam gedaagde] als gevolg hiervan geen aanspraak jegens [Achternaam man] toekomt op vergoeding hiervoor, zodat [Achternaam gedaagde] zich met succes op verrekening kan beroepen. Dit brengt mee dat rekening dient te worden gehouden met een verrekenbare tegenvordering van [Achternaam gedaagde] op [Achternaam man] van € 100.000,-.

4.29.

Ten aanzien van de overige stellingen van [Achternaam gedaagde] terzake tegenvorderingen overweegt de rechtbank dat deze ontoereikend zijn voor een geslaagd beroep op verrekening. Zij heeft het door haar gemaakte onderscheid tussen al verrekende en nog te verrekenen vorderingen niet uitgewerkt. Zij heeft ook haar stellingen niet vergezeld doen gaan van feitelijke gegevens en tot staving dienende bescheiden. De gegrondheid van het verrekeningsverweer is derhalve niet eenvoudig vast te stellen en het verweer moet falen.

Slotsom

4.30.

Uit het vorenstaande volgt dat, na verrekening van de tegenvordering van [Achternaam gedaagde] van € 100.000,-, als vergoedingsrecht van [Achternaam man] op [Achternaam gedaagde] een bedrag van (€ 187.460,31 plus € 80.000,- minus € 100.000,- =) € 167.460,31 resteert. Dit betekent dat de door [Achternaam gedaagde] afgelegde derden-verklaring onjuist is; [Achternaam man] heeft immers wel voor beslag vatbare vorderingen op [Achternaam gedaagde] . Deze na verrekening resterende vorderingen vallen onder het door [Naam eiseres] gelegde beslag, zodat [Achternaam gedaagde] veroordeeld zal worden tot betaling van voormeld bedrag aan [Naam eiseres] Het door [Naam eiseres] onder a en b in het petitum van de dagvaarding gevorderde is toewijsbaar als in de beslissing vermeld.

Onrechtmatige daad

4.31.

[Naam eiseres] vordert voorts vergoeding van door haar geleden schade ten bedrage van € 2.250,-. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat [Achternaam gedaagde] , door een onjuiste verklaring af te leggen, onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat zij hierdoor schade heeft geleden. Die schade bestaat uit het maken van extra kosten voor haar raadsman, nu [Naam eiseres] genoodzaakt was zich tot de civiele rechter te wenden.

4.32.

Het beroep op onrechtmatige daad gaat niet op. [Naam eiseres] heeft naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende feitelijk en concreet onderbouwd dat [Achternaam gedaagde] door het enkel afleggen van een onjuiste verklaring onder de gegeven omstandigheden een onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd. Daarvoor was de onjuistheid van die verklaring gezien de verschillende weren die [Achternaam gedaagde] meende te hebben niet voldoende evident. Zoals het de derde-beslagene in beginsel ook vrijstaat zijn verklaring te herroepen of te wijzigen, levert het gegeven dat [Achternaam gedaagde] tot en met de onderhavige procedure heeft volhard in haar weren en daarom meende de verklaring juist te hebben ingevuld, op zich nog geen onrechtmatige handelen van haar jegens [Naam eiseres] als beslaglegger op. Dit wordt niet anders doordat [Naam eiseres] een sommatie met stukken aan [Achternaam gedaagde] heeft doen uitgaan. Bijkomende omstandigheden waarom dat anders zou zijn, zijn niet gesteld of gebleken. De gevorderde schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten
4.33. [Naam eiseres] maakt voorts aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW ten bedrage van € 5.160,-. Zij baseert zich op Rapport Voorwerk II en stelt dat zij de nodige buitengerechtelijke werkzaamheden heeft moeten verrichten, die zij niet zou hebben behoeven te maken indien [Achternaam gedaagde] aan haar verplichtingen uit de wet zou hebben voldaan.

[Achternaam gedaagde] heeft betwist dat [Naam eiseres] daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en acht onvoldoende onderbouwd waar gestelde kosten betrekking op zouden hebben.

4.34.

Vaststaat dat de vordering van [Naam eiseres] gezien de aard ervan niet valt onder het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, dat op 1 juli 2012 in werking is getreden. De oude regeling voor buitengerechtelijke incassokosten zal de rechtbank derhalve toepassen, met inachtneming van de wijzigingen van het Rapport BGK-integraal 2013.
De rechtbank constateert dat met de enkele verwijzing door [Naam eiseres] naar de bij dagvaarding in geding gebrachte producties onvoldoende gesteld of gebleken is dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [Naam eiseres] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen.

Proceskosten en nakosten

4.35.

[Achternaam gedaagde] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Gezien de aard van het geschil ziet de rechtbank aanleiding om voor het salaris advocaat aansluiting te zoeken bij tarief II van het liquidatietarief. De kosten aan de zijde van [Naam eiseres] worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 79,47

- griffierecht € 1.909,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × factor 1 x tarief € 452)

Totaal € 2.892,47

4.36.

De door [Naam eiseres] gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

4.37.

[Achternaam gedaagde] verzoekt de rechtbank om niet over te gaan tot een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zoals door [Naam eiseres] in de dagvaarding is verzocht, omdat zij dan gedwongen wordt tot onomkeerbare financiële transacties.
Ter zitting heeft [Naam eiseres] aangegeven dat het bij een vaststelling van een rechtstoestand door de rechtbank niet nodig is om nog een uitvoerbaarverklaring bij voorraad te vragen. De rechtbank gaat er evenwel van uit dat, nu zij, zoals uit het voorgaande volgt, conform de vorderingen van [Naam eiseres] tevens veroordelingen tot betaling zal uitspreken, de door [Naam eiseres] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet als ingetrokken kan worden beschouwd. De rechtbank zal het verweer van [Achternaam gedaagde] dan ook beoordelen.

4.38.

De rechtbank is van oordeel dat er rechtens geen grond is om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De maatstaf voor het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis is of het belang van degene die een toewijzend vonnis (met veroordeling van de wederpartij) verkrijgt, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij die in hoger beroep wil gaan en belang heeft bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Onvoldoende is gesteld dat de belangen van [Achternaam gedaagde] in dit verband zwaarder wegen dan de belangen van [Naam eiseres] Daarbij betrekt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat [Achternaam gedaagde] bij onverkorte tenuitvoerlegging van dit vonnis in een financiële noodtoestand komt te verkeren doordat de benodigde liquide middelen niet direct beschikbaar zijn. Mogelijke ingrijpende gevolgen van een eventuele executie, die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verbetert (op de voet van artikel 477a Rv) de door [Achternaam gedaagde] (op grond van artikel 475 lid 2 Rv) afgelegde verklaring aldus dat daarin wordt verklaard dat [Achternaam gedaagde] een bedrag van € 167.460,31 aan [Achternaam man] is verschuldigd,

5.2.

veroordeelt [Achternaam gedaagde] tot betaling van het onder 5.1 bedoelde bedrag van € 167.460,31 aan [Naam eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting,

5.3.

veroordeelt [Achternaam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [Naam eiseres] tot op heden begroot op € 2.892,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [Achternaam gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [Achternaam gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen onder 5.2, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van der Veen en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2016.