Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2768

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-03-2016
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
15/087323-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; vrijspraak poging zware mishandeling; afwijzing voorwaardelijk verzoek horen getuige; bewezenverklaring mishandeling; strafoplegging taakstraf; niet-ontvankelijkverklaring benadeelde partij.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] door hem een kopstoot te geven, waardoor [slachtoffer] een hersenschudding en een fikse hoofdwond heeft opgelopen en pijn heeft ondervonden.

Het geven van een kopstoot betreft een ernstige vorm van mishandeling. De gevolgen van het geven van een kopstoot kunnen van lange duur zijn.

Tevens is er in het onderhavige geval sprake geweest van geweld in een openbare ruimte waar ook anderen getuige van zijn geweest, hetgeen bijdraagt aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.087323.14 (P)

Uitspraakdatum: 31 maart 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 maart 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.G. Hendriks en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Pijl, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 11 augustus 2013 te Beverwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, dat hij, verdachte, die [slachtoffer], een zogenoemde kopstoot heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair
hij op of omstreeks 11 augustus 2013 te Beverwijk opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), een zogenoemde kopstoot heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.

3.2.

Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder primair ten laste is gelegd en dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe dat de enkele omstandigheid dat de kopstoot door verdachte met kracht is gegeven en kennelijk zo hard was dat het slachtoffer ten gevolge van die kopstoot een hoofdwond heeft opgelopen, onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] als gevolg van de kopstoot zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

3.3.

Voorwaardelijk verzoek horen getuige

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit zou komen, heeft de raadsvrouw ter zitting om aanhouding van de zaak verzocht zodat de minderjarige zoon van verdachte, [zoon van verdachte], als getuige kan worden gehoord. Hij zou de lezing van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] met betrekking tot het incident kunnen bevestigen.

De rechtbank overweegt dat, gelet op het feit dat de zaak niet gesloten is verwezen naar de rechter-commissaris en gesteld noch gebleken is dat de raadsvrouw bij de rechter-commissaris het verzoek heeft ingediend om [zoon van verdachte] als getuige te horen, het criterium van het verdedigingsbelang niet langer aan de orde is. Met betrekking tot dit verzoek heeft derhalve het noodzaakcriterium als toetsingskader te gelden.

Gelet op de inhoud van het dossier en gelet op de afgelegde getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris acht de rechtbank zich voldoende ingelicht, waardoor het horen van [zoon van verdachte] als getuige niet noodzakelijk is. De rechtbank wijst derhalve het onderhavige verzoek af.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 11 augustus 2013 is [slachtoffer] als verkoper werkzaam op de Beverwijkse Bazar te Beverwijk. Die dag wordt hij benaderd door [verdachte] (hierna te noemen: verdachte), tevens standhouder op de Beverwijkse Bazar, met klachten over geluidsoverlast, die [slachtoffer] zou veroorzaken door de muziek die in zijn winkel wordt afgespeeld. Rond sluitingstijd is verdachte langs de winkel van [slachtoffer] gelopen. Vervolgens wordt er door [slachtoffer] en verdachte over en weer naar elkaar gescholden.2 Beide mannen lopen naar elkaar toe en er vindt een confrontatie plaats, waarbij verdachte [slachtoffer] een kopstoot geeft.3 Door de kopstoot is op het voorhoofd van [slachtoffer] een bloedende wond te zien, hij is duizelig en hij heeft pijn aan zijn voorhoofd.4 [slachtoffer] wordt naar het ziekenhuis gebracht, alwaar de wond wordt gehecht en een hersenschudding wordt geconstateerd.5

3.5.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat op basis van de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] niet kan worden vastgesteld dat verdachte een kopstoot heeft gegeven. De verklaring van de getuige [getuige 1], die zegt wel te hebben gezien dat verdachte de kopstoot heeft gegeven, dient als onbetrouwbaar te worden aangemerkt omdat hij zijn verhaal zou hebben afgestemd met de aangever. Ook komt de verklaring die deze getuige heeft afgelegd bij de politie niet geheel overeen met hetgeen hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard.

De rechtbank acht de stelling van de raadsvrouw dat deze verklaring onbetrouwbaar is onaannemelijk. Om 18.35 uur komt de melding van het incident bij de politie binnen. Getuige [getuige 1], van wie niet gebleken is dat hij meer dan een toevallige klant van [slachtoffer] was, is direct na het incident, namelijk om 18.40 uur gehoord. Gelet op het korte tijdverloop is het onaannemelijk dat deze getuige en aangever in de gelegenheid zijn geweest om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Bovendien ziet de rechtbank geen onverklaarbare verschillen tussen de verklaring van deze -als onpartijdig te achten- getuige bij de politie en bij de rechter-commissaris. De verklaringen komen op cruciale punten overeen. Voor zover er verschillen in de verhoren zijn vastgesteld, zijn deze verklaarbaar vanwege het feit dat het verhoor bij de rechter-commissaris ruim twee jaar na het incident heeft plaatsgevonden.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

Subsidiair
hij op 11 augustus 2013 te Beverwijk opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], een zogenoemde kopstoot heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

- mishandeling

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van veertig uren, bij het niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door twintig dagen hechtenis. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zij gevorderd om deze niet-ontvankelijk te verklaren.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] door hem een kopstoot te geven, waardoor [slachtoffer] een hersenschudding en een fikse hoofdwond heeft opgelopen en pijn heeft ondervonden.

Het geven van een kopstoot betreft een ernstige vorm van mishandeling. De gevolgen van het geven van een kopstoot kunnen van lange duur zijn.

Tevens is er in het onderhavige geval sprake geweest van geweld in een openbare ruimte waar ook anderen getuige van zijn geweest, hetgeen bijdraagt aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank tevens gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 4 februari 2016.

Voor een delict als het onderhavige wordt bij straftoemeting conform de oriëntatiepunten in beginsel een werkstraf opgelegd. De strafeis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.203,51 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zodat de benadeelde partij niet in haar vordering zal kunnen worden ontvangen. De rechtbank overweegt hiertoe dat onvoldoende duidelijk is geworden dat de gestelde schade volledig aan verdachte kan worden toegerekend en zich niet -deels- reeds vóór het incident had gemanifesteerd. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 22c, 22d, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het subsidiair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van VEERTIG (40) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door twintig (20) dagen hechtenis.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.A.M. Tel, voorzitter,

mr. W. Veldhuijzen van Zanten en mr. B.J.G. Leeuw, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 maart 2016.

Mr. B.J.G. Leeuw en B.H.E. Zuidam zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 12 augustus 2013; het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 11 augustus 2013.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 12 augustus 2013, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 11 augustus 2013, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 15 oktober 2015.

4 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 12 augustus 2013, inclusief twee foto’s; het proces-verbaal van bevindingen opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 11 augustus 2013; het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 15 september 2013.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 12 augustus 2013, inclusief twee foto’s; een schriftelijk stuk, te weten een medische verklaring namens het Kennemergasthuis te Haarlem d.d. 11 augustus 2013.