Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2664

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-04-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4351
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het verzoek van eiser om inlijving in de Nederlandse adel afgewezen op de grond dat Frankrijk geen met het Nederlandse vergelijkbaar adelsstatuut kent. De rechtbank kan het standpunt van verweerder volgen. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de adeldom 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/4351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A. Geleijnse)

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2015 heeft verweerder een aanvraag van eiser om inlijving

in de Nederlandse adel afgewezen.

Bij besluit van 2 september 2015 heeft verweerder het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 februari 2016 heeft eiser gereageerd op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door mr. [naam 1] , [functie] van de Hoge Raad van Adel.

Overwegingen

1. Eiser heeft verzocht om inlijving in de Nederlandse adel, omdat hij, naar hij stelt, behoort tot een Frans ridderlijk geslacht. Hij is de zoon van graaf [naam 2] , overleden in 1980.

2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op de adeldom (Woa) geschiedt de verlening van adeldom door verheffing, inlijving of erkenning.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, kan inlijving in de Nederlandse adel slechts plaatsvinden ten aanzien van personen wier geslacht behoort tot de wettelijk erkende adel van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut en die het verzoek tot inlijving hebben gedaan.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Woa is er een Hoge Raad van Adel.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel heeft de Raad tot taak de minister te adviseren over verzoeken tot verlening van adeldom.

3. Verweerder heeft, na verkregen advies van de Hoge Raad van Adel, het verzoek van eiser afgewezen op de grond dat Frankrijk geen met het Nederlandse vergelijkbaar adelsstatuut kent en dus niet is voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut. De Hoge Raad van Adel stelt in haar advies dat sinds 1870 in de Republiek Frankrijk geen adelsstatuut meer bestaat en dat ook al vóór 1870 het Franse adelsstatuut als niet vergelijkbaar met het Nederlandse werd aangemerkt. Op grond van afwezigheid van reciprociteit heeft de Hoge Raad van Adel in 1822 het Franse adelsstatuut als te afwijkend van het Nederlandse beoordeeld. Voorts ontbreekt in Frankrijk een instituut vergelijkbaar met de Hoge Raad van Adel. Frankrijk registreert weliswaar adellijke titels volgens een uitvoeringsbepaling van de Code Civil, maar in Frankrijk bestaat geen vigerende wetgeving inzake adeldom.

4.1.

Verweerder heeft de weigeringsgrond bij het bestreden besluit gehandhaafd, mede onder verwijzing naar nadere informatie verkregen van het Franse ministerie van Justitie, Direcion des Affaires civiles et du seau, over de status van adel in Frankrijk. Uit de verkregen informatie blijkt dat de Franse regering sinds de Derde Republiek geen adellijke titels meer verleend. Er worden uitsluitend nog bestaande titels bevestigd. Ook is het in het Franse systeem niet mogelijk om nieuwe titels te creëren. Zo is het bijvoorbeeld voor een tot Fransman genaturaliseerde adellijke buitenlander niet mogelijk om formeel tot de Franse adel te gaan behoren. De taak van de Franse minister van Justitie in dit kader is beperkt tot de bevestiging of verificatie van eertijds verleende adellijke titels.

4.2.

In het verweerschrift geeft verweerder voorts aan dat het Franse stelsel ook afwijkt van het Nederlandse ten aanzien van de wijze waarop adeldom door vererving overgaat. In Frankrijk gaat de adellijke titel pas bij overlijden over op de oudste zoon, terwijl in Nederland de titel of predikaat bij leven op alle kinderen overgaat, dan wel de oudste zoon de titel erft en alle andere kinderen het predikaat. Inlijving van een tot Nederlander genaturaliseerde Fransman betekent – anders dan in Frankrijk – dat al zijn kinderen een adellijke titel of predikaat verwerven. Voorts kent het Franse stelsel de mogelijkheid van verheffing niet.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers aanvraag om inlijving

in de Nederlandse adel terecht heeft afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit artikel 2, derde lid, van de Woa volgt dat één van de vereisten voor inlijving in de

Nederlandse adel is dat sprake is van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut.

Uit de memorie van antwoord bij de Regeling inzake de adeldom (Kamerstukken II 1991/92,

21485, nr. 5, blz. 9) volgt dat onder adelsstatuut wordt verstaan het geheel van regels

waaronder men adeldom verwerft, doorgeeft (aan zijn nageslacht) en eventueel verliest.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in eisers geval geen sprake is van een

vergelijkbaar adelsstatuut. De rechtbank acht met name het verschil tussen

de regels ten aanzien van de vererving en de mogelijkheid in het Nederlandse stelsel – in

tegenstelling tot het Franse- om adeldom te verlenen door verheffing van belang. Deze

essentiële verschillen maken dat niet kan worden gezegd dat het Nederlandse en Franse

adelsstatuut met elkaar vergelijkbaar zijn.

Deze twee verschillen heeft verweerder echter eerst genoemd in het verweerschrift zodat het

bestreden besluit daarom in zoverre ondeugdelijk is gemotiveerd. Dit motiveringsgebrek kan

echter worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet

bestuursrecht nu eiser door dit gebrek niet in zijn belangen is geschaad.

6.1.

Eiser stelt dat verweerder zijn verzoek niet heeft kunnen afwijzen, omdat hij in andere - gelijke - gevallen een verzoek wel heeft toegewezen. Zo wijst eiser erop dat voor de inlijving van de titels van leden van de familie De Bourbon de Parme in 1996 Frankrijk als herkomstland is gebruikt. Dit moet volgens eiser daarom ook in zijn geval mogelijk zijn.

Daarnaast stelt hij dat de verlening van de erftitel Prins(es) van Oranje in 2002 nieuwe inlijving vanuit Frankrijk impliceerde. Ook aan de inlijving van de erftitel Prins(es) van Oranje kan een gelijkheidsrecht worden ontleend voor wat betreft het herkomstland, aldus eiser.

6.2.

Verweerder betwist de stelling van eiser dat sprake is van gelijke gevallen. Verweerder stelt dat de leden van de familie De Bourbon de Parme zijn ingelijfd op basis van hun afstamming uit een tak van het regerende Koningshuis van Spanje. Voorts stelt verweerder dat de titel Prins(es) van Oranje een Nederlandse titel betreft die wordt toegekend aan de vermoedelijke troonopvolger.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van gelijke gevallen zoals door eiser is gesteld. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

7. Voor zover eiser stelt dat door verweerder niet wordt betwist dat hij behoort tot een Frans ridderlijk geslacht en dat dit geen geschilpunt betreft, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft eisers verzoek afgewezen, omdat in niet is voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut. Verweerder is daarom niet toegekomen aan de beoordeling of eiser behoort tot een Frans ridderlijk geslacht dat behoort tot de wettelijk erkende adel, maar dit betekent niet dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat aan de overige eisen voor inlijving wordt voldaan.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. de Feijter, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Dittmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.