Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2600

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
15-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3918
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2017:914, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De uitkering van het stamrechtkapitaal is gedaan door een Nederlandse inhoudingsplichtige aan een inwoner van Nederland. Nederland is dus heffingsbevoegd. Dat de uitkering haar oorsprong vindt in een ontslagvergoeding (welke vergoeding op zich binnen het bereik valt van artikel 16 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika maakt dat niet anders.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 39f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/877
FutD 2016-0995
NTFR 2016/1254 met annotatie van mr. M.E. Kastelein
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/3918

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 april 2016 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. van Hoorn),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [P] , verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft voor het tijdvak oktober 2014 aangifte loonheffingen gedaan voor een bedrag van € 340.116. Dit bedrag bestaat voor € 338.840 uit ingehouden loonheffing als gevolg van een stamrechtuitkering. Verweerder heeft het af te dragen bedrag op 5 november 2014 ontvangen.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de inhouding en afdracht van € 338.840.

Verweerder heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016 te Haarlem. Namens eiseres is haar gemachtigde J. Bergwerff verschenen, alsmede [A] , [B] en [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.E. Erceylan, P. Brouwer en B. van Herwijnen.

Overwegingen

Feiten

1. Op 1 januari 1981 is de heer [A] bij [D] in dienst getreden. De heer [A] is hier begonnen in de functie van technoloog.

2. Vanaf 2001 tot en met 2005 heeft de heer [A] een managementfunctie voor [E] vervuld in de Verenigde Staten.

3. Vanaf 2005 tot en met 2011 was de heer [A] in dienst van [F] , een 100%-dochtermaatschappij van [E] gevestigd in [G] (Verenigde Staten). Gedurende deze periode vervulde de heer [A] de functie van Vice President Technical Services. Tot het einde van deze dienstbetrekking heeft de heer [A] in de Verenigde Staten gewoond.

4. Als gevolg van een wereldwijde reorganisatie bij [E] is de heer [A] in 2011 ontslagen. In het kader van het in gang zetten van het ontslagtraject is de heer [A] overgeplaatst naar [H] BV waarmee hij vanaf 1 december 2011 tot 6 januari 2012 een dienstbetrekking heeft gehad. Op 29 november 2011 heeft deze maatschappij de beëindiging van de dienstbetrekking bevestigd. Gedurende de genoemde periode van zes weken heeft de heer [A] geen werkzaamheden behoeven te verrichten. De heer [A] heeft nadien geen werkzaamheden in Nederland meer verricht.

5. De ontslagvergoeding die in verband met het ontslagtraject is ontvangen, is in 2012 ondergebracht in eiseres die daartoe is opgericht. Daarbij is gebruik gemaakt van de toen geldende stamrechtvrijstelling en is inhouding van loonheffing achterwege gebleven.

6. Het stamrechtkapitaal is in 2014 in één keer uitgekeerd. Ten aanzien van de uitkering is loonheffing over 80% van de waarde afgedragen.

Geschil en beoordeling van het geschil
7. In geschil is de heffingsbevoegdheid van Nederland over de door eiseres gedane uitkering.

8. De rechtbank overweegt dat de heer [A] de aan hem in 2012 betaalde ontslagvergoeding in datzelfde jaar heeft ondergebracht in een Nederlandse stamrecht-BV, te weten eiseres. Het stamrecht is op dat moment met toepassing van de vrijstelling, zoals opgenomen in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) (tekst tot 2014), onbelast gebleven.

9. Met ingang van 1 januari 2014 is de stamrechtvrijstelling afgeschaft. In artikel 39f van de Wet LB is overgangsrecht opgenomen voor op 31 december 2013 reeds bestaande aanspraken op stamrechten. Dit overgangsrecht brengt mee dat de voor de stamrechtvrijstelling geldende eis dat het stamrecht in periodieke uitkeringen moet worden uitbetaald, is komen te vervallen per 1 januari 2014. In artikel 39f, derde lid, van de Wet LB is – voor zover hier van belang – bepaald dat voor stamrechten die in 2014 in één keer worden uitgekeerd, de waarde van de aanspraak voor 80% in de belastingheffing wordt betrokken.

10. Het belastbare feit is in casu de uitkering van het stamrechtkapitaal in één keer in 2014 (artikel 39f, eerste en tweede lid, van de Wet LB in verbinding met artikel 19b, achtste lid, van de Wet LB (oud)). Deze uitkering is gedaan door een in Nederland gevestigde inhoudingsplichtige en wordt genoten door een inwoner van Nederland. Dit betreft een louter nationale situatie. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar betoog dat, gelet op het arbeidsverleden van de heer [A] in de Verenigde Staten, sprake is van een uitgesteld heffingsmoment en dat daarop de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (de Overeenkomst) van toepassing is. De in geding zijnde uitkering valt immers niet onder artikel 16 van de Overeenkomst noch onder enige andere bepaling van de Overeenkomst. Dat de uitkering haar oorsprong vindt in een ontslagvergoeding (welke vergoeding op zich binnen het bereik valt van artikel 16 van de Overeenkomst) maakt dat niet anders.

11. Het oordeel van de rechtbank brengt met zich dat het standpunt van eiseres met betrekking tot de uitleg van de arresten van de Hoge Raad van 11 juni 2004, nrs. 37 714 en 38 112 (ECLI:NL:HR:2014:AF7812 en ECLI:NL:HR:2014:AF7816) alsmede ten aanzien van de toepassing van het per 15 juli 2014 geactualiseerde commentaar op het OESO-Modelverdrag, onbesproken kan blijven.

12. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, mr. H. de Jong en
mr. J.P. Boer, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.