Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2559

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
227817
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering in conventie strekkende tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat de bank tekort geschoten is in haar verplichtingen jegens eiser en dat zij aansprakelijk is voor de door eiser dientengevolge geleden schade, nader op te maken bij staat.

In reconventie vordert de bank betaling van de restantschuld uit hypotheek na verkoop van de woning.

Vordering in conventie is afgewezen, vordering in reconventie toegewezen.

Ook algemene overwegingen opgenomen inzake de restschuldproblematiek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/227817 / HA ZA 15-409

Vonnis van 30 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie bij dagvaarding van 28 mei 2015,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. F.E. Boonstra te Noordwijk,

tegen

1. de naamloze vennootschap

RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam en kantoor houdende te Utrecht,

2. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK HAARLEM EN OMSTREKEN U.A.,

voorheen statutair genaamd Coöperatieve Rabobank “Zuid-Kennemerland” U.A.,

gevestigd en kantoor houdende te Haarlem,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

procesadvocaat mr. R.A.M. Schram te Haarlem,

behandelend advocaat aanvankelijk mr. D.J. Kramer te Doesburg,

thans mr. B.S. Matser te Utrecht.

Eiser zal hierna “ [eiser] ” en gedaagden zullen hierna in enkelvoud “Rabobank” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie

- het tussenvonnis van 12 augustus 2015

- het proces-verbaal van comparitie van 19 januari 2016 bij welke gelegenheid door beide partijen een akte overlegging productie(s) is overgelegd

- een akte van de zijde van de Rabobank, inhoudende dat door een fusie op 1 januari 2016 (naar de rechtbank begrijpt de naam van gedaagde sub 2is gewijzigd in Coöperatieve Rabobank U.A., statutair gevestigd te Amsterdam, mede kantoor houdende te Haarlem.

1.2.

Bij brief van 1 februari 2016 heeft mr. Matser een aantal opmerkingen gemaakt ten aanzien van het proces-verbaal van 19 januari 2016. In een brief van 4 februari 2016 heeft de rechtbank partijen doen weten dat de brief aan het proces-verbaal gehecht zal worden en dat voor zover passages in de brief zijn doorgestreept daarop geen acht geslagen zal worden.

1.3.

Na de comparitie is de zaak aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen alsnog in onderling overleg een regeling te beproeven.

In een akte uitlating hebben partijen ieder voor zich meegedeeld dat zij geen overeenstemming bereikt hebben en hebben zij vonnis gevraagd.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft op 12 maart 2007 met zijn toenmalige echtgenote (hierna: [A.] ) een hypothecaire geldlening gesloten met de Rabobank voor een bedrag van in hoofdsom € 181.000,-- ten behoeve van de aankoop van een woning aan de [adres] (hierna: de woning). De koopprijs van de woning bedroeg € 167.500,--.

2.2.

Bij het aangaan van deze hypotheek zijn [eiser] en [A.] bijgestaan door Hypotheek Adviescentrum Haarlem.

2.3.

In de door [eiser] en [A.] ontvangen hypotheekofferte is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld.

(…)

Door Hypotheek Adviescentrum Haarlem bent u geïnformeerd ten aanzien van de financiering en de fiscale consequenties. Kortheidshalve verwijzen wij u daarnaar.

(…)

Deze financiering is gebaseerd op uw beide inkomens. Dit betekent dat als één van de inkomens wegvalt of sterk vermindert u betalingsproblemen kunt krijgen en u gedwongen kunt worden het verbonden registergoed (doorgaans uw woning) te verkopen. U heeft jegens de bank verklaard deze risico’s te begrijpen en te aanvaarden.

2.4.

Aan de hypothecaire lening is een SpaarZekerVerzekering verbonden. Met de inleg in deze verzekering van per maand € 97,60 zou in een periode van 240 maanden een bedrag van circa € 31.000,-- worden gespaard. Deze verzekering hield tevens een overlijdensrisicoverzekering in voor zowel [eiser] als [A.] bij overlijden vóór 1 april 2027.

2.5.

[eiser] en [A.] zijn in 2009 in een echtscheiding verwikkeld geraakt. Op grond van een voorlopige voorziening bij echtscheiding werd aan [A.] het woonrecht voor de woning verleend. [eiser] is vervolgens bij zijn moeder gaan wonen. De VVE-kosten en de kosten verbonden aan de hypotheek bleven voor rekening van [eiser] .

2.6.

[eiser] en [A.] hebben de woning in 2009 in de verkoop gezet voor een vraagprijs van € 174.500,--.

2.7.

De verkoop van de woning verliep niet voorspoedig. Om te kijken naar mogelijke oplossingen voor de hypotheekschuld, heeft op 25 oktober 2011 een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] , bijgestaan door zijn hypotheekadviseur [B.] , en de Rabobank. [eiser] stelde de Rabobank bij die gelegenheid onder meer voor om de hypotheekschuld op zijn naam over te zetten, met een garantstelling door zijn moeder. De Rabobank is met dit voorstel niet akkoord gegaan.

2.8.

In 2012 raakte [eiser] zijn recht op fiscale aftrek van de hypotheekrente kwijt omdat hij inmiddels langer dan twee jaar niet meer in de woning woonachtig was. Hierdoor was het voor hem niet meer mogelijk om naar behoren aan zijn betalingsverplichting jegens de Rabobank te voldoen en is een betalingsachterstand ontstaan. In de periode juni t/m september 2012 heeft [eiser] getracht met de Rabobank tot een regeling te komen waarbij verkoop van de woning zou kunnen worden voorkomen. Er is geen regeling tussen partijen tot stand gekomen.

2.9.

In september 2012 hebben [eiser] en [A.] , na hertaxatie van de woning, de vraagprijs voor de woning verlaagd naar € 158.000,--. Op 16 november 2012 is de woning verkocht en geleverd voor een verkoopprijs van € 150.000,--. Na verkoop was er sprake van een restschuld van € 41.128.61. Op deze restschuld strekte in mindering de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde SpaarZekerVerzekering. Op 7 mei 2013 heeft de Rabobank [eiser] geïnformeerd dat de restschuld per saldo € 35.227,44 bedraagt. Voor deze schuld zijn [eiser] en [A.] hoofdelijk aansprakelijk.

2.10.

Partijen hebben nadien met elkaar gecorrespondeerd over het treffen van een betalingsregeling. In een brief van 13 maart 2014 heeft [eiser] aan de Rabobank bericht dat hij in overleg met de schuldhulpverlening tot de conclusie gekomen is dat het voor hem niet haalbaar is een bedrag van € 300,-- per maand te voldoen. Hij heeft erop gewezen dat hij nog maar een contract heeft voor 16 uur per week en dat hij door alle psychische stress inmiddels ook gezondheidsklachten heeft. Hij heeft een betalingsregeling voorgesteld van € 50,-- per maand.

2.11.

Op 1 juli 2014 heeft de Rabobank [eiser] een regresovereenkomst doen toekomen, waarin men (voorlopig) akkoord ging met een betalingsregeling van

€ 50,-- per maand.

2.12.

In een e-mailbericht van 4 augustus 2014 heeft [eiser] aan de Rabobank verzocht om kwijtschelding van de restschuld. Ook op 16 december 2014 heeft [eiser] om kwijtschelding van de restschuld verzocht. Beide keren heeft de Rabobank afwijzend gereageerd.

2.13.

Op 10 oktober 2014 heeft [eiser] een overzicht ontvangen van de openstaande restschuld en van de daarop door hem verrichte betalingen.

2.14.

De Rabobank heeft de invordering van de restschuld uit handen gegeven aan de deurwaarder. [eiser] heeft met de deurwaarder een betalingsregeling getroffen van € 50,-- per maand. In de periode augustus 2014 t/m november 2014 heeft [eiser] in totaal € 200,-- voldaan aan de deurwaarder.

2.15.

Bij brief van 9 december 2014 heeft [eiser] via de Stichting Restschuld Eerlijk Delen (hierna: Stichting R.E.D.) aan de Rabobank voorgesteld om de restschuld af te kopen tegen een eenmalige betaling van € 3.000,--. Dit voorstel is op 14 januari 2015 door de Rabobank afgewezen. Op 8 juli 2015 bedroeg de uitstaande restschuld € 34.177,44.

2.16.

[A.] heeft een betalingsregeling getroffen met de Rabobank voor € 50,-- per maand.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad :

1. primair voor recht zal verklaren dat de Rabobank haar verplichtingen jegens [eiser] heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, althans toerekenbaar tekort is geschoten, en dat de Rabobank jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade die hij dientengevolge heeft geleden en nog zal lijden, een en ander door de rechtbank nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, voor zover de rechtbank ten aanzien van het vaststellen van de omvang van de schade geen aansluiting vindt bij hetgeen door [eiser] aan de Rabobank is voorgesteld;

2. subsidiair voor recht zal verklaren dat de tussen de Rabobank en [eiser] gesloten hypotheekovereenkomst zal worden ontbonden, dan wel met inachtneming van de redelijkheid en billiljkheid zal worden gewijzigd, nu de Rabobank haar verplichtingen jegens [eiser] heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, althans toerekenbaar tekort is geschoten, en dat de Rabobank jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade die hij dientengevolge heeft geleden en zal lijden, een en ander door de rechtbank nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. de Rabobank zal veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

Rabobank heeft verweer gevoerd. Zij heeft onder meer aangevoerd dat [eiser] niet langer een beroep kan doen op het niet gebonden zijn aan de hypothecaire geldlening omdat hij niet binnen bekwame tijd na het aangaan van die geldlening tegen die gebondenheid heeft geprotesteerd. Zij heeft erop gewezen dat tussen haar en [eiser] gedurende langere tijd gecommuniceerd is over het voldoen van de restschuld en dat [eiser] daarbij meermalen zijn hoofdelijke gebondenheid aan die restschuld heeft erkend. Zij heeft benadrukt dat het ontstaan van de restschuld is gelegen in de relationele sfeer van [eiser] en [A.] en niet aan haar verweten kan worden. Zij heeft het standpunt ingenomen dat zij niet onrechtmatig gehandeld heeft jegens [eiser] en ook niet tekort geschoten is in de nakoming van haar verplichtingen. Zij heeft, voor zover de rechtbank zal oordelen dat zij aansprakelijk is voor enige schade van [eiser] , een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [eiser] . Tot slot heeft zij aangevoerd dat de stelling van [eiser] dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden en dat een beroep op de redelijkheid en billijkheid op zijn plaats is, niet opgaat.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Rabobank vordert samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van € 34.177,44 in hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede tot betaling van € 1.351,30 aan buitengerechtelijke (incasso)kosten, eveneens te vermeerderen met rente en tot betaling van proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.5.

Aan haar vordering legt de Rabobank ten grondslag dat [eiser] toerekenbaar tekortschiet in het nakomen van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. Zij stelt dat [eiser] de schade die zij dientengevolge lijdt dient te vergoeden, welke schade gelijk is aan de hoogte van de vordering zoals daarvan blijkt uit haar administratie, aldus de Rabobank.

3.6.

[eiser] heeft verweer gevoerd op dezelfde gronden als hij voor zijn vorderingen in conventie heeft aangevoerd.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

Algemeen

4.1.

Het onderhavige geschil betreft de aansprakelijkheid van een hypotheekgever voor de na verkoop van het onderpand en afwikkeling van de hypotheek resterende (hypotheek)schuld. De positie van een dergelijke hypotheekgever wordt bepaald door de specifieke omstandigheden van zijn situatie, maar ook door algemene aspecten van wat de restschuldproblematiek is gaan heten.

Alvorens in te gaan op de casuïstiek zal de rechtbank mede gelet op de grote publieke belangstelling voor deze zaak enkele opmerkingen maken omtrent de algemene aspecten van de problematiek. Deze opmerkingen zijn juridisch te duiden als overwegingen ten overvloede.

4.2.

[eiser] heeft daaromtrent in de dagvaarding onder meer het volgende opgemerkt.

Het hypotheekcontract is een vreemd fenomeen. De hypotheekverstrekker, in het geval van de Rabobank een instantie met een bankvergunning die ‘geldschepping’ toestaat en mogelijk maakt, creëert door middel van een computerhandeling na het zetten van de handtekening door [eiser] en [A.] (rb: hierna [eiser] c.s.) een digitaal geldbedrag. Daarmee is de schuldeiser (Rabobank) haar deel van de verbintenis nagekomen.

De schuldenaar (o.a. [eiser] ) moet echter in de (meestal) dertig jaren daarna nakomen. Hij moet rente betalen en op enig moment de hoofdsom terugbetalen. In het geval van aflossingsvrije delen of geheel aflossingsvrije hypotheken kan dat alleen als de woning minstens evenveel waard blijft of wanneer men een dekkende verzekering heeft afgesloten. Gedurende de periode van dertig jaren en ten aanzien van de waarde van het onderpand draagt de hypotheekgever, [eiser] c.s., het volledige risico voor marktschommelingen of andere wijzigingen en/of onvoorziene omstandigheden. Dit is disproportioneel in een situatie waarin de wederpartij in de overeenkomst, in het onderhavig geval de Rabobank, in staat is om die risico’s te effectueren. De facto wordt de crisis, die in 2008 begon, en die door de financiële sector werd veroorzaakt, thans toegerekend aan [eiser] c.s. Ook het teruglopen van inkomen wegens een falende reële economie wordt [eiser] c.s. toegerekend. Geld genereren door arbeid is aanzienlijk moeilijker geworden door de crisis. Ook het dalen van de prijzen van woningen, dat linea recta verbonden is met de kredietcrisis, waardoor het vertrouwen van de consument is ingestort met alle gevolgen van dien maar die door de financiële sector is veroorzaakt, kan [eiser] c.s. niet worden toegerekend.

De ontstane restschuld wordt volledig toegeschreven aan [eiser] c.s., onder het motto: you sign you pay. Dit is echter zeer onjuist. Het risico van de fors dalende prijzen op de woningmarkt, wat niet louter een conjunctureel fenomeen is, maar is veroorzaakt door het gedrag van de financiële sector, de Rabobank incluis, kan niet in redelijkheid toegerekend worden aan [eiser] c.s., noch aan de vele overige restschuldenaren (omstreeks 1 miljoen) die Nederland thans kent.

De crisis is veroorzaakt door de banken en verzekeraars en de teruglopende inkomsten voor vele Nederlanders zijn daar een rechtstreeks gevolg van. Ook de sterk gedaalde huizenprijzen zijn een product van de crisis, en niet een normale conjuncturele fluctuering, of een risico dat voor rekening van de huizenkopers moet komen, althans niet geheel.

(…)

Het probleem van [eiser] op individueel niveau is niet los te zien van de macro-economische ontwikkelingen. De nakoming van [eiser] , het terugbetalen van de geldlening, is bemoeilijkt door belemmeringen die zijn opgeworpen door de financiële sector in het algemeen en door de Rabobank in het bijzonder.

(…)

De gewijzigde omstandigheden, veroorzaakt door de crisis, moeten leiden tot een herziening van de overeenkomst en de herverdeling van risico’s en aansprakelijkheden. Thans worden individuele burgers verantwoordelijk gehouden voor een situatie die voor hen onvoorzienbaar was, namelijk dat hun medecontractant de economie een flinke optater zou geven, waardoor er op allerlei fronten zwaar weer ontstond, aldus nog altijd [eiser] .

4.3.

De rechtbank wenst bij deze beschouwingen van [eiser] de volgende kanttekeningen te plaatsen.

De beschouwing omtrent de lange termijn effecten van de hypotheekovereenkomst miskent dat (westerse) economieën in het algemeen gesproken inflatoire tendensen hebben. Dat brengt voor de hier besproken constructies, globaal genomen, mee dat een positief rendement wordt gemaakt. De rechtbank is niet bekend met gegevens waaruit zou (kunnen) volgen dat, in het algemeen gesproken, investeren in onroerend goed met geleend geld op de lange termijn ook onprofijtelijk kan zijn. Indien men in staat is de looptijd van de hypotheek vol te maken mag naar haar inschatting verwacht worden dat zich geen problemen voordoen voor wat betreft de waarde van het onderpand in relatie tot de uitstaande schuld.

Die problemen zijn na het ontstaan van de crisis op de woningmarkt in veel van de gevallen waarin tussentijds moest worden afgelost wél opgetreden.

Uit het onderzoeksrapport van de Tijdelijke commissie Huizenprijzen (TK 33 194, nr. 3), (hierna “de Commissie”), waarnaar [eiser] heeft verwezen, blijkt dat die crisis het gevolg is van een zeer complex proces, waarbij naast (het gedrag van) de banken een groot aantal andere (f)actoren een rol hebben gespeeld. De rechtbank ontleent het volgende aan het eindrapport:

• De vraag naar koopwoningen ging het aanbod ver te boven. Vooral de financieringsruimte dreef de prijs op, aanbod speelde nauwelijks een rol.

• De stijgende vraag werd extra gefaciliteerd door verruiming van de kredietmogelijkheden en financiële innovaties door hypotheekverstrekkers. Hypotheekproducten werden geoptimaliseerd, zodat maximaal gebruik gemaakt kon worden van ontwikkelingen op de kapitaalmarkt en van fiscale voordelen gericht op het bevorderen van het eigenwoningbezit, zoals de hypotheekrenteaftrek.

• Waarschuwingen voor de risico’s en schadelijke gevolgen van dit proces door onder meer De Nederlandsche Bank en later de Autoriteit Financiële Markten, vonden onvoldoende gehoor.

• De overheid had meer kunnen doen tegen de prijsstijging. Achtereenvolgende kabinetten namen een aantal beperkende maatregelen, maar die waren vooral gedreven door budgettaire motieven. Zo werd de hypotheekrenteaftrek in 2001 gemaximeerd tot één woning en tot 30 jaar en werd in 2004 vastgelegd dat de overwaarde in de eigen woning moest worden geïnvesteerd.

• Nieuwe producten die gericht waren op maximale benutting van de hypotheekrenteaftrek en sterk verruimde leennormen zorgden voor het oprekken van de leencapaciteit, met bovenmatige prijsstijging tot gevolg. Beperkende maatregelen werden pas genomen na of aan het einde van de periode van extreme prijsstijgingen, die lag tussen 1995 en 2002.

• De prijsstijging als gevolg van de verruimde financieringsmogelijkheden werd door niemand als probleem ervaren.

• Het aanbod reageerde slecht op de vraag. Het Rijk stuurde op schaarste met als doel groene ruimte te sparen en bij te dragen aan voldoende opbrengst op regionaal niveau, ter vervanging van rijkssubsidies. Er kwam steeds minder ruimte beschikbaar om te bouwen. Schaarste en opbrengst werden hoofddoelen.

• Het realiseren van woningbouwprojecten met hoge ruimtelijke kwaliteit -met het oog op een zo hoog mogelijke opbrengst- werd belangrijker dan de publieke doelstelling om voldoende te bouwen. Het comfort van de aanhoudende prijsstijgingen bevorderde “achterover leunen” door de partijen die voor het aanbod moesten zorgen. De verwevenheid van bouw- en grondmarkt heeft de concurrentie verminderd en de huurmarkt was niet het ventiel dat de druk op de koopmarkt kon verminderen.

Nadat de crisis was uitgebroken zaten er zelfversterkende effecten in het proces:

• In een dalende markt hebben instappers geen haast; zij achten het profijtelijk om te wachten op verdere dalingen.

• De vraaguitval werd versterkt door achterblijvende inkomensontwikkeling bij kopers, toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt (met afnemende inkomenszekerheid) en een daling in het consumentenvertrouwen.

• De vraaguitval werd verder versterkt doordat hypotheekvertrekkers terughoudender werden met verstrekking van financiering, mede onder invloed van aanscherping van de daarvoor geldende regels.

Het rapport van de Commissie biedt steun aan de opvatting dat banken een flinke impuls hebben gegeven aan het uit de hand lopen van de hiervoor besproken ontwikkeling. De Commissie:

“In de periode 1990–2008 is sprake geweest van een substantiële stijging van de leenbereidheid en leenmogelijkheden voor de woning. De leenmogelijkheden zijn maximaal opgerekt. Hypotheekverstrekkers hebben met nieuwe hypotheekvormen, het optimaal benutten van de hypotheekrenteaftrek en het securitiseren van hypotheken (verkopen van pakketten van hypotheken en de daarmee verworven liquiditeit gebruiken om nieuwe hypotheken uit te geven), steeds grotere risico’s genomen. Er is in toenemende mate gespeculeerd op aanhoudende inkomensstijging en op waardestijging van woningen. De consument is hier met succes verleid om deze producten massaal af te nemen.”

4.4.

De rechtbank gaat echter niet mee in de opvatting van [eiser] dat de banken “de crisis hebben veroorzaakt” en dat de gevolgen daarvan in individuele gevallen ook enkel door de banken moeten worden gedragen. Dat miskent dat er ook andere actoren zijn geweest aan wie verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie kan worden toegeschreven. Zo wijst de Commissie bijvoorbeeld ook naar de politiek:

“De mogelijkheden die de overheid had om grote prijsstijgingen tegen te gaan

– door een rem te plaatsen op de financieringsmogelijkheden – zijn onvoldoende benut. Al ver voor de maatregelen die na de millenniumwisseling werden genomen, was er aanleiding om in te grijpen. Recente maatregelen zoals het beperken van de hypotheekrenteaftrek, het aanscherpen van leenvoorwaarden (zoals het maximeren van de «loan to income»-ratio of «loan to value»-ratio) en het inzetten van effectief toezicht hadden veel eerder kunnen worden genomen. Het eerder codificeren van een gedragscode hypothecaire financiering en het eerder vergroten van de bevoegdheden van de AFM hadden de prijsontwikkelingen eveneens kunnen remmen.

De commissie concludeert samenvattend dan ook dat de overheid onvoldoende heeft gedaan om de ruime kredietverstrekking een halt toe te roepen. De aanzienlijke mogelijkheden die er waren (via toezicht, via defiscaliteit) zijn onderbenut tot de crisis uitbrak. Overigens mag dit verwijt zowel aan het kabinet als aan de Kamer worden gemaakt.”

Ook de door de Commissie genoemde achterblijvende woningproductie kan niet aan de banken worden toegeschreven.

Tenslotte dragen, zo volgt uit het rapport van de Commissie, ook woonconsumenten hun aandeel in de verantwoordelijkheid:

“De aanhoudende stijging van de huizenprijzen heeft een zelfversterkend effect gehad op het risicogedrag van alle partijen. Er is steeds meer en verder vooruitgelopen op een verwachte inkomensstijging en stijging van de huizenprijzen. Het inzicht dat het onvermijdelijk leidt tot stijgende huizenprijzen wanneer iedereen steeds meer leent voor een woning, had alle betrokkenen

– consumenten, verzekeraars, banken en overheden – waakzaam moeten maken. Dat inzicht was er niet, een generatie wist niet beter dan dat huizenprijzen zouden (blijven) stijgen en had daar inmiddels ook belang bij. Een eventueel omslagpunt werd door niemand voorzien.”

4.5.

Deze vaststellingen door de Commissie nemen uiteraard niet weg dat het resultaat van de ontwikkelingen zoals zich dat anno 2016 op macroniveau aftekent maatschappelijk onaanvaardbaar moet worden geacht. De rechter is echter gelegitimeerd noch geëquipeerd om dat door middel van uitspraken in een beperkt aantal individuele gevallen op te lossen.

4.6.

Thans komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke bespreking van het onderhavige geschil.

in conventie

Niet ontvankelijkheid

4.7.

Door de Rabobank is als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering, omdat de dagvaarding is opgebouwd uit algemene stellingen zonder voldoende onderbouwing van zijn vorderingen en zonder dat het juridisch verwijt dat hij de verschillende gedaagden maakt voldoende concreet gemaakt wordt. De Rabobank heeft verklaard dat de dagvaarding als een obscuur libel kan worden aangemerkt en dat zij door de wijze waarop de dagvaarding is opgesteld in haar verdediging is geschaad, nu het voor haar onvoldoende duidelijk is waarop zij haar verdediging dient af te stemmen.

4.8.

[eiser] heeft betwist dat de dagvaarding een obscuur libel is. Hij heeft betoogd dat hij in de dagvaarding uitgebreid de grondslag van zijn vorderingen uiteen gezet heeft en nader heeft uitgewerkt met verwijzing naar jurisprudentie en producties.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de Rabobank faalt. Uit hetgeen de Rabobank in de conclusie van antwoord en ter comparitie naar voren heeft gebracht blijkt dat het haar voldoende duidelijk was waartegen zij zich moest verweren. [eiser] kan derhalve worden ontvangen in zijn vorderingen.

Gebrek aan belang

4.10.

Verder is door de Rabobank aangevoerd dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vorderingen nu hij de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de restschuld, die is veroorzaakt door problemen in de relationele sfeer, meermalen heeft erkend.

4.11.

Door [eiser] is betoogd dat zijn belang erin is gelegen dat het ontstaan van de restschuld moet worden beoordeeld in het licht van de vraag of de Rabobank bij het aangaan van de hypothecaire geldlening haar zorgplicht voldoende in acht genomen heeft.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] een voldoende belang heeft bij zijn vorderingen. De enkele omstandigheid dat [eiser] eerder de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de restschuld heeft erkend, maakt niet dat hij - in het licht van zijn overige stellingen - zijn gebondenheid aan de schuld op dit moment niet meer ter discussie kan stellen.

Verjaring

4.13.

Door de Rabobank is verder betoogd dat er sprake is van verjaring van de vorderingen. Zij heeft aangevoerd dat uit de stukken blijkt dat [eiser] reeds op 15 juni 2009 bekend was met de crisis en met het als gevolg van die crisis dalen van de huizenprijzen. Reeds op dat moment was [eiser] er derhalve mee bekend dat (mogelijk) een restschuld zou overblijven die door hem zou (kunnen) worden aangeduid als schade. [eiser] was dus toen al bekend met een eventuele tekortkoming van de Rabobank en met mogelijke schade, zodat hij tijdig actie had moeten ondernemen in de richting van de Rabobank. Nu [eiser] de Rabobank pas in 2015 in rechte heeft betrokken, is zijn vorderingsrecht verjaard, aldus de Rabobank.

4.14.

Door [eiser] is betwist dat zijn vorderingsrecht is verjaard. Hij heeft er op gewezen dat partijen in de jaren na 2009 veelvuldig contact hebben gehad over mogelijke oplossingen en/of betalingsregelingen. Pas in november 2012 stond de restschuld vast en was [eiser] bekend met de omvang van de schade. Van [eiser] kon niet worden verwacht dat hij de Rabobank reeds voor die tijd in rechte zou betrekken.

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] zijn vorderingen tijdig heeft ingesteld en dat het beroep op verjaring niet opgaat. Voor [eiser] werd immers pas duidelijk dat hij schade zou lijden toen er geen uitzicht meer was op een voor hem bevredigende oplossing. [eiser] heeft gesteld dat dit moment zich voordeed toen bleek dat de Rabobank de hypotheekovereenkomst op geen enkele wijze wenste voort te zetten. Volgens [eiser] was dat op 16 november 2012, toen de woning gedwongen door de Rabobank werd verkocht. De Rabobank heeft onvoldoende onderbouwd weersproken dat dit het moment was dat voor [eiser] duidelijk werd dat hij schade zou lijden.

Inhoudelijk

4.16.

Door [eiser] is gesteld dat de Rabobank hem bij het aangaan van de lening niet heeft gewezen op het risico van een dalende markt. Voorts heeft hij betoogd dat zij deze hypothecaire lening, op basis van de aan haar verstrekte gegevens, niet aan hem had mogen verstrekken; de Rabobank heeft hem een te hoge financiering verstrekt. Tot slot heeft hij het standpunt ingenomen dat de Rabobank misbruik heeft gemaakt van omstandigheden door hem aan te zetten tot het aangaan van deze lening. Dit een en ander brengt mee dat de Rabobank niet voldaan heeft aan de op haar rustende zorgplicht, aldus [eiser] .

4.17.

Door de Rabobank is betwist dat zij haar zorgplicht niet is nagekomen bij het aangaan van de hypotheekovereenkomst in 2007. Zij heeft weersproken dat zij een te hoge financiering met [eiser] is aangegaan. In dat verband heeft zij aangevoerd dat zij op basis van de bij haar aangeleverde inkomensgegevens van [eiser] en [A.] aan de hand van de toen geldende richtlijnen heeft getoetst of de gevraagde financiering mogelijk was en op basis van die richtlijnen was de door [eiser] en [A.] gevraagde financiering toelaatbaar. Zij heeft aangevoerd dat zij [eiser] heeft geïnformeerd voor zover dat van haar verwacht kon worden. De financiering werd aangevraagd op twee inkomens en de Rabobank heeft [eiser] en [A.] nadrukkelijk gewezen op het risico bij het afsluiten van een hypothecaire lening op twee inkomens. [eiser] en [A.] hebben dat risico aanvaard. De Bank heeft betoogd dat haar zorgplicht op dat moment niet verder ging, omdat het hier een gewone hypothecaire financiering betrof en [eiser] en [A.] bovendien werden bijgestaan door een eigen hypotheekadviseur.

4.18.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de Rabobank haar zorgplicht bij het afsluiten van de lening niet naar behoren is nagekomen. De hypothecaire lening die [eiser] met de Rabobank heeft afgesloten in 2007 betrof een hypotheekproduct dat in die tijd zeer gangbaar was (spaarhypotheek), zonder dat hieraan complexe constructies waren verbonden. Wat betreft het afsluiten van een dergelijke hypotheek rustte op de Rabobank geen verzwaarde zorgplicht als door [eiser] is betoogd. De Rabobank diende [eiser] te wijzen op het risico van het afsluiten van een hypothecaire lening gebaseerd op twee inkomens. Zij heeft dat gedaan door in de offerte de volgende waarschuwing op te nemen:

“Deze financiering is gebaseerd op uw beide inkomens. Dit betekent dat als een van de inkomens wegvalt of sterk vermindert u betalingsproblemen kunt krijgen en u gedwongen kunt worden het verbonden registergoed (doorgaans uw woning) te verkopen. U heeft jegens de bank verklaard deze risico’s te begrijpen en te aanvaarden.”

Rabobank heeft aldus aan de voor dit product op haar rustende zorgplicht voldaan.

4.19.

Ten aanzien van het verwijt dat Rabobank [eiser] niet heeft gewaarschuwd voor een dalende markt wordt geoordeeld dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat voor Rabobank reeds in 2007 voorzienbaar was dat een kredietcrisis in het verschiet lag, die onder meer tot gevolg zou hebben dat de prijzen op de huizenmarkt in korte tijd exceptioneel sterk zouden dalen. Aangenomen moet dan ook worden dat het voor de Rabobank niet mogelijk was [eiser] voor een dergelijk risico te waarschuwen. Voor een eventueel minder vèrstrekkende daling van de huizenprijzen behoefde de Rabobank [eiser] evenmin te waarschuwen, aangezien [eiser] niet heeft gesteld dat hij niet wist dat de huizenprijzen fluctueerden en het gelet op zijn opleiding en achtergrond ook niet aannemelijk is dat hij dit niet wist.

4.20.

Ten aanzien van het verwijt dat de Rabobank een te hoge financiering zou hebben afgesloten met [eiser] wordt overwogen dat door de Rabobank gemotiveerd is betoogd dat zij de aanvraag van [eiser] en [A.] heeft getoetst aan de op dat moment geldende richtlijnen en dat de financiering op basis van die richtlijnen toelaatbaar was. Door [eiser] is niet concreet gemaakt waarom deze lening indertijd niet verstrekt had mogen worden. Ook aan het verwijt van [eiser] dat de Rabobank hem zou hebben aangezet tot het sluiten van de overeenkomst en daarmee misbruik van omstandigheden zou hebben gemaakt, wordt voorbij gegaan, omdat [eiser] ook dit verwijt niet concreet gemaakt heeft.

4.21.

Voorts is door [eiser] betoogd dat de Rabobank de kredietcrisis (mede) heeft veroorzaakt en daarmee de waardedaling van zijn woning heeft bewerkstelligd. [eiser] heeft erop gewezen dat hij er geen rekening mee had behoeven te houden dat de waarde van zijn woning circa 30% zou dalen, temeer niet nu alle banken, waaronder de Rabobank, ten tijde van het aangaan van de hypothecaire geldlening bleven verzekeren dat de waarde van de woningen zou blijven stijgen. Nu de ernstige terugval in waarde van de woning voor hem onvoorzienbaar was, terwijl de Rabobank de crisis mede veroorzaakt heeft, is er sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van de Rabobank en moet het in strijd met de redelijkheid en billijkheid geacht worden om het risico van het ontstaan van een restschuld en het door hem niet meer kunnen voldoen aan zijn verplichtingen (welk risico zich door de crisis en de daling op de huizenmarkt heeft verwezenlijkt) uitsluitend af te wentelen op hem als schuldenaar. Immers, niet zijn echtscheiding is de schuld van zijn financiële problemen, maar de omstandigheid dat zijn woning niet dezelfde waarde heeft behouden en na verkoop derhalve een restschuld overbleef, aldus [eiser] .

4.22.

Door de Rabobank is betwist dat er sprake is van schuldeisersverzuim. Zij heeft weersproken dat zij de kredietcrisis (mede) veroorzaakt heeft of dat zij invloed zou hebben gehad op de daling van de huizenprijzen. Zij heeft benadrukt dat de waarde van de woning, naar vast gebruik, is vastgesteld aan de hand van NVM-taxaties. Zij heeft erop gewezen dat de oorzaak van het feit dat [eiser] niet meer aan zijn verplichtingen jegens de Rabobank kon voldoen voornamelijk is gelegen in de relationele sfeer van [eiser] en niet aan haar kan worden verweten. Daarbij heeft zij aangevoerd dat voor haar onduidelijk is waarom [eiser] de met hem overeengekomen betalingsregeling van € 50,-- per maand niet zou kunnen nakomen. Verder heeft zij erop gewezen dat niet is gebleken dat er sprake is van een uitzichtloze situatie waarin [eiser] nooit tot volledige aflossing van de restschuld zou kunnen komen. Zij heeft benadrukt dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] , gelet op zijn leeftijd en zijn goede opleiding, geen uitzicht meer heeft op meer of ander werk, waardoor hij tot een hogere maandelijkse aflossing in staat zou zijn.

4.23.

De rechtbank overweegt als volgt. Het betoog van [eiser] dat de Rabobank de kredietcrisis heeft veroorzaakt en daarmee de waardedaling van de woning faalt. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.4 reeds is overwogen gaat de rechtbank niet mee in de stelling van [eiser] dat de banken de kredietcrisis hebben veroorzaakt. Ook kan niet worden volgehouden dat de Rabobank de waardedaling van de woning heeft veroorzaakt; die is, zo volgt uit het rapport van de Commissie, veroorzaakt door de marktwerking die het gevolg was van de kredietcrisis. Daarbij komt dat door [eiser] weliswaar is betoogd dat zijn woning 30% in waarde is gedaald, maar op basis van hetgeen [eiser] verder heeft aangevoerd wordt geoordeeld dat dit feitelijk onjuist is. Volgens [eiser] bedroeg de aankoopwaarde van zijn woning in 2007 € 167.500,-- en is de woning in november 2012 verkocht voor een bedrag van € 150.000,--. Tussen de aankoopwaarde en de verkoopprijs zit derhalve een verschil van € 17.500,--, hetgeen neerkomt op circa 10,45% van de aankoopwaarde. Dit verschil niet kan worden aangemerkt als een exorbitante waardedaling. Verder kan de omstandigheid dat [eiser] en [A.] uit elkaar zijn gegaan en besloten hebben om de woning te verkopen in een dalende markt niet aan de Rabobank worden toegeschreven. Ook de omstandigheden dat [eiser] , nadat hij niet langer aanspraak kon maken op fiscale hypotheekrenteaftrek, niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen en daarnaast nog te maken kreeg met een inkomensterugval, zijn niet aan de Rabobank toe te schrijven.

4.24.

Tot slot heeft [eiser] de Rabobank verweten dat zij vóór het ontstaan van de restschuld niet adequaat op zijn verzoeken heeft gereageerd. Hij heeft aangevoerd dat de Rabobank niet bereid was met hem te praten over een regeling waarbij verkoop van de woning kon worden voorkomen. Pas toen de restschuld eenmaal was ontstaan was de Rabobank bereid met hem te praten over een betalingsregeling. Aangezien de Rabobank de lening al niet had mogen aangaan met hem, kan zij hem nu niet aansprakelijk houden voor terugbetaling van de restschuld, aldus [eiser] .

4.25.

De Rabobank heeft verweer gevoerd. Zij heeft betoogd dat zij uit hoofde van haar restschuldbeleid [eiser] en [A.] in 2012 een aanbod heeft gedaan om de schuld af te kopen tegen betaling van een bedrag ineens. Als partijen daarover overeenstemming zouden hebben bereikt zou vervolgens voorlopige kwijting volgen. Mochten [eiser] en [A.] binnen een termijn van drie jaar (vergelijkbaar met de looptijd van een wettelijke schuldsaneringsregeling) geen inkomsten verkrijgen waarmee de schuld alsnog zou kunnen worden afgelost dan zou daarna definitieve kwijting volgen. Het aanbod dat werd gedaan was echter voor de Rabobank niet acceptabel zodat geen overeenstemming werd bereikt. Uiteindelijk zijn, op hun verzoek, betalingsregelingen getroffen met [A.] en [eiser] voor € 50,-- per maand, maar [eiser] besloot toch dat hij aan die betalingsregeling geen gevolg wilde geven.

4.26.

De rechtbank overweegt als volgt. [eiser] wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de Rabobank ontoereikend heeft gereageerd. Vóór de verkoop van de woning was er sprake van een achterstand in de betalingsverplichtingen, zodat het de rechtbank niet onbegrijpelijk voorkomt dat de Rabobank niet wilde praten over constructies die erop neer zouden komen dat zij haar mogelijkheid tot verhaal van de schuld zou prijsgeven door in te stemmen met ontslag van [A.] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld. Bovendien was de kredietcrisis toen nog in volle gang en waren de banken op dat punt voorzichtiger geworden. Aan de Rabobank valt op dit punt derhalve geen verwijt te maken.

4.27.

Ook voor de periode na het ontstaan van de restschuld valt aan de Rabobank geen verwijt te maken. Zij heeft onder meer de mogelijkheid geboden om door middel van een bedrag ineens de restschuld af te kopen. Zij is ook daarna steeds bereid geweest om te praten over betalingsregelingen die werden afgestemd op de persoonlijke situatie van [eiser] . Bij zo’n betalingsregeling wordt bovendien de rente over de restschuld op nihil gezet zolang de regeling wordt nagekomen. Laatstelijk bedroeg de met [eiser] overeengekomen betalingsregeling € 50,-- per maand. [eiser] heeft er voor gekozen die regeling niet na te komen omdat deze volgens hem tot gevolg zou hebben dat hij de schuld nooit zou kunnen aflossen, maar hij heeft de andere mogelijkheid die voor hem openstaat, het traject van de wettelijke schuldsaneringsregeling, ook met klem van de hand gewezen omdat hij niet in een dergelijke situatie verzeild wil raken. Dit staat [eiser] natuurlijk vrij, maar hierdoor heeft hij wel bewerkstelligd dat er voor de Rabobank niets anders overbleef dan de incasso van de schuld uit handen te geven.

4.28.

Uit het vorenstaande volgt dat geen van de grondslagen van [eiser] doel treft. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

in reconventie

4.29.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op de omstandigheid dat de hoogte van het uitstaande bedrag door [eiser] niet is weersproken, is de vordering van de Rabobank tot toewijzing van de hoofdsom toewijsbaar. Gelet op de hoofdelijke verbondenheid van [A.] voor de schuld zal worden bepaald dat [eiser] zal zijn bevrijd voorzover [A.] reeds heeft betaald.

4.30.

De wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar zoals gevorderd.

4.31.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten voldoet aan de normen die in de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten zijn gesteld en is dan ook eveneens toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is niet toewijsbaar nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat deze kosten door de Rabobank daadwerkelijk zijn voldaan.

4.32.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4.33.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van Rabobank begroot op € 613,00 aan verschotten en op € 1.130,00 (2,5 punten à

€ 452,--) aan salaris advocaat;

- verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

- veroordeelt [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Rabobank te betalen een bedrag van € 34.177,44 (vierendertigduizend eenhonderdzevenenzeventig euro en vierenveertig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 17 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat [eiser] terzake zal zijn bevrijd voorzover [A.] reeds heeft betaald;

- veroordeelt [eiser] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Rabobank te betalen een bedrag van € 1.351,30 (eenduizend driehonderdeenenvijftig euro en dertig cent) ter zake van buitengerechtelijke (incasso)kosten, inclusief btw;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure aan de zijde van de Rabobank begroot op nihil aan verschotten en op € 579,00 (2 x 0,5 à € 579,--) aan salaris advocaat;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,-- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, mr. W.S.J. Thijs en mr. K. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016.