Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2807

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-04-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
15/870649-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaar. Verdachte heeft voorbereidingshandelingen getroffen om de bezitter van een woonboot van het leven te beroven. Op 13 april 2015 heeft hij twee explosieven aan een andere woonboot bevestigd. Verdachte heeft één van de explosieven tot ontploffing gebracht waardoor een man om het leven is gekomen en diens partner zwaar gewond is geraakt.

De rechtbank is niet meegegaan met de eis van de officier van officier om 10 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging op te leggen. Verdachte heeft geen medewerking verleend aan het onderzoek bij het Pieter Baan Centrum en ook overigens zijn er te weinig aanwijzingen om van een stoornis te kunnen spreken, waardoor tbs met dwangverpleging door de rechtbank niet mogelijk wordt geacht.

Voor het geval dat tbs met dwangverpleging niet zou kunnen, heeft de officier van justitie een gevangenisstraf van 20 jaar geëist. Omdat tussen het teweeg brengen van de noodlottige explosie en de voorbereiding van moord op een ander een duidelijke samenhang bestaat, heeft de rechtbank de gevangenisstraf enigszins gematigd. Deze samenhang bracht verdachte zelf tijdens de zitting ook tot uitdrukking door te zeggen, dat hij de twee boten abusievelijk had verwisseld.

Aan het vrouwelijke slachtoffer moet de dader ruim 126.000 euro aan schade betalen. Van het stalken van een vriendin is verdachte vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870649-15 + 15/700046-16 + 15/128865-14 (ttzgev) (P)

Uitspraakdatum: 8 april 2016

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 maart 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres 1] ,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Maatschapslaan.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.H.G. Peters en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. M. Bijleveld en mr. T.H. Kapinga, beiden advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 15/870649-15:

1.

hij op of omstreeks 13 april 2015 te Wormer, gemeente Wormerland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht immers heeft hij een bom, in elk geval een (geïmproviseerd/zelf gemaakt) explosief bevestigd aan de woonboot genaamd [X] (gelegen aan de [adres 2] ), en heeft hij deze bom/ dit explosief (vervolgens) tot ontploffing gebracht door:

een (elektrische) vonk/ elektriciteit/stroom (vanuit een batterijpack) in aanraking te (laten) brengen met een (via een elektriciteitsdraad/stroomdraad verbonden /lopend) ontstekingsmechanisme (in/aan die bom),

en/of door open vuur in aanraking te (laten) brengen met een (via een lont verbonden/lopend) ontstekingsmechanisme (in/aan die bom),

dan wel op andere tot op heden onbekende wijze het ontstekingsmechanisme (in/aan die bom) af te laten gaan/ in werking te stellen,

ten gevolge waarvan een ontploffing is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de woonboot [X] en/of voertuigen en/of panden (in de (directe) omgeving de woonboot [X] /de bom/het explosief),

en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de omwonenden en/of een ieder (in de (directe) omgeving van de woonboot [X] / de bom/ het explosief) aanwezig op de [straat] te duchten was,

en ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] zodanige verwondingen aan het lichaam heeft opgelopen, dat hij daaraan is overleden,

en/of ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel (te weten blijvende blindheid aan het rechteroog en/of een breuk aan de oogkas en/of breuken aan bovenkaken en/of onderkaken / een verbrijzelde bovenkaak en/of een hersenbloeding en/of blijvend (perceptief) gehoorverlies en/of (continue) oorsuizen en/of verminkingen/blijvende littekens aan neus en/of lip, althans aan het gelaat) heeft bekomen;

Ten aanzien van parketnummer 15/700046-16:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 april 2015 te Purmerend en/of Wormer, gemeente Wormerland, althans in Nederland, ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven moord en/of het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen (namelijk de moord op [slachtoffer 3] en/of het tot ontploffing brengen van een bom/explosief op/bij diens woonboot), opzettelijk een bom/ een (geïmproviseerd/zelf gemaakt) explosief en een (via een stroomdraad met die bom/dat explosief verbonden) ontstekingsmechanisme (een batterijpack), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

Ten aanzien van parketnummer 15/128865-14:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2013 tot en met 27 mei 2014 te Edam, gemeente Edam-Volendam, en/of elders in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 4] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 4] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij verdachte (tegen de zin van die [slachtoffer 4] ):

- ( veelvuldig) (voor die [slachtoffer 4] hinderlijke/storende/ongewenste) e-mailberichten en sms-berichten naar die [slachtoffer 4] gestuurd en/of

- ( veelvuldig) (voor die [slachtoffer 4] hinderlijke/storende/ongewenste) sms-berichten / whatsapp-berichten over die [slachtoffer 4] naar [moeder van slachtoffer 4] (de moeder van die [slachtoffer 4] ) gestuurd en/of

- meermalen (voor die [slachtoffer 4] hinderlijke/storende/ongewenste) sms-berichten naar de huistelefoon van die [slachtoffer 4] en/of die [moeder van slachtoffer 4] gestuurd en/of

- meermalen (vroeg in de ochtend en/of laat in de avond) gebeld naar de huistelefoon van die [slachtoffer 4] en/of die [moeder van slachtoffer 4] en/of

- die [slachtoffer 4] (in augustus 2013) (in de vroege ochtend) opgewacht (toen zij haar krantenwijk liep) en/of

- ( in augustus 2013) (in de nacht) op de aanbouw / het balkon van de woning van die [slachtoffer 4] gestaan en/of (vervolgens)

- ( eind augustus 2013) papieren pijltjes met teksten als 'ik hou van je' op het balkon van die [slachtoffer 4] gegooid/geschoten/achtergelaten.

Verbeterde lezing van de tenlastelegging

Onder parketnummer 15/870649-15 leest de rechtbank in plaats van de woorden ‘in/aan die bom’ telkens ‘in/aan die bom/dat explosief’. Deze combinatie van woorden is aanvankelijk wel, doch verderop in de tenlastelegging niet meer opgenomen. De rechtbank beschouwt het wegvallen van de woorden die zij inleest als een kennelijke misslag. Verdachte is door de verbeterde lezing van de tenlastelegging en door de overigens aangebrachte correcties niet geschaad in zijn verdediging.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Op maandag 13 april 2015, om 04:03 uur, is bij de meldkamer van Politie Eenheid Noord Holland de melding binnengekomen dat een vrouw, wonende aan de [adres 2] te Wormer, in paniek heeft gebeld omdat iemand haar woonboot in brand heeft gestoken. Kort hierna komen diverse meldingen binnen dat op een woonboot aan de [straat] een explosie heeft plaatsgevonden waarbij meerdere personen gewond zijn geraakt.

Naar aanleiding van bovengenoemde meldingen zijn eenheden van de surveillancedienst van de politie naar de [straat] te Wormer gegaan. Op de kade van de [straat] treffen zij her en der brokstukken aan. Ter hoogte van de achterzijde van woonboot [X] zit een zwaargewonde vrouw op de grond. Ter hoogte van de voorzijde van de woonboot wordt een man aangetroffen. De man heeft zeer ernstige verwondingen over zijn gehele lichaam en is overleden.

Op 29 april 2015 is het vrouwelijke slachtoffer bij bewustzijn en aanspreekbaar. Zij verklaart dat een man haar woonboot in brand stak en dat hij telkens “ [voornaam slachtoffer 3] , [voornaam slachtoffer 3] ” riep. Daags daarna verklaarde zij dat hij ook “ [voornaam slachtoffer 3] en [naam 1] ” riep. Uit het ingestelde onderzoek in het politiesysteem BVH is gebleken dat op de [adres 3] te Wormer een man woont welke is genaamd [slachtoffer 3] . Zijn vrouw heet [naam 2] . Uit het BHV-systeem blijkt voorts dat de moeder van [verdachte] (hierna: verdachte) zich in december 2013 bij de politie heeft gemeld aangezien zij bang is dat verdachte [slachtoffer 3] iets zou aan doen. Zij dacht daarbij aan brandstichting aan diens woning. Ook blijkt uit de BHV-registraties – onder andere – dat verdachte 10 à 12 jaar geleden een deel van zijn vinger is kwijtgeraakt door te experimenteren met explosieven en dat hij in 2013 goederen in zijn kamer had welke mogelijk bestemd waren voor het maken van explosieven. Gezien het voorgaande zijn de vingerafdrukken van verdachte, welke reeds bekend waren bij de politie, vergeleken met de dactyloscopische sporen welke zijn aangetroffen op een batterijpack op de plaats delict. Deze bleken met elkaar overeen te komen.
Naar aanleiding van het bovenstaande is verdachte op 30 april 2015 buiten heterdaad aangehouden.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij inderdaad degene is geweest die het explosief op woonboot [X] tot ontploffing heeft gebracht. Verdachte heeft verklaard dat zijn handelen gericht was op het toebrengen van materiële schade aan de woonboot van [slachtoffer 3] . Verdachte heeft zich hierbij vergist en hij heeft de woonboot van [slachtoffer 3] verward met de nabijgelegen woonboot van de slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich hierdoor schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met de in de tenlastelegging omschreven gevolgen. Daarnaast moet worden beoordeeld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereiding van moord op [slachtoffer 3] en/of het teweegbrengen van een ontploffing op diens woonboot. Tot slot moet de rechtbank oordelen over het verwijt dat verdachte zich in de periode 1 juni 2013 tot en met 27 mei 2014 schuldig heeft gemaakt aan belaging van een vriendin, te weten [slachtoffer 4] .

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van hetgeen onder parketnummer 15/870649-15 ten laste is gelegd heeft de officier van justitie betoogd dat bij het verwijt dat het Openbaar Ministerie thans aan verdachte maakt de vraag of hij opzet had op de dood van en/of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de slachtoffers juridisch niet relevant is. Wel moeten het levensgevaar en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit inderdaad voorzienbaar was. Bij een kunstmestbom van 6 kilo die, zoals de onderhavige, tussen wal en kade hangt wordt kademateriaal door de ontploffing verscherft en in de rondte geslingerd. Personen in de omgeving kunnen hierdoor worden getroffen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van parketnummer 15/700046-16 aangevoerd dat verdachte de bom voorhanden heeft gehad met het doel om een ontploffing op de woonboot van [slachtoffer 3] teweeg te brengen. Dat verdachte bij de verkeerde boot terecht is gekomen is volgens de officier van justitie juridisch voor de bewezenverklaring niet relevant.

Hetgeen onder parketnummer 15/128865-14 ten laste is gelegd kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen op basis van de aangifte en klacht van aangeefster, welke worden ondersteund door de verklaringen van haar moeder en zus. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij wist dat aangeefster geen prijs stelde op contact.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van hetgeen onder parketnummer 15/870649-15 ten laste is gelegd gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft daarbij opgemerkt dat het de bedoeling van verdachte was om schade toe te brengen aan de woonboot van [slachtoffer 3] . Echter, uit de wet en jurisprudentie blijkt dat de opzet slechts gericht hoeft te zijn op het teweegbrengen van een ontploffing en niet op het intreden van de gevolgen van de ontploffing. Bovendien volgt uit de jurisprudentie dat deze gevolgen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moeten zijn. Gelet op de inhoud van het dossier heeft de verdediging op deze punten geen verweer gevoerd.

Ten aanzien van parketnummer 15/700046-16 heeft de verdediging bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor zover het tenlastegelegde betrekking heeft op voorbereidingshandelingen gericht op moord op [slachtoffer 3] . Uit getuigenverklaringen en uit de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd komt naar voren dat verdachte nimmer iemand om het leven heeft willen brengen, dus ook niet [slachtoffer 3] . Wat betreft de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen gericht op het tot ontploffing brengen van een bom/explosief bij de woonboot van [slachtoffer 3] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft zich ten aanzien van parketnummer 15/128865-14 primair op het standpunt gesteld dat de pleegperiode dient te worden beperkt tot de periode van 14 februari 2014 tot en met 27 april 2014 nu de aangifte en klacht van het slachtoffer [slachtoffer 4] enkel op die periode betrekking hebben. Omdat de handelingen uit augustus 2013, zoals opgesomd in de laatste drie gedachtestreepjes van de tenlastelegging buiten deze periode vallen, kunnen deze niet worden bewezen verklaard. Slechts de gedragingen omschreven in het eerste, tweede en derde gedachtestreepje kunnen tot een bewezenverklaring leiden. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de bewezenverklaring zich dient te beperken tot de periodes 17 juli 2013 tot en met 3 september 2013 en 14 februari 2014 tot en met 27 april 2014 en voorts tot de bij de gedachtestreepjes genoemde gedragingen met uitzondering van de gedraging omschreven bij het vierde gedachtestreepje.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 15/128865-14

Van belaging is sprake wanneer iemand stelselmatig opzettelijk een ander lastig valt waardoor een inbreuk wordt gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer.

Op 3 september 2013 hebben twee verbalisanten verdachte bezocht om hem duidelijk te maken dat vanaf die dag alle contact in de richting van aangeefster onder stalking zal vallen. Verdachte heeft aangegeven dit te begrijpen. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat het voor verdachte vanaf die datum volkomen duidelijk moet zijn geweest dat aangeefster geen contact meer wilde. Volgens aangeefster, haar moeder en haar zus is het vervolgens een aantal maanden goed gegaan. In januari 2014 ontvangt de moeder van aangeefster opeens weer ‘heel veel’ sms-berichten en belt verdachte weer. De rechtbank stelt vast dat het aantal contacten niet nader is gespecificeerd. Ook verstuurt verdachte weer sms-berichten naar aangeefster. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de duur, frequentie en intensiteit van de berichten niet kan worden bewezen verklaard dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank verdachte van dit feit in het geheel vrijspreken.

4.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van parketnummer 15/870649-15

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15/870649-15 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen verhoor [slachtoffer 2] van 30 april 2015 (dossierpagina 60 en 61);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten het NFI rapport ‘Explosievenonderzoek naar aanleiding van een explosief bij een woonboot afgemeerd aan de kade van de [straat] te Wormer op maandag 13 april 2015’ van 28 augustus 2015 (forensisch dossier p. 488 en 489).

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten het NFI rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 16 april 2015 (forensisch dossier p. 205-211);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring van [arts 1] , forensisch arts van 29 mei 2015 (forensisch dossier, p. 528 en 529); en

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een medisch rapport van [arts 2] , arts van 22 maart 2016 (ongenummerd).

De rechtbank stelt voorop dat het opzet in het in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde misdrijf gericht moet zijn op het teweegbrengen van een ontploffing, maar dat de omstandigheid dat door die ontploffing gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, is onttrokken aan de opzet-eis. Voldoende is dat het bedoelde gevaar naar objectieve maatstaven aanwezig is en naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is op het moment dat de gedraging wordt verricht, in dit geval op het moment waarop het explosief tot ontploffing wordt gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat aan deze criteria is voldaan.

Uit het explosievenonderzoek van het NFI is gebleken dat gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ieder in de directe omgeving naar objectieve maatstaven te duchten was. Immers, uit het onderzoek volgt dat bij een ontploffing van de geïmproviseerde explosieve constructie zoals verdachte deze had vervaardigd, wanneer deze is geplaatst tussen de kademuur en het schip, materiële schade te verwachten is welke soortgelijk is aan de schade zoals die in het onderhavige geval is ontstaan. Tevens is er volgens het NFI in die situatie gevaar voor het ontstaan van zeer ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel bij personen in de directe omgeving (tot op een afstand van enkele meters).

Verdachte heeft verklaard dat hij de bewoners van het schip af heeft gelokt en dat hij niet heeft voorzien dat zij, eenmaal op de kade gekomen, zouden trachten de door hem aangestoken lont van het explosief te blussen, waardoor zij in de nabije omgeving van het explosief kwamen te verkeren. Naar het oordeel van de rechtbank is het blussen van de lont juist een heel voorzienbare reactie. Immers, de bewoners zijn midden in de nacht opgeschrikt door een – naar later bleek – felle thermietbrand. Op het moment waarop de bewoners buiten kwamen was deze thermietbrand waarschijnlijk (vrijwel) geheel uitgewoed, maar vervolgens zien zij dat verdachte opnieuw iets in de brand steekt bij hun schip. Naar het oordeel van de rechtbank is het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat de bewoners hun woonboot veilig willen stellen en derhalve overgaan tot het verrichten van bluswerkzaamheden.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij de verklaring van verdachte, inhoudende dat zijn handelen gericht was op het toebrengen van materiële schade aan de woonboot en dat hij tegen de bewoners heeft geroepen dat zij weg moesten gaan omdat hij explosieven aan de woonboot had bevestigd, ongeloofwaardig acht. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel, anders dan de verklaring van [getuige] die evenwel slechts heeft kunnen aangeven wat verdachte hem na het plegen van dit feit over zijn bedoelingen heeft verteld. De rechtbank hecht belang aan de verklaring van [slachtoffer 2] , die helder en consistent heeft verklaard over wat zich die nacht heeft afgespeeld. Zij heeft duidelijk aangegeven dat zij de man bij haar woonboot enkel “ [voornaam slachtoffer 3] , [voornaam slachtoffer 3] ” en “ [voornaam slachtoffer 3] en [naam 1] ” heeft horen schreeuwen. Dit herhaalde hij continu. Niet heeft zij hem derhalve iets horen zeggen over explosieven en evenmin heeft zij hem horen waarschuwen om weg te gaan.

4.3.3

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van parketnummer 15/700046-16 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15/700046-16 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Na de aanhouding van verdachte is bij de doorzoeking van zijn woning onder andere een GSM van het merk Motorola in beslag genomen. Op deze telefoon zijn chatgesprekken en sms-berichten aangetroffen. Op 8 november 2013 verstuurt verdachte sms-berichten naar zijn oma met onder andere de volgende tekst: “De kriebels om de echte verantwoordelijke ( [voornaam slachtoffer 3] ) levend in de fik te steken beginnen heel sterk te worden” en “Olijfolie brandt ook prima” en “Met een waterpistool dan gaan we een mooi sint Maarten vuurtje maken”. Op 20 december 2013 verstuurt hij: “Even ter verduidelijking, die smsjes over een waterpistool en slaolie had betrekking tot het verwarmen van [slachtoffer 3] , en niet het huis”. Een minuut later verstuurt hij: “Nogmaals, [voornaam slachtoffer 3] moet in de hens, niet het huis”.2

In de Basisvoorziening Handhaving van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland is op 20 december 2013 gemuteerd dat de moeder en oma van verdachte op het politiebureau zijn verschenen omdat zij per telefoon vreemde teksten van verdachte ontvingen. Zij zijn bang dat verdachte [slachtoffer 3] iets aan zal doen.3

Verdachte heeft op 3 juni 2014 het volgende bericht naar [naam 3] verstuurd: “Als dit een spelletje is om te kijken hoeveel er nodig is tot ik écht knak en wat er dan gebeurt, dan kan ik jullie op het hart drukken dat het spektakel zich ergens in Wormerveer zal afspelen en de enige die kan “meegenieten” een paardrijdende psycholoog van de landmacht zal zijn”.

Op 9 juni 2014 verstuurt verdachte sms-berichten naar zijn vader. Hij stuurt: “Ik maak [voornaam slachtoffer 3] dood zodra ik hiermee klaar ben, dan heb ik tenminste voor een fatsoenlijke tijd onderdak” en “En ik wil dat traject helemaal niet in, dan maak ik [voornaam slachtoffer 3] van kant en ga ik gewoon een paar jaar boeken lezen in de bak”.4

Verdachte heeft op 7 november 2014 het volgende bericht naar [naam 4] verstuurd: “Heb erg veel zin om een pedofiel op te blazen, maar ik laat me m’n opleiding niet afpakken”.5

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard te hebben vernomen dat de woonboot van [slachtoffer 3] de grootste boot op het betreffende stuk van de [straat] te Wormer zou zijn. Zodoende heeft hij geconcludeerd dat hij woonboot [X] diende te treffen. Hij heeft voorts verklaard dat hij tweemaal aan de [straat] te Wormer is gaan kijken, eenmaal in 2014 en eenmaal een paar weken voorafgaand aan het ten laste gelegde. Bovendien heeft verdachte door middel van Google Streetview onderzoek gedaan naar (de omgeving van) de woonboot. Vervolgens heeft hij in zijn woning in Purmerend twee identieke explosieven gemaakt. Een stof die hij hier – onder andere – voor heeft gebruikt is Erythritol tetranitraat (ETN), een zeer krachtige explosieve stof. De kennis om ETN te maken heeft verdachte uit literatuur opgedaan. Eind januari 2015 heeft hij ontstopper en salpeterzuur aangeschaft. De overige benodigdheden heeft hij in de periode daarna gekocht. Verdachte heeft twee slagpijpjes en twee daarbij behorende ontstekingsmechanismen aan de explosieven bevestigd, te weten een lont en een elektronisch ontstekingsmechanisme middels een batterijpack. Op 13 april 2015 is verdachte met de twee door hem vervaardigde explosieven naar de [straat] in Wormer gefietst.

Naar aanleiding van de ontploffing op de woonboot van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft [slachtoffer 3] aangifte gedaan.6

Op grond van deze bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte
– onder meer – een zelfgemaakt explosief en een via een stroomdraad met dat explosief verbonden ontstekingsmechanisme heeft vervaardigd en voorhanden heeft gehad. Dit explosief was bestemd om [slachtoffer 3] van het leven te beroven. Het voorgaande levert naar het oordeel van de rechtbank strafbare voorbereidingshandelingen van moord op.
Dat verdachte achteraf tegenover een vriend heeft verklaard dat hij enkel materiële schade aan de woonboot heeft willen veroorzaken doet hieraan niet af.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummer 15/870649-15 en onder parketnummer 15/700046-16 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Ten aanzien van parketnummer 15/870649-15:

hij op 13 april 2015 te Wormer, gemeente Wormerland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht immers heeft hij een zelf gemaakt explosief bevestigd aan de woonboot genaamd [X] , gelegen aan de [adres 2] , en heeft hij dit explosief vervolgens tot ontploffing gebracht door:

open vuur in aanraking te brengen met een via een lont verbonden ontstekingsmechanisme aan dat explosief,

ten gevolge waarvan een ontploffing is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de woonboot [X] en voertuigen en panden in de directe omgeving van het explosief, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ieder in de directe omgeving van het explosief aanwezig op de [straat] te duchten was,

en ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] zodanige verwondingen aan het lichaam heeft opgelopen, dat hij daaraan is overleden,

en ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel (te weten blijvende blindheid aan het rechteroog en een breuk aan de oogkas en breuken aan bovenkaak en onderkaak en een hersenbloeding en blijvend (perceptief) gehoorverlies en continu oorsuizen en verminkingen/blijvende littekens aan neus en lip) heeft bekomen;

Ten aanzien van parketnummer 15/700046-16:

hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 13 april 2015 te Purmerend en Wormer, gemeente Wormerland, ter voorbereiding van het misdrijf moord, namelijk de moord op [slachtoffer 3] , opzettelijk een zelf gemaakt explosief en een via een stroomdraad met dat explosief verbonden ontstekingsmechanisme (een batterijpack), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft vervaardigd en voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 15/870649-15:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

Ten aanzien van parketnummer 15/700046-16:

voorbereiding van moord

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

Gelet op de omvang van het leed dat verdachte heeft toegebracht aan [slachtoffer 2] en de (overige) nabestaanden van [slachtoffer 1] en in acht genomen de persoon van verdachte, heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van het voorarrest, alsmede tot een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Op basis van het dossier is volgens de officier van justitie voldoende komen vast te staan dat bij verdachte ten tijde van de feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens of ziekelijke stoornis, en dat deze in rechtstreeks verband staat met het gebeurde op 13 april 2015. Ook aan de overige vereisten van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is voldaan, aldus de officier van justitie. Zij ziet een aanzienlijk recidivegevaar en acht het volstrekt onverantwoord om verdachte terug te laten keren in de maatschappij voordat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate door behandeling is gereduceerd.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat zich in het dossier te weinig bouwstenen bevinden voor het opleggen van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, en verdachte toerekeningsvatbaar moet worden gehouden voor de door hem gepleegde feiten, dan is gelet op het belang van de bescherming en veiligheid van de maatschappij slechts een zeer langdurige gevangenisstraf op zijn plaats, aldus de officier van justitie. In dat geval heeft zij gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar met aftrek van het voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

Naar het oordeel van de verdediging dient het gegeven dat sprake is geweest van een vergissing die noodlottige gevolgen heeft gehad strafmatigend te werken. Het handelen van verdachte was slechts gericht op het toebrengen van materiële schade aan de woonboot van [slachtoffer 3] . Verdachte is zich terdege bewust van het leed dat hij heeft aangericht en de schade die hij heeft berokkend en hij trekt zich dit erg aan. De verdediging heeft voorts bepleit dat geen sprake is van relevante recidive en dat verdachte als first offender dient te worden aangemerkt

Gelet op het bepaalde in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is het de vraag of de rechtbank tot een oplegging van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan komen. Aan één van de voorwaarden is voldaan: de verdenking draait immers om een feit waarvoor een gevangenisstraf van vier jaar of meer kan worden opgelegd. Aan de overige voorwaarden is volgens de verdediging niet voldaan.

Niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, waardoor dit feit niet, of slechts in verminderde mate, aan verdachte kan worden toegerekend. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum volgt slechts dat, naast cannabismisbruik, bij verdachte aanwezigheid van een andersoortige stoornis wordt vermoed. Weliswaar heeft de rechtbank de mogelijkheid om zelfstandig tot het oordeel te komen dat sprake is van een stoornis, maar daarvoor dienen voldoende aanknopingspunten te bestaan. De verdediging heeft bepleit dat dergelijke informatie onvoldoende voorhanden is. Gelet hierop kan niet tot de voor oplegging van de maatregel vereiste vaststelling van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens worden gekomen.

Aan de voorwaarde dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist is evenmin voldaan, aldus de verdediging. Verdachte is niet eerder wegens een geweldsdelict veroordeeld en uit het rapport van het Pieter Baan Centrum volgt niet dat sprake is van een recidiverisico. Aanknopingspunten voor toekomstig gevaar voor personen of goederen zijn volgens de verdediging niet voorhanden. Daarbij geldt dat recidivegevaar niet slechts uit het feit zelf mag worden afgeleid, maar concreet dient te worden gemaakt.

De verdediging concludeert dat, aangezien aan twee van de voorwaarden uit artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht niet is voldaan, aan verdachte geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan worden opgelegd.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft voorbereidingshandelingen getroffen om [slachtoffer 3] van het leven te beroven. Hij is daartoe tweemaal gaan observeren aan de [straat] te Wormer. Ook heeft hij door middel van Google Streetview onderzoek gedaan naar (de omgeving van) de woonboot. Hij heeft literatuuronderzoek gedaan naar de vervaarding van een zeer krachtige explosieve stof en hij heeft de benodigde materialen aangeschaft. Vervolgens heeft hij twee identieke explosieven gemaakt en is daarmee ’s nachts, op 13 april 2015, naar de [straat] gefietst. Aldaar heeft hij de explosieven aan een andere woonboot bevestigd, namelijk de woonboot van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Door middel van een thermietbrand heeft hij de bewoners uit de woonboot gelokt. Toen zij buiten stonden heeft verdachte één van de explosieven aangestoken welke, op het moment dat [slachtoffer 1] de lont stond te blussen, is ontploft. Ten gevolge hiervan is [slachtoffer 1] overleden en is [slachtoffer 2] zeer ernstig gewond geraakt.

Verdachte heeft aldus eerst een moord voorbereid op een persoon die volgens hem ten onrechte niet was vervolgd voor een zedenmisdrijf. Vervolgens heeft hij een vergissing in de uitvoering gemaakt die noodlottig zou worden voor bewoners van een naburige woonboot.
Verdachte heeft [slachtoffer 1] daarmee het meest fundamentele recht ontnomen waarover de mens beschikt: het recht op leven. Bovendien heeft verdachte door zijn handelen onherstelbaar verlies en leed toegebracht aan [slachtoffer 2] . Dit is ter terechtzitting op niet mis te verstane wijze gebleken uit de, in het kader van de uitoefening van het spreekrecht, uitgesproken verklaring van [slachtoffer 2] .

Tevens is door dit delict, waarvan meerdere mensen ongewild getuige zijn geweest, de rechtsorde ernstig geschokt. Een gebeurtenis als de onderhavige wekt gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid in de samenleving.
De rechtbank rekent verdachte beide strafbare feiten zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 25 februari 2016, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder terzake van een geweldsdelict is veroordeeld;

- het psychologische Pro Justitia rapport, gedateerd 28 september 2015, opgesteld door [psycholoog 1] , GZ-psycholoog, onder supervisie van [psycholoog 2] , GZ-psycholoog;

- het psychiatrische Pro Justitia rapport, gedateerd 29 september 2015, opgesteld door [psychiater 1] , psychiater;

- het Pro Justitia rapport, gedateerd 10 februari 2016, opgesteld door een multidisciplinair team en ondertekend door [psychiater 2] , psychiater, en [psycholoog 3] , psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC).

Uit de ambulante psychologische en psychiatrische Pro Justitia rapporten komt naar voren dat verdachte niet heeft willen meewerken aan de afzonderlijke onderzoeken. Zowel de psycholoog als de psychiater hebben niettemin geconcludeerd dat het dossier aanwijzingen bevat voor mogelijke psychische problematiek. Zij hebben beiden geadviseerd dat verdachte zal worden onderzocht in het Pieter Baan Centrum.

Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum komt naar voren dat verdachte ook aan dit onderzoek geen medewerking heeft verleend. In de gesprekken tussen de onderzoekers en verdachte wordt echter wel een aantal bijzonderheden waargenomen die aanleiding geven tot het sterke vermoeden van pathologie bij verdachte. Het lukt verdachte niet om het contact met de onderzoekers geheel af te houden en de gesprekken verlopen ongemakkelijk. Verdachte maakt een angstige, onzekere en verlegen indruk. Hij is geregeld emotioneel zonder dat de oorzaak hiervan duidelijk wordt. Bovendien worden er opvallendheden in het denken van verdachte geconstateerd.

Ook wanneer de onderzoekers naar de levensloop van verdachte kijken – en met name naar die van de laatste tien jaar – dan zien zij sterke aanwijzingen voor het bestaan van pathologie bij verdachte. Uit de levensloop blijkt dat hij vanaf zijn puberteit vastloopt in zijn leven, begint en stopt met verschillende studies en er ernstige problemen ontstaan in de relatie met zijn moeder. Verdachte is gepreoccupeerd met een aantal onderwerpen die alle gerelateerd lijken te zijn aan onrecht, boosheid en teleurstelling. Met name in de periode voor het ten laste gelegde laat verdachte vreemde gedragingen zien en doet uitspraken waardoor verschillende mensen uit de omgeving van verdachte hun zorgen melden bij de politie.

Hoewel dit beloop naar de mening van onderzoekers wijst op het bestaan van pathologie, kunnen over de aard en omvang hiervan op basis van de levensloop geen uitspraken worden gedaan. Wel zien onderzoekers in de levensloop van verdachte in ieder geval voldoende criteria om de diagnose misbruik van cannabis te kunnen stellen.

De onderzoekers concluderen dat bij verdachte, behalve van misbruik van cannabis, sprake moet zijn van andere psychopathologie, zowel ten tijde van het onderhavige onderzoek als ten tijde van het ten laste gelegde. Het ontbreekt onderzoekers echter aan informatie om de precieze aard en omvang van deze pathologie te kunnen bepalen. Zowel een primaire psychotische stoornis (zoals passend bij schizofrenie of een waanstoornis), een psychotische stoornis door het gebruik van middelen, een depressieve stoornis, angststoornis, autistische stoornis of persoonlijkheidsstoornis kon niet worden aangetoond, noch worden uitgesloten. Een ernstige stemmingsstoornis, zoals een ernstige vitale depressie of manie, en een verminderde intelligentie kunnen wel als diagnoses worden uitgesloten. Ook kan uit de observatie en voorgeschiedenis worden geconcludeerd dat verdachte niet bekend is met agressie. Tijdens het onderzoek beschikte hij over voldoende impulscontrole en agressieregulatie om een primaire agressieregulatiestoornis uit te kunnen sluiten.

Door de forse beperkingen van het onderzoek is het de onderzoekers niet gelukt om de precieze aard en omvang van de pathologie te onderzoeken, alsmede de eventuele relatie met het ten laste gelegde, indien bewezen, te kunnen bepalen. Ook de eventuele invloed van het cannabismisbruik in relatie tot het ten laste gelegde is niet te bepalen. Het is in het bijzonder niet duidelijk geworden hoe vrij verdachte is geweest in het maken van keuzes en afwegingen voorafgaand aan het ten laste gelegde. Een uitspraak over de doorwerking en mate van toerekeningsvatbaarheid kan dan ook niet worden gedaan. In het verlengde hiervan is ook geen klinische inschatting van de pathologisch bepaalde kans op een recidive van feiten als het ten laste gelegde te maken.

Nu onderzoekers weliswaar komen tot de conclusie dat er bij verdachte, naast het cannabismisbruik, sprake moet zijn van niet nader gespecificeerde pathologie, maar zij geen uitspraken kunnen doen over de relatie tussen de pathologie en de ten laste gelegde feiten, over de toerekeningsvatbaarheid en het pathologisch bepaalde recidivegevaar, onthouden zij zich van een advies tot behandeling in een gedwongen kader.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de enkele weigering van verdachte om mee te werken aan persoonlijkheidsonderzoek in het kader van Pro Justitia rapportages, in beginsel geen belemmering vormt om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. De ‘vaststelling’ van het bestaan van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte in de zin van artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht geschiedt immers bij uitstek door de rechter.

Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde leed aan een ziekelijke stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Daarbij neemt de rechtbank allereerst de hierboven weergegeven bevindingen van de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum in aanmerking, die op basis van een klinische observatie van verdachte en na kennisneming van eerdere over verdachte opgemaakte rapporten, het dossier en de aard en de ernst van het ten laste gelegde, een dergelijke stoornis niet hebben kunnen vaststellen.
De rechtbank neemt de conclusie over welke inhoudt dat sprake moet zijn van niet nader gespecificeerde pathologie. Ook blijkt uit de levensloop van verdachte dat hij vanaf zijn puberteit vastloopt in zijn leven. Er zijn echter geen rapportages of andere stukken uit eerder persoonlijkheidsonderzoek beschikbaar en de door de gedragsdeskundige vermoede pathologie is naar het oordeel van de rechtbank op grond van de overige stukken uit het dossier evenmin nader te duiden. Als gevolg hiervan zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank evenmin in ander verband toe aan beslissingen omtrent een eventuele behandeling van verdachte, hoewel behandeling mogelijk zeer wenselijk dan wel noodzakelijk is om het recidivegevaar te beteugelen.
De rechtbank acht dit recidivegevaar wel degelijk in betekenende mate aanwezig. De kans op herhaling is weliswaar klinisch niet in te schatten, maar de rechtbank stelt vast dat verdachte een moord heeft voorbereid op een persoon die uiteindelijk niet door verdachte is getroffen. De enkele mededeling van verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat hij niet in herhaling zal vallen, kan de rechtbank niet overtuigen, aangezien verdachte door de weigering van zijn medewerking geen inzicht heeft gegeven in zijn persoon.
De huidige opstelling van verdachte brengt daarnaast mee dat de rechtbank geen rekening kan houden met eventueel aanwezige strafverminderende omstandigheden, welke zouden kunnen zijn gelegen in zijn beweegredenen, belevingswereld of mate van (on)toerekeningsvatbaarheid. Ook hierin heeft verdachte nauwelijks inzicht verschaft.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gegeven dat sprake is geweest van een vergissing en dat het handelen van verdachte slechts gericht was op het toebrengen van materiële schade aan de woonboot van [slachtoffer 3] strafmatigend dient te werken. De rechtbank zal niet meegaan in dit verzoek. Zoals de rechtbank hierboven in 4.3.2 heeft overwogen acht de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig.

Tot slot heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte na het ten laste gelegde geen blijk heeft gegeven van spijt dan wel van enig andere emotie. Integendeel is verdachte drie dagen na de explosie met de hem bekende gevolgen teruggegaan naar de [straat] en heeft toen steentjes van de plaats delict meegenomen en bij zijn moeder en zus in de brievenbus gedaan om hen – voorgeval van arrestatie – te laten weten dat hij de dader was.

De rechtbank komt dus tot een bewezenverklaring van het delict van artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, met dodelijke afloop en zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Het tweede bewezenverklaarde feit is de voorbereiding van moord op een ander. Deze voorbereiding is uiteindelijk geresulteerd in de fatale explosie, zoals onder het eerste feit bewezen zal worden verklaard. Juridisch betekent dit, dat aan verdachte twee feiten kunnen worden verweten maar feitelijk bestaat er een grote mate van samenhang tussen beide feiten. Dit brengt mee dat de rechtbank tot een lagere strafoplegging komt dan voorgesteld door de officier van justitie. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank het zwaarst meegewogen het teweegbrengen van de fatale explosie in de omgeving van woonboot [X] .

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Ten aanzien van parketnummer 15/870649-15:

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

1. STK Bon

kassa

267125 (E.01.01.001) kassabon van de snuffelaar

2 9.00 STK Sleutelbos

-

267286

3 1.00 STK Enveloppe

-

462392 inhoudende oa. oordoppen etc

4 1.00 STK Computer

MERKLOOS

267140 (E03.01.002)

5 1.00 STK Touw Kl:geel

-

267131 (E02.01.001)

6 1.00 STK USB-stick

-

267141 (E 03.01.002)

7 1.00 STK Haspel Kl:blauw

-

267132 (E.02.01.002)

8 1.00 STK Diverse

MOTOROLA

267168 onderdelen smartphone

9 2.00 STK Telefoontoestel

DIVERSE

267139 (E02.04.001) Motorola en Wolfgang

dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

9 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Mr. A.J.J.G. Schijns en mr. I.D. Degenaar hebben namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] een vordering tot schadevergoeding van € 474.840,89 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder parketnummer 15/870649-15 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit:

  1. € 60.000,- voorschot op immateriële schade

  2. € 122.901,50 verlies van arbeidsvermogen

  3. € 144.376,- derving van levensonderhoud

  4. € 1.105,50 kosten van lijkbezorging

  5. € 6.125,- medische kosten (niet vergoed)

  6. € 10.832,50 reis- en begeleidingskosten

  7. € 62.791,- huishoudelijke hulp

  8. € 10.432,- verlies van zelfwerkzaamheid

  9. € 28.833,77 schade woonboot

  10. € 2.825,- algemene kosten en kosten zonder nut

  11. € 11.070,- kosten van rechtsbijstand

  12. € 40,50 kosten opvragen medische informatie

  13. € 2.419,40 kosten medisch adviseur

  14. € 10.719,51 kosten Groot Letselschade Experts

  15. € 369,11 wettelijke rente over de in bijlage 2 genoemde schadeposten

  16. wettelijke rente over de overige schadeposten vanaf 13 april 2015

9.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering met inachtneming van de navolgende punten toe te wijzen en voor het overige de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

Ten aanzien van de post verlies van arbeidsvermogen heeft de officier van justitie voorgesteld om van de twee scenario’s de meest behoudende te kiezen aangezien zij die als zeer redelijk beoordeelt. Een andere mogelijkheid is om te kiezen voor vergoeding van het verlies over een beperkt aantal jaren. Ook ten aanzien van de posten reis- en begeleidingskosten, huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid heeft de officier van justitie gewezen op de mogelijkheid om de vergoeding van de kosten tot een bepaald aantal jaren te beperken.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat een inhoudelijke behandeling van deze vordering een te zware belasting vormt voor het rechtsgeding. Dat er in een civiele procedure geen effectief schadeverhaal valt te verwachten voor het slachtoffer is volgens de verdediging geen argument om een vordering die een te zware belasting vormt niettemin in dit rechtsgeding inhoudelijk te behandelen.

De verdediging heeft subsidiair per post verweer gevoerd.

Ten aanzien van de immateriële schade is door de verdediging aangevoerd dat een voorschot wordt verzocht op basis van een onduidelijke eindsituatie. Van een medische eindtoestand is nog geen sprake en ook de psychische gevolgen van het gebeurde zijn nog niet inzichtelijk. Aangezien in de vordering geen volledig en duidelijk beeld geschetst wordt van de immateriële schade dient de vordering op dit punt niet ontvankelijk te worden verklaard.

Wat betreft de post verlies van arbeidsvermogen heeft de verdediging aangevoerd dat bij de berekening in het letselschaderapport is uitgegaan van aannames, stellingen en scenario’s terwijl ten minste een arbeidsdeskundige evaluatie nodig is. Aangezien geen arbeidsdeskundig onderzoek is verricht, is het onduidelijk wat het verdienvermogen van de benadeelde partij nu en in de toekomst nog kan zijn. Uit het rekenkundig rapport blijkt niet of sprake is van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Bij gebreke van de ter onderbouwing van de vordering benodigde rapportage heeft de verdediging verzocht de vordering op dit punt niet ontvankelijk te verklaren.

Ook de post derving levensonderhoud dient volgens de verdediging niet ontvankelijk te worden verklaard. De geschetste scenario’s ten aanzien van het inkomen van [slachtoffer 1] zijn te onduidelijk om hierover een inhoudelijke beslissing te kunnen nemen.

De verdediging heeft bovendien verzocht de post reis- en begeleidingskosten niet ontvankelijk te verklaren nu zij stelt dat in het letselschaderapport enkel van niet-onderbouwde stellingen is uitgegaan.

Ook bij de post huishoudelijke hulp ontbreekt de onderbouwing, aldus de verdediging. Uit het rapport blijkt dat de benadeelde partij haar oude werk weer heeft opgepakt en voor hetzelfde aantal uren per week werkzaam is. Onduidelijk is waarom zij in het huishouden beperkt is en wat deze beperkingen precies inhouden. De opsteller van het letselschaderapport is zonder arbeidsdeskundige rapportage overgegaan tot een bepaling van de schade zonder de daarvoor benodigde uitgangspunten uiteen te zetten. De onderbouwing voor de conclusie dat vanaf 2016 tot en met 2043 vijf uren huishoudelijke hulp per week nodig zijn ontbreekt. De verdediging heeft verzocht de vordering op dit punt niet ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de post verlies van zelfwerkzaamheid wordt in het rapport aangegeven dat er feitelijk een arbeidsdeskundige evaluatie noodzakelijk is. Vervolgens wordt zonder deze onderbouwing wel een inschatting gemaakt. Onduidelijk is waarom van het normbedrag van € 741,- is uitgegaan. Onverklaard is over wat voor type woning het gaat. Voor de komende vijf jaar wordt berekend dat sprake is van een kostenpost € 2.500,-. Bovendien wordt vanaf 2021 tot 2043 gerekend met een afgerond bedrag van € 500,-. Onduidelijk is waar dit bedrag op is gebaseerd. De verdediging heeft derhalve verzocht de vordering op dit punt niet ontvankelijk te verklaren.

De verdediging heeft aangevoerd dat voor de post algemene kosten en kosten zonder nut onvoldoende onderbouwing aanwezig is en daarom niet ontvankelijk verklaard dient te worden.

Ten aanzien van de post kosten van rechtsbijstand heeft de verdediging primair verzocht om het geldende liquidatietarief te hanteren. Doordat in het systeem van het liquidatietarief met verschillende tarieven wordt gewerkt, die afhankelijk zijn van de geldswaarde van de vordering, is in dit systeem wel degelijk voorzien in de behandeling van complexe zaken. In onderhavige zaak gaat het om een vordering van één persoon in verband met één strafbaar feit. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak daarmee niet dusdanig complex is dat niet met het standaard liquidatietarief kan worden volstaan. Bovendien heeft de verdediging opgemerkt dat het volle uurtarief is gerekend voor een reistijd van 3 uur op 17 november 2015 en reistijd voor deze zittingsdag van 2 uur. Binnen het standaard liquidatietarief is geen ruimte voor de vergoeding van reistijd. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de post te matigen.

Ten aanzien van de posten kosten van lijkbezorging, medische kosten (niet vergoed), schade woonboot, kosten opvragen medische informatie en kosten medisch adviseur heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ook ten aanzien van de post kosten Groot Letselschade Experts heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behalve ten aanzien van de reis- en verblijfskosten. Onduidelijk is hoe deze kosten tot stand zijn gekomen. Het is niet opgenomen in de urenspecificatie en wordt verder ook niet toegelicht. De verdediging heeft verzocht om de vordering op dit punt niet ontvankelijk te verklaren.

Tot slot heeft de verdediging opgemerkt dat ten aanzien van de wettelijke rente rekening wordt gehouden met verlies van arbeidsvermogen en materiële schade tot 2016. De verdediging heeft – zoals hierboven weergegeven – naar voren gebracht zich niet te kunnen vinden in deze berekeningen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet dient over te gaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat beperkte draagkracht aan de zijde van een veroordeelde reden kan zijn om de schadevergoedingsmaatregel niet toe te passen. In onderhavige zaak is het minst genomen waarschijnlijk dat de rechtbank tot oplegging van een langdurige gevangenisstaf zal komen. Als dat het geval is, betekent dit dat verdachte tenminste gedurende die periode niet over enige noemenswaardige verdiencapaciteit zal beschikken. Verdachte beschikt momenteel ook niet over vermogen. Hiermee is het niet waarschijnlijk dat verdachte een toe te wijzen vordering zal kunnen betalen. Dit zou feitelijk tot gevolg hebben dat de vervangende hechtenis zal worden geëxecuteerd, hetgeen als strafverzwaring dient te worden aangemerkt.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de schadevergoedingsmaatregel zich niet te laten uitstrekken over de gevorderde kosten voor rechtsbijstand, aangezien deze kosten niet als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de inhoudelijke behandeling van de vordering niet een te zware belasting vormt voor het rechtsgeding zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De rechtbank ziet in de omvang van de vordering en de diversiteit van de gevorderde kosten geen aanleiding om de benadeelde partij niet te ontvangen in haar vordering. De rechtbank zal hieronder de afzonderlijke posten bespreken.

Met betrekking tot de immateriële schade stelt de rechtbank voorop dat uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij uitgebreid lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen. Zij heeft het zicht aan haar rechteroog verloren. Uit het overzicht van de ingeschakelde medisch adviseur van 22 maart 2016 blijkt welke operatieve ingrepen reeds zijn uitgevoerd en welke ingrepen en behandelingen nog verwacht kunnen worden. Het gaat daarbij om de vakgebieden mond- en kaakchirurgie, bijzondere tandheelkunde, plastische chirurgie, oogheelkunde, KNO-heelkunde, neuropsychologie en psychologie. In de toelichting op de vordering is opgemerkt dat [slachtoffer 2] op de geplande datum van haar huwelijk met [slachtoffer 1] nog in coma lag. De aangezichtsschade en de beperkingen zijn deels blijvend van aard.
Hoewel medisch nog niet van een eindtoestand kan worden gesproken, kan naar het oordeel van de rechtbank de aan verdachte toe te rekenen immateriële schade thans reeds in redelijkheid worden begroot op minstgenomen een bedrag van € 50.000,00. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank zal de vordering voor het overige niet ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank als volgt.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten kosten van lijkbezorging (€ 1.105,50), medische kosten (niet vergoed) (€ 6.125,00), schade woonboot (€ 28.833,77), kosten opvragen medische informatie (€ 40,50), kosten medisch adviseur (€ 2.419,50), is namens verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.
De vordering met betrekking tot deze schadeposten zal dan ook worden toegewezen.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien het letsel, het zeer aannemelijk is dat sprake is van een verminderde verdiencapaciteit. Voor de begroting hiervan acht de rechtbank een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek noodzakelijk. Nu een dergelijk onderzoek ontbreekt en ook de overige stukken onvoldoende inzicht geven in de toekomstige verdiencapaciteit van de benadeelde partij, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangesloten bij (een van) de in het letselschaderapport geschetste scenario’s. Ter terechtzitting is wel gebleken dat de benadeelde partij geen arbeidsongeschiktheids-verzekering heeft. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij van mei 2015 tot en met augustus 2015 – zijnde vier maanden – onbetaald verlof heeft opgenomen. Haar nettosalaris bedroeg in 2015 € 1.960,09 per maand. De geleden loonderving bedraagt derhalve 4 x € 1960,09 = € 7.840,36. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen. De rechtbank zal de vordering voor het overige niet ontvankelijk verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat een toereikende onderbouwing ontbreekt voor de begroting van de derving van levensonderhoud. De stukken bieden onvoldoende gegevens om de toekomstige inkomenssituatie van wijlen [slachtoffer 1] vast te stellen. [slachtoffer 1] is per oktober 2013 als een startende zelfstandig ondernemer begonnen. De rechtbank acht de gehanteerde referentieperiode van oktober 2013 tot 13 april 2015 te kort om het resultaat van zijn onderneming naar de toekomst door te trekken, nu de stukken geen gegevens bevatten over de gemiddeld te verwachten omzet. Uitvoeriger onderzoek naar deze verwachting is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk. Een dergelijk onderzoek ontbreekt. De rechtbank zal de vordering op dit punt niet ontvankelijk verklaren.

De rechtbank stelt ten aanzien van de reis- en begeleidingskosten vast dat de benadeelde partij geen administratie heeft bijgehouden van de ritten die vanaf de ongevalsdatum zijn gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het reeds verschenen jaar 2015 de schatting zoals gemaakt op pagina 23 van het rapport aanvaardbaar, nu de benadeelde partij indertijd redelijkerwijs geen prioriteit hoefde te geven aan administratie. De reiskosten betreffen: 7,5 maanden x 500 km x € 0.29 = € 1.087,50. De begeleidingskosten betreffen: 7,5 maanden x 25 uur x € 10,- = € 1.875,00. De totale reis- en begeleidingskosten betreffen derhalve € 1.087,50 + € 1.875,00 = € 2.962,50. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De rechtbank zal de vordering voor het overige niet ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de post huishoudelijke hulp stelt de rechtbank vast dat – om de hulpbehoefte goed vast te stellen – een arbeidsdeskundig onderzoek noodzakelijk is. Een dergelijk onderzoek ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het jaar 2015 aansluiting bij de richtlijn Huishoudelijke Hulp van De Letselschade Raad aanvaardbaar. De rechtbank stelt vast dat de kosten voor huishoudelijke hulp voor de periode medio april 2015 tot begin 2016 betreffen: 33 weken x € 65,00 = € 2.145,00. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ook ten aanzien van de post verlies van zelfwerkzaamheid stelt de rechtbank vast dat een arbeidsdeskundig onderzoek noodzakelijk is, terwijl dit ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het jaar 2015 aansluiting bij de richtlijn Zelfredzaamheid van De Letselschade Raad aanvaardbaar. De rechtbank stelt vast dat de voor 2015 bedraagt: 7,5/12 x € 518,70 = € 324,19. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat de post algemene kosten en kosten zonder nut van € 2.825,00 voldoende is onderbouwd en derhalve toewijsbaar is.

De rechtbank stelt op grond van pagina 6 van de brief van 11 maart 2016, zijnde een toelichting van de raadslieden van de benadeelde partij, en de daarbij gevoegde bijlage 4 vast dat de post kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € 11.070,00 voldoende is onderbouwd en derhalve toewijsbaar is. De rechtbank is van oordeel dat het standaard liquidatietarief geen recht doet aan de aard van deze zaak.

De rechtbank stelt op grond van pagina 7 van de brief van 11 maart 2016, zijnde een toelichting van de raadslieden van de benadeelde partij, en bijlage 6 vast dat de post kosten Groot Letselschade Experts van € 10.719,51 voldoende is onderbouwd en derhalve toewijsbaar is.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de immateriële en materiële schade tot een bedrag van € 126.410,83 rechtstreeks voortvloeit uit het onder parketnummer 15/870649-15 bewezen verklaarde feit. De schade bestaat uit € 50.000,00 voor de immateriële schade, € 65.340,85 voor de materiële schade en € 11.070,00 voor de kosten van rechtsbijstand. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag van 13 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder parketnummer 15/870649-15 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De rechtbank ziet in de beperkte draagkracht van verdachte, zoals gesteld door de verdediging, geen aanleiding om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten. Niet kan reeds nu worden vastgesteld dat verdachte nu en in de toekomst onvoldoende draagkracht zal hebben om het schadebedrag te voldoen.

De maatregel wordt niet opgelegd ten aanzien van de kosten voor rechtsbijstand, nu deze post niet gerekend wordt tot rechtstreekse schade in de zin van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 46, 57, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 15/128865-14 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

 Verklaart bewezen dat verdachte de onder parketnummer 15/870649-15 en onder parketnummer 15/700046-16 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder parketnummer 15/870649-15 en onder parketnummer 15/700046-16 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 126.410,83 (zegge: honderdzesentwintig duizend vierhonderdtien euro en drieëntachtig cent), bestaande uit € 76.410,85 voor de materiële en € 50.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 115.340,83 (zegge: honderdvijftien duizend driehonderdveertig euro en drieëntachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. STK Bon

kassa

267125 (E.01.01.001) kassabon van de snuffelaar

2 9.00 STK Sleutelbos

-

267286

3 1.00 STK Enveloppe

-

462392 inhoudende oa. oordoppen etc

4 1.00 STK Computer

MERKLOOS

267140 (E03.01.002)

5 1.00 STK Touw Kl:geel

-

267131 (E02.01.001)

6 1.00 STK USB-stick

-

267141 (E 03.01.002)

7 1.00 STK Haspel Kl:blauw

-

267132 (E.02.01.002)

8 1.00 STK Diverse

MOTOROLA

267168 onderdelen smartphone

9 2.00 STK Telefoontoestel

DIVERSE

267139 (E02.04.001) Motorola en Wolfgang

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. M.S. Lamboo, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. Naeije, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 april 2016.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen digitaal onderzoek IBN van 23 juli 2015, p. 1333.

3 Proces-verbaal Intelligence van 13 mei 2015, p. 764-765.

4 Proces-verbaal van bevindingen digitaal onderzoek IBN van 23 juli 2015, p. 1334.

5 Proces-verbaal van bevindingen digitaal onderzoek IBN van 23 juli 2015, p. 1327-1328.

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 11 mei 2015, p. 385-386.