Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2774

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5402
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing voor het doden van meeuwenjongen, het opzettelijk verontrusten en het verwijderen van nesten en eieren.

Naar oordeel van de rechtbank is de reikwijdte van de ontheffing is naar plaats en risico te ruim opgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat cervicale dislocatie moet worden aangemerkt als middel of methode voor het doden van dieren dat bij wettelijk voorschrift dient te worden aangewezen. Nu cervicale dislocatie niet als zodanig is aangewezen is het gebruik hiervan niet toegestaan. Verweerder heeft ten onrechte hiervoor ontheffing verleend.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7302
OGR-Updates.nl 2016-0096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/5402

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 april 2016 in de zaak tussen

Vereniging Vogelwerkgroep Midden-Kennemerland en de Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, te Castricum, eisers

(gemachtigde: mr. A.H. Jonkhoff),

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigde: H.A. Schoordijk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Tata Steel IJmuiden B.V., te IJmuiden, gemachtigde: mr. G.C.W. van der Feltz.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Tata Steel IJmuiden B.V. (hierna: Tata Steel) voor drie vogelsoorten – de zilvermeeuw, kleine mantelmeeuw en de stormmeeuw – ontheffing verleend ingevolge artikel 68 van de Flora- en Faunawet (Ffw), voor het doden van meeuwenjongen, het opzettelijk verontrusten en het verwijderen van nesten en eieren op de terreinen van Tata Steel.

Bij besluit van 18 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Eisers zijn vertegenwoordigd door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door gemachtigde mr. A.H. Jonkhoff. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en C.F. Schoon, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Holland.

De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] , bijgestaan door gemachtigde mr. G.C.W. van der Feltz.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, eerste volzin, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010 L 20) (hierna: de Vogelrichtlijn) heeft deze richtlijn betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is.

Ingevolge artikel 5, voor zover hier van belang, nemen de lidstaten onverminderd de artikelen 7 en 9 de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:

a. a) een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen;

b ) een verbod om opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadigen of hun nesten weg te nemen ;

c ) een verbod om in de natuur eieren van deze vogels te rapen en deze - zelfs leeg - in bezit te hebben ;

d ) een verbod om deze vogels , met name gedurende de broedperiode , opzettelijk te storen , voor zover een dergelijke storing , gelet op de doelstellingen van deze richtlijn , van wezenlijke invloed is ;

e ) een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen .

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, mogen de lidstaten, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid afwijken van de artikelen 5 tot en met 8.

Ingevolge het tweede lid dient in de afwijkende bepalingen te worden vermeld :

- voor welke soorten mag worden afgeweken ,

- welke middelen , installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan ,

- onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen ,

- welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan , en te beslissen welke middelen , installaties of methoden mogen worden aangewend , binnen welke grenzen en door welke personen ,

- welke controles zullen worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw kunnen gedeputeerde staten in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort – voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van de Ffw vrijstelling is of kan worden verleend - ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18,53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid en 74.

2. Het beleid van het provinciebestuur van Noord-Holland inzake de toepassing van de Ffw is vastgelegd in de beleidsnotitie “Flora- en faunawet Noord-Holland” van 17 december 2007.

De beleidsnotitie geeft aan dat het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid wordt geschaad als onveilige situaties voor grote groepen mensen ontstaan. Voorbeelden

zijn:

• besmetting met ziekteverwekkers, bijvoorbeeld door de vos (hondsdolheid, vossenlintworm),

vogels (colibacteriën, botulisme) of ratten (virussen of bacteriën, zoals ziekte van Weil);

• ondergraving van primaire waterkeringen of weglichamen van openbare wegen door konijnen, muskusratten, beverratten of vossen;

• aanrijdingen waarbij reeën en damherten betrokken zijn.

Bij fysieke of geluidsoverlast voor individuen of bij ondergraving van fiets- of voetpaden is naar de mening van verweerder het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid niet in het geding.

Ten aanzien van het gevoerde ontheffingsbeleid geeft de beleidsnotitie aan dat verweerder in bijzondere gevallen ontheffing verleent in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid. Verweerder toetst elke aanvraag afzonderlijk op noodzaak van ingrijpen en effectiviteit van de voorgestelde maatregelen. Verweerder verleent ontheffingen in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid bij voorkeur aan openbare bestuursorganen óf aan de Faunabeheereenheid namens het betrokken openbare bestuursorgaan. Eventueel kan aan anderen ontheffing worden verleend, maar dan kan een ondersteunende verklaring van bijvoorbeeld de gemeente, Keuringsdienst van Waren of GG&GD worden geëist.

De noodzaak van ingrijpen dient deugdelijk te worden gemotiveerd op grond van de daarover beschikbare gegevens.

Tot slot geeft verweerder in de beleidsnotitie aan terughoudend te zijn met het verlenen van ontheffingen voor doden. Verweerder toetst elke aanvraag afzonderlijk op noodzaak van ingrijpen en effectiviteit van de voorgestelde maatregelen. Ontheffingen worden bij voorkeur verleend aan een openbaar orgaan.

3. Tata Steel heeft verzocht om ontheffing van de verbodsbepalingen in de artikelen 9, 10, 11 en 12 van de Ffw voor een periode van vijf jaar. Aanleiding hiervoor is het feit dat zilvermeeuwen, kleine mantelmeeuwen en stormmeeuwen steeds meer hun broed- en verblijfplaatsen zoeken op daken, bovengrondse leidingstracés en installaties op het bedrijventerrein van Tata Steel. Medewerkers die controlewerkzaamheden moeten uitvoeren op hooggelegen plaatsen worden regelmatig aangevallen door broedende vogels hetgeen tot gevaarlijke situaties leidt. Ook worden passanten en weggebruikers van parkeerterreinen bedreigd door op lager gelegen gebouwen alsmede in bermen broedende vogels, hetgeen eveneens tot (verkeers)gevaarlijke situaties kan leiden.

4. Verweerder heeft vanaf het broedseizoen van 2015 voor een periode van vijf jaar de gevraagde ontheffing verleend, gehoord het Faunafonds. Daarbij heeft verweerder als voorwaarde gesteld dat eerst de minst ingrijpende maatregel (opzettelijk verontrusten) moet worden ingezet alvorens over te gaan tot zwaardere maatregelen (nestbehandeling en doden). Verweerder heeft daarbij benadrukt dat het doden van meeuwenkuikens die in de nesten zitten, gezien moet worden als een allerlaatste mogelijkheid en alleen mag worden ingezet als het echt niet anders kan.

Verweerder geeft aan dat, in aanmerking nemende de rapportages die Tata Steel heeft gemaakt gedurende een eerder verleende ontheffing in de periode 2008-2012, Tata Steel zich meer moet inzetten om de probleemgevende nesten te verwijderen, dan wel te behandelen vóórdat de eieren uitkomen. Tata Steel dient gegevens hieromtrent nauwgezet te documenteren en voorts te rapporteren aan verweerder iedere keer als gebruik wordt gemaakt van de ontheffing van artikel 9 van de Ffw.

In het bestreden besluit heeft verweerder de ontheffing nog in die zin verduidelijkt dat het doden van de vogelsoorten slechts is gericht op de meeuwenjongen voor zover deze op onveilige plaatsen zitten en voor zover de eieren en nesten ter plaatse niet eerst konden worden verwijderd.

5.1

Eisers voeren aan dat niet is aangetoond dat er noodzaak is om de bestreden ontheffing te verlenen. De omstandigheid dat in 2013 geen noodzaak bestond een ontheffing aan te vragen geeft aanleiding om aan te nemen dat daar nu evenmin sprake van is. Nu verweerder heeft nagelaten meer bewijs te vragen van Tata Steel ten aanzien van de noodzaak van de maatregel is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid, aldus eisers.

Eisers bestrijden voorts dat de volksgezondheid en openbare veiligheid in het onderhavige geval in het geding is. Het belang ‘volksgezondheid en openbare orde’ heeft – zo blijkt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) – een beperkte reikwijdte, aldus eisers. Hier is sprake van een bedrijfsbelang dat niet aldus kan worden aangemerkt.

5.2

In de aanvraag heeft Tata Steel aangegeven dat omdat de vossenpopulatie in het duingebied groeit, de meeuwen steeds meer hun broed- en verblijfplaats zoeken op daken, bovengrondse leidingtracés en installaties. Controlewerkzaamheden op deze hooggelegen plaatsen in verband met de veiligheid van de bedrijfsprocessen en het voorkomen van incidenten met milieugevaarlijke stoffen, worden hierdoor ernstig bemoeilijkt. Medewerkers worden regelmatig aangevallen door broedende vogels en kunnen letsel oplopen of van daken vallen.

5.3

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen Tata Steel heeft gesteld ten aanzien van de situatie op de daken, bovengrondse leidingtracés en installaties. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Tata Steel hier voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet alleen de veiligheid van individuele medewerkers in het geding is, maar ook dat noodzakelijke controlewerkzaamheden kunnen worden belemmerd. Gelet op de aard van de bedrijfsvoering van Tata Steel kan dit leiden tot risico’s voor de veiligheid in de omgeving van het bedrijf. Dat dit tevens een bedrijfsbelang kan inhouden – zoals eisers hier betogen – maakt dat niet anders. De rechtbank acht met verweerder dan ook aannemelijk dat er sprake is van een noodzaak om een ontheffing in enigerlei vorm te verlenen met oog op de aanvallen van broedende meeuwen, in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid. Het feit dat in 2013 door Tata Steel kennelijk geen gebruik is gemaakt van een ontheffing doet hieraan niet af.

6.1

Eisers voeren aan dat de ontheffing naar plaats en risico ruimer is opgesteld dan noodzakelijk. Artikel 9, tweede lid, aanhef, derde gedachtestreepje van de Vogelrichtlijn vereist dat een ontheffing beperkt moet zijn naar de plaats waarvoor afwijking van de beschermingsregels nodig is. Nu de bedreigingen zich op grote delen van het bedrijfsterrein niet voordoen, maar de ontheffing daar wel op ziet, is de ontheffing in strijd met deze voorwaarde verleend. Bovendien heeft verweerder, door de ontheffing te verlenen voor het gehele bedrijfsterrein, een veel ruimere ontheffing verleend dan door Tata Steel zelf is aangevraagd. Eisers volgen verweerder voorts niet in diens standpunt dat ook in de buurt van parkeerterreinen sprake is van een risico voor de openbare veiligheid. De stelling dat broedende meeuwen de verkeersveiligheid aantasten achten eisers overdreven. Bovendien heeft verweerder dit risico niet nader onderzocht.

De aanvulling van de ontheffing in het bestreden besluit in die zin dat het doden slechts is gericht op meeuwenjongen voor zover deze op onveilige plaatsen zitten en voor zover de eieren en nesten niet ter plaatse eerst konden worden verwijderd, vinden eisers onvoldoende specifiek. Het begrip ‘onveilige plaatsen’ ziet bovendien op het gehele bedrijfsterrein zodat deze aanvulling geen strikte en terughoudende toepassing van de ontheffing waarborgt. Voor zover de rechtbank deze aanvulling wel specifiek genoeg acht, dient deze in het primaire besluit te worden opgenomen nu blijkens voorschrift 4 van de ontheffing degene die gebruik maakt van de ontheffing het primaire besluit dient te tonen aan toezichthouders, aldus eisers.

6.2

Verweerder heeft aangegeven dat passanten, weggebruikers en gebruikers van parkeerterreinen bedreigd worden door de op lager gelegen daken en in bermen broedende meeuwen. Zij kunnen in een afweer/schrikreactie gewond raken of betrokken raken bij (verkeers)ongevallen, aldus Tata Steel. Ter zitting is echter door Tata Steel desgevraagd aangegeven dat er zich over het algemeen geen grote problemen voordoen bij de parkeerterreinen.

Verweerder heeft voorts in de gedingstukken en ook ter zitting toegelicht dat de ontheffing alleen wordt gebruikt als gevaar zich daadwerkelijk voordoet, dus uitsluitend incident-gestuurd, dient te worden toegepast. Tata Steel heeft ook aangegeven daar op deze wijze mee om te gaan.

6.3.1

De rechtbank stelt vast dat Tata Steel zich in de toelichting van 11 april 2014 bij de aanvraag heeft beperkt tot daken, bovengrondse leidingtracés en installaties op het bedrijventerrein van Tata Steel, alsook tot parkeerterreinen. De rechtbank komt, reeds gelet hierop, tot het oordeel dat verweerder, door de ontheffing zonder beperking in plaats van toepassing te verklaren voor het gehele bedrijfsterrein, de ontheffing ten onrechte te ruim heeft opgesteld. De beperking van het doden van meeuwenjongen tot ‘onveilige plaatsen’ is als te onbepaald op zichzelf onvoldoende.
Daarnaast is de rechtbank uit het verhandelde ter zitting gebleken dat ter plaatse van de parkeerterreinen niet wordt voldaan aan het noodzaaksvereiste.

Gelet op deze omstandigheden, acht de rechtbank het bepaald niet ondenkbeeldig dat ook andere delen van het terrein zijn aan te wijzen waar de volksgezondheid en openbare veiligheid evenmin in het geding zijn. Dit rechtvaardigt het oordeel dat verweerder de reikwijdte van de ontheffing naar plaats te ruim heeft opgesteld.

6.3.2

Ten aanzien van het risico waarop de ontheffing ziet, overweegt de rechtbank allereerst dat de omstandigheid dat ter zitting is gebleken dat uitsluitend sprake dient te zijn incident-gestuurd optreden een relevante voorwaarde van de ontheffing is. De rechtbank stelt echter vast dat de bestreden ontheffing geen aanknopingspunten biedt voor het standpunt van verweerder dat de ontheffing uitsluitend op deze wijze mag worden toegepast. Het enkele vertrouwen dat Tata Steel op een dergelijke wijze van de ontheffing gebruik zal maken is onvoldoende. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat de ontheffing ook naar risico te ruim is opgesteld. De rechtbank overweegt dat slechts met een in de ontheffing uitdrukkelijk opgenomen voorwaarde dat uitsluitend incident-gestuurd van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt, in samenhang met de meldings- en rapportageplicht welke voor Tata Steel voortvloeit uit aan de ontheffing verbonden voorschriften, sprake kan zijn van een zorgvuldig en controleerbaar gebruik van de ontheffing. Het door Tata Steel intern gehanteerde protocol dat incidenten worden gemeld aan de Dienst Bedrijfsbeveiliging van Tata Steel, waarna beoordeeld wordt of aanleiding is om al dan niet gebruik te gaan maken van de ontheffing, dient eveneens onderdeel uit te maken van deze voorschriften.

6.3.3

Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

7.1

Eisers voeren voorts aan dat er alternatieve oplossingen zijn. Zo heeft het Faunafonds aangegeven dat daken ongeschikt kunnen worden gemaakt voor meeuwen. Voorts zou een mobiele kraan uitkomst kunnen bieden bij werkzaamheden op hoogte. Nesten in de bermen kunnen voorts voorkomen worden door het plaatsen van stokken met vlaggen vóór het broedseizoen.

7.2

Ten aanzien van de mogelijkheid een mobiele kraan te gebruiken bij werkzaamheden op hoge gebouwen, heeft Tata Steel ter zitting aangegeven dat een mobiele kraan wel wordt ingezet waar mogelijk, maar dat dit lang niet voor alle situaties bruikbaar is. Ook het geel verven van de daken of het spannen van netten op de daken stuit op praktische problemen gelet op de aard en het gebruik van de gebouwen en de noodzaak daken vrij te houden met oog op controles, dan wel veiligheidseisen.

7.3

De rechtbank acht gelet op hetgeen door verweerder en Tata Steel is gesteld, voldoende aannemelijk dat de door eisers geopperde alternatieven (kraan en bewerken van daken) praktisch moeilijk uitvoerbaar zijn. Nu de nesten op hoge gebouwen het grootste probleem vormen, kunnen alternatieve maatregelen om nestvorming in de bermen tegen te gaan in dit verband niet als andere bevredigende oplossing worden aangemerkt. De beroepsgrond faalt.

8.1

Eisers voeren aan dat in het bestreden besluit – in strijd met artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn – ten onrechte de gehanteerde dodings- en vangmiddelen niet worden genoemd.

8.2

Bij de uitvoering van de onderhavige ontheffing worden meeuwenjongen met de hand gedood door middel van het breken van de nek, ook wel genoemd cervicale dislocatie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, omdat hierbij geen middelen worden gebruikt, er ook geen aanleiding is om deze te benoemen in het bestreden besluit. Verweerder wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op ontheffingen waarbij gebruik wordt gemaakt van aangewezen middelen als de fret en de buidel, waarna vervolgens de bemachtigde konijnen ook met de hand worden gedood alsmede het gebruik van het middel eendenkooi waarbij bemachtigde eenden eveneens met de hand worden gedood. Ook wijst verweerder naar een antwoord van de toenmalige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 januari 2009 op kamervragen, waarbij deze heeft aangegeven dat het met de hand doden van gevangen duiven door ze de nek te breken geoorloofd is.

8.3.1

In artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn is bepaald dat lidstaten die overeenkomstig het eerste lid van dat artikel willen afwijken van de artikelen 5 tot en met 8 van de Vogelrichtlijn in de afwijkende bepalingen onder meer moeten vermelden welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan, onder welke voorwaarden en onder welke omstandigheden van tijd en plaats afwijkende maatregelen mogen worden genomen, en welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 4 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV0107) overwogen dat met deze bepaling niet verenigbaar is dat de bij de afwijkende bepalingen aangewezen autoriteit die moet toetsen of een afwijkende maatregel aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoet, beslist dat dodingsmiddelen mogen worden aangewend die niet in de afwijkende bepalingen als toegestane middelen zijn vermeld. Aangezien bij de afwijkende bepalingen een autoriteit moet worden aangewezen, kunnen de afwijkende bepalingen niet de vorm hebben van een beschikking van die autoriteit, maar moeten deze de vorm hebben van een wettelijk voorschrift. Hieruit volgt dat een bestuursorgaan alleen ontheffing kan verlenen voor doden met gebruikmaking van bij wettelijk voorschrift vastgestelde middelen of methoden, voorwaarden of omstandigheden.

8.3.2

De rechtbank stelt vast dat de bestreden ontheffing niet uitdrukkelijk het gebruik van dodingsmiddelen of dodingsmethoden noemt. Niet ter discussie staat evenwel dat voor het doden van de meeuwenjongen handmatige cervicale dislocatie wordt toegepast. Ter beoordeling staat of deze wijze van doden moet worden aangemerkt als middel, dan wel methode waarmee dieren mogen worden gedood als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. De rechtbank is - anders dan verweerder - van oordeel dat uit het feit dat deze wijze van doden met de hand gebeurt en daarvoor geen andere hulpmiddelen of installaties worden gebruikt niet volgt dat deze wijze van doden niet kan worden aangemerkt als middel en/of methode in vorenbedoelde zin. Nu het een specifieke werkwijze betreft bij de toepassing waarvan uit oogpunt van dierenwelzijn door de wetgever een afweging dient te worden gemaakt over de wenselijkheid van de inzet hiervan, is de rechtbank van oordeel dat cervicale dislocatie moet worden aangemerkt als middel of methode voor het doden van dieren, dat bij wettelijk voorschrift dient te worden aangewezen. De rechtbank gaat mitsdien voorbij aan verweerders verwijzing naar hetgeen de minister op 12 januari 2009 heeft overwogen naar aanleiding van kamervragen. Ook de omstandigheid dat verweerder in eerdere ontheffingen kennelijk het gebruik van fret, buidel of eendenkooi (waarbij eveneens gedood werd middels toepassing van cervicale dislocatie) heeft toegestaan, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

8.3.3

De rechtbank stelt voorts vast dat in artikel 5, eerste lid, van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, noch in een ander wettelijk voorschrift, cervicale dislocatie is genoemd als middel of methode waarmee dieren mogen worden gevangen of gedood. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het gebruik van cervicale dislocatie om de meeuwen te doden dan ook niet toegestaan.

Verweerder heeft dan ook ten onrechte hiervoor ontheffing verleend. De beroepsgrond slaagt.

9.1

Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de voorwaarde gesteld in artikel 68 van de Ffw dat geen afbreuk mag worden gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de drie meeuwensoorten. Verweerder heeft zich ten onrechte gebaseerd op de landelijke populatie in plaats van op de lokale populatie. Nu de ontheffing ziet op het gehele bedrijfsterrein van Tata Steel achten eisers het aannemelijk dat de gunstige staat van de lokale populatie in gevaar komt. Eisers verwijzen ter onderbouwing daarvan naar een inventarisatie van F. Cottaar et al over (onder andere) meeuwen op het (voorheen) Corus terrein in 2004, 2005, 2006 en 2008.

9.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de zilvermeeuw, kleine mantelmeeuw en de stormmeeuw in Nederland beschermde inheemse, maar niet bedreigde diersoorten zijn. Bovendien heeft verweerder ter zitting toegelicht dat deze meeuwen een actieradius hebben van 200 km en het daarmee een landelijke populatie betreft. Delen van deze populatie broeden bij IJmuiden, andere delen broeden op Texel of bij Rotterdam. Gebruikmaking van deze ontheffing zal slechts leiden tot een beperkte ingreep in de gehele, landelijke, populatie. Voor de gunstige staat van instandhouding van deze vogels hoeft derhalve niet gevreesd te worden, aldus verweerder.

9.3

De rechtbank volgt verweerder in diens standpunt dat in het onderhavige geval sprake is van een populatie vogels wiens leefgebied zich verder uitstrekt dan het Tata Steel terrein. Voor de beantwoording van de vraag of afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding dient dan ook verder gekeken te worden dan naar de lokale populatie op het Tata Steel terrein. De tellingen verricht op het Tata Steel terrein waarnaar eisers verwijzen, geven op zichzelf dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat vrees bestaat voor afbreuk van de gunstige staat van instandhouding van de landelijke populatie. De cijfers van SOVON waarop verweerder zich baseert geven geen aanleiding aan te nemen dat gunstige staat van instandhouding van de stormmeeuw en de kleine mantelmeeuw in geding is. Ook voor zover het de zilvermeeuw betreft is, ondanks de stabilisatie van het aantal broedparen in Noord-Holland, de landelijke populatie nog hoog te noemen, zodat ook ten aanzien van de zilvermeeuw geen aanwijzingen zijn dat gevreesd moet worden voor de gunstige staat van instandhouding. Ook het Faunafonds stelt in haar advies dat de gunstige staat van instandhouding van deze vogelsoorten niet in geding is. De beroepsgrond faalt.

10.1

Eisers wijzen tot slot op de mogelijkheid van verwarring tussen nesten en eieren van de zeldzame zwartkopmeeuw – waarop de bestreden ontheffing niet ziet – en de stormmeeuw. De zwartkopmeeuw komt steeds vaker voor in Noord-Holland en nu de eieren van de zwartkopmeeuw en de stormmeeuw sprekend op elkaar lijken zal het gebruik van de ontheffing dan ook kunnen leiden tot overtreding van artikel 10, 11 en 12 van de Ffw, aldus eisers.

10.2

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een reëel risico. Eisers hebben gesteld, maar niet nader onderbouwd dat de kans dat op het Tata Steel terrein broedende zwartkopmeeuwen worden aangetroffen tussen de stormmeeuwen meer dan incidenteel is. Verweerder heeft ter zitting, aan de hand van documentatie, daartegenover gesteld dat zwartkopmeeuwen vaak in gemengde kolonies met kokmeeuwen broeden. Gelet hierop acht de rechtbank de kans op verwarring klein. Verweerder heeft hier dan ook in redelijkheid geen rekening mee hoeven houden in de besluitvorming. Deze beroepsgrond treft geen doel.

11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank acht zich niet in staat tot het definitief beslechten van het onderhavige geschil gelet op de aard van de geconstateerde gebreken, met name het gebrek met betrekking tot de toepassing van het middel of de methode van de handmatige cervicale dislocatie. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal binnen 6 weken een nieuw besluit op het bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 18 november 2014;

- draagt verweerde op binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzitter, en mr. I.M. Ludwig en mr. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.