Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2514

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
4571868 CV EXPL 15-7051
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Anders dan in een eerdere verstekuitspraak van 6 januari 2016 (ECLI:NL:RBNHO:2016:1350) oordeelt de kantonrechter gelet op de toelichting van Q-Park in deze zaak dat de boete van € 1.000,- voor ‘treintje rijden’ geen oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/932
AR 2016/933
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 4571868 \ CV EXPL 15-7051

Uitspraakdatum: 24 maart 2016

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap Q-Park Operations Netherlands II B.V.,

gevestigd te Maastricht

eiseres

verder te noemen: Q-Park

gemachtigde: M.M.J. Haenen

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

die procedeert in persoon

1 Het procesverloop

1.1.

Q-Park heeft bij dagvaarding van 6 oktober 2015 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord.

1.2.

Op 22 februari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft Q-Park bij brief van 12 februari 2016 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Q-Park exploiteert een parkeergarage aan het adres Beursplein 15 te Amsterdam, genaamd ‘Q-Park de Bijenkorf’ (hierna: de parkeergarage).

2.2.

Bezoekers die hun auto in deze garage willen parkeren, rijden langs een bord waarop informatie wordt vermeld over onder meer de tarieven en over de toepasselijkheid van algemene voorwaarden.

2.3.

Voor het gebruik van de parkeergarage is een parkeervergoeding verschuldigd, waarbij een maximaal dagtarief van € 50,00 geldt. Betaling hiervan vindt plaats op het moment dat de bezoeker de parkeergarage verlaat.

2.4.

Op 28 juli 2015 is een auto met kenteken [nummer] de parkeergarage uitgereden zonder te betalen, door vlak achter een voorganger aan te rijden, het zogenoemde ‘treintje rijden’. Het kenteken van de auto staat op naam van [gedaagde].

2.5.

Q-Park heeft in haar algemene voorwaarden, de Algemene Voorwaarden Parkeren, voorschriften opgenomen over de betaling van parkeergeld en over een boete in geval van ‘treintje rijden’.

2.6.

In artikel 6.3. van de Algemene Voorwaarden Parkeren staat:

“Het zogenaamde “treintje rijden” d.w.z. met twee voertuigen snel achter elkaar onder de slagboom door de parkeerfaciliteit verlaten met betaling van slechts eenmaal parkeergeld, is ten strengste verboden. De parkeerder is alsdan een direct opeisbare boete verschuldigd van

€ 1.000,-, onverminderd het recht van Q-Park om de werkelijke schade te vorderen.”

2.6.

Artikel 6.5. van de Algemene Voorwaarden Parkeren luidt:

“Bij verlies of ontbreken van het parkeerbewijs, is de parkeerder voor elke dag of gedeelte daarvan dat hij gebruik heeft gemaakt van de parkeerfaciliteit, 3 maal het dagtarief verschuldigd. (...).”

2.7.

Q-Park heeft [gedaagde] als kentekenhouder van de hiervoor genoemde auto gedagvaard.

3 De vordering

3.1.

Q-Park vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 517,50, vermeerderd met rente en proceskosten. Het gaat daarbij om een bedrag van € 450,00 in hoofdsom en een bedrag van € 67,50 aan buitengerechtelijke kosten. Q-Park legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten (parkeer-)overeenkomst, doordat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan ‘treintje rijden’ en de parkeergarage zonder te betalen heeft verlaten.

3.2.

[gedaagde] is volgens Q-Park op grond van de Algemene Voorwaarden Parkeren een bedrag van drie maal het maximale dagtarief verschuldigd, te weten € 150,00, en een boete van € 300,00.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat hij van 6 juli 2015 tot 10 augustus 2015 op vakantie was en dat er in die periode niemand in zijn auto heeft gereden. Volgens [gedaagde] is het daarom onmogelijk dat zijn auto op 28 juli 2015 heeft geparkeerd in de parkeergarage.

4.2.

Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft [gedaagde] vliegtickets overgelegd met betrekking tot zijn vakantie in Turkije van 6 juli 2015 tot 10 augustus 2015.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling aan Q-Park van € 517,50.

5.2.

[gedaagde] heeft erkend dat hij op 28 juli 2015 de kentekenhouder was van de auto met kenteken [nummer], maar hij betwist dat hij op die datum de bestuurder was die met de auto de parkeergarage is ingereden. Q-Park heeft het standpunt ingenomen dat zij [gedaagde] als kentekenhouder kan aanspreken en heeft ter ondersteuning van haar standpunt videobeelden overgelegd waarop is te zien dat de auto met kenteken [nummer] de parkeergarage verlaat door middel van ‘treintje tijden’ en zonder te betalen.

5.3.

De kantonrechter is van oordeel dat de registratie van [gedaagde] als kentekenhouder van de auto het vermoeden rechtvaardigt dat hij ook de bestuurder was. Het ligt vervolgens op de weg van [gedaagde] om dat vermoeden te weerleggen en zijn standpunt in dat kader voldoende te motiveren en te onderbouwen. Daarin is [gedaagde] niet geslaagd. De suggestie van [gedaagde] op de zitting dat sprake zou kunnen zijn van kentekenfraude of diefstal kan niet worden gevolgd, omdat daarvoor geen enkele aanwijzing bestaat. De kantonrechter en partijen hebben de door Q-Park overgelegde videobeelden op de zitting bekeken en [gedaagde] heeft na het zien van die beelden erkend dat zijn auto daarop te zien is. Dat de auto zou zijn gestolen, blijkt nergens uit en er is ook geen aangifte gedaan door [gedaagde]. [gedaagde] heeft voor het overige volstaan met de stelling dat hij wegens vakantie de bestuurder niet kan zijn geweest èn dat het onmogelijk is dat een ander tijdens zijn vakantie in zijn auto heeft gereden. Die stelling van [gedaagde] kan niet juist zijn en is daarmee onvoldoende geloofwaardig, omdat vast staat dat de auto in ieder geval op 28 juli 2015 de parkeergarage is ingereden. Het door [gedaagde] overgelegde E-ticket van een vlucht naar Turkije doet daaraan niet af, omdat daaruit niet blijkt dat [gedaagde] daadwerkelijk in Turkije was op 28 juli 2015 en omdat [gedaagde] niet kan of wil verklaren wie anders dan hijzelf de bestuurder van de auto is of kan zijn geweest.

5.4.

Gelet op het voorgaande moet als vaststaand worden aangenomen dat [gedaagde] de bestuurder was van de auto die op 28 juli 2015 heeft geparkeerd in de parkeergarage en dat hij daarmee een (parkeer-)overeenkomst is aangegaan met Q-Park. Niet in geschil is dat op die overeenkomst de Algemene Voorwaarden Parkeren van Q-Park van toepassing zijn. Ook moet als vaststaand worden aangenomen dat [gedaagde] met zijn auto de parkeergarage is uitgereden zonder te betalen en dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan ‘treintje rijden’. Uitgaande van artikel 6.3 van de Algemene Voorwaarden Parkeren is [gedaagde] vanwege het ‘treintje rijden’ in beginsel een boete verschuldigd van € 1.000,-.

5.5.

De overeenkomst tussen Q-Park en [gedaagde] moet worden aangemerkt als een consumentenovereenkomst als bedoeld in Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Q-Park is immers een rechtspersoon die handelt in het kader van haar privaatrechtelijke bedrijfs- of beroepsactiviteit en [gedaagde] is een natuurlijk persoon, waarvan niet is gebleken dat hij bij het aangaan van de (parkeer-) overeenkomst met Q-Park bedrijfs- of beroepsmatig heeft gehandeld. Op de zitting heeft [gedaagde] opgemerkt dat hij beroepsmatig handelt als opticien, maar niet betwist is zijn stelling dat hij zijn auto nooit gebruikt voor zijn onderneming en dat die auto geheel losstaat van zijn beroepsactiviteiten.

5.6.

Uit de dagvaarding en de brief van Q-Park van 12 februari 2016 blijkt dat Q-Park haar vordering baseert op de Algemene Voorwaarden Parkeren, en wat betreft de gevorderde boete op artikel 6.3 van de Algemene Voorwaarden Parkeren. Dat artikel is een beding als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de richtlijn, omdat daarover niet afzonderlijk is onderhandeld.

5.7.

De kantonrechter is verplicht om ambtshalve na te gaan of een beding in algemene voorwaarden oneerlijk is in de zin van de richtlijn, en hij moet dat beding vernietigen indien hij vaststelt dat het beding oneerlijk is. Dit is ook het geval als de consument daarover niets heeft aangevoerd (zie: Hoge Raad, 13 september 2013, ECLI:NL:HR: 2013:691).

5.8.

Het voorgaande brengt mee dat moet worden beoordeeld of artikel 6.3 van de Algemene Voorwaarden Parkeren, op grond waarvan een parkeerder in geval van ‘treintje rijden’ een boete verschuldigd is van € 1.000,-, een oneerlijk beding is als bedoeld in de richtlijn.

5.9.

Volgens artikel 3 lid 1 van de richtlijn wordt een beding als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. In de bijlage bij de richtlijn wordt vermeld dat een beding onder meer oneerlijk kan zijn als dat beding tot doel of tot gevolg heeft de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.

5.10.

Daarnaast volgt uit artikel 6:233, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is, indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.

5.11.

In het licht van de richtlijn en artikel 6:233, aanhef en onder a, BW, zal de kantonrechter bij de beantwoording van de vraag of het boetebeding van artikel 6.3 van de Algemene Voorwaarden Parkeren oneerlijk is, als maatstaf hanteren of de boete in een redelijke verhouding staat tot de voor Q-Park te verwachten schade door de gedraging waarop de boete is gesteld, en of de boete als ‘prikkel tot nakoming’ in een redelijke verhouding staat tot het belang voor Q-Park dat met nakoming van de verplichting is gediend. Verder moet de gedraging waarop de boete is gesteld een voldoende ernstige tekortkoming in de nakoming opleveren om een boete te kunnen rechtvaardigen.

5.12.

Het ‘treintje rijden’ door [gedaagde] op 28 juli 2015 levert zonder meer een ernstige tekortkoming op in de nakoming van de (parkeer-) overeenkomst die een boete rechtvaardigt.

5.13.

Op de zitting heeft Q-Park nader toegelicht wat de achtergrond is van de boete van
€ 1.000,00 van artikel 6.3 van de Algemene Voorwaarden Parkeren. Q-Park heeft erop gewezen dat zij sinds enige jaren een zogeheten Parkeer Management Systeem gebruikt, waarmee in alle door haar beheerde parkeergarages permanent cameratoezicht wordt gehouden op de in- en uitgangen van die parkeergarages. Indien sprake is van ‘treintje rijden’ wordt dit door middel van een detectiesysteem gesignaleerd, waarna alle signaleringen door medewerkers van Q-Park worden bekeken en onderzocht aan de hand van de camerabeelden. Die medewerkers verzamelen ook de informatie die nodig is om verhaal te halen op degenen die zich schuldig maken aan ‘treintje rijden’. Drie medewerkers van Q-Park houden zich hier dagelijks en fulltime mee bezig. De hoogte van de boete is blijkens de toelichting van Q-Park ongeveer twee jaar geleden vastgesteld op een bedrag van € 1.000,00 en is primair gebaseerd op de kosten die Q-Park maakt in geval van ‘treintje rijden’. Die kosten bestaan voor een deel uit de personeelskosten in verband met het hiervoor genoemde onderzoek door medewerkers van Q-Park en de daarmee gepaard gaande werkzaamheden. Q-Park heeft deze kosten becijferd op € 300,00 per geval van ‘treintje rijden’. Daarnaast is blijkens de toelichting van Q-Park in ongeveer 20% van de gevallen van ‘treintje rijden’ ook sprake van zogenoemde slagboomschade. Dat zijn gevallen waarin het ‘treintje rijden’ ertoe leidt dat ook de slagboom schade oploopt. Q-Park heeft in dat kader op de zitting videobeelden getoond waarop is te zien dat in voorkomende gevallen de dalende slagboom bij ‘treintje rijden’ het dak van de passerende auto raakt en daardoor afbreekt. De slagboomschade is door Q-Park becijferd op € 700,00 per geval, waarbij volgens Q-Park alleen de materiaalkosten zijn meegenomen en arbeidsloon buiten beschouwing is gelaten. [gedaagde] heeft de juistheid van deze nadere toelichting door Q-Park niet betwist en de kantonrechter heeft geen reden aan die juistheid te twijfelen. De genoemde schadeposten tezamen hebben Q-Park gebracht tot het vaststellen van de boete op een bedrag van
€ 1.000,00, met als bijkomende gedachte dat deze boete ook voldoende afschrikwekkend moet zijn. De kantonrechter is van oordeel dat de boete van € 1.000,00 van artikel 6.3 van de Algemene Voorwaarden Parkeren gelet op de nadere toelichting van Q-Park in een redelijke verhouding staat tot de voor Q-Park te verwachten schade door de gedraging waarop de boete is gesteld en dat die boete als ‘prikkel tot nakoming’ in een redelijke verhouding staat tot het belang voor Q-Park dat met nakoming van de verplichting is gediend. De boete van artikel 6.3 van de Algemene Voorwaarden Parkeren is daarom niet aan te merken als een oneerlijk beding.

5.14.

In een uitspraak van 6 januari 2016 (zaaknummer 4335220 CV EXPL 15-6310) is door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, in een verstekzaak geoordeeld dat het boetebeding van artikel 6.3 van de Algemene Voorwaarden Parkeren als oneerlijk moet worden aangemerkt. Daarbij is overwogen dat Q-Park haar vordering wat betreft de boete had beperkt tot een bedrag van € 365,00 en dat daaruit moest worden afgeleid dat Q-Park zelf vond dat een boetebedrag van € 365,00 in een redelijke verhouding staat tot de door Q-Park te verwachten schade. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, brengt de nadere toelichting van Q-Park over de aard en achtergrond van de boete mee dat die uitspraak in deze zaak niet (meer) wordt gevolgd. Daarbij is ook van belang dat Q-Park op de zitting heeft toegelicht dat zij haar vordering heeft beperkt tot een boete van € 300,00, omdat in dit geval geen slagboomschade is opgetreden. In dergelijke gevallen beperkt Q-Park haar vordering wat betreft de boete tot € 300,00, te weten het bedrag van de (te verwachten) schade exclusief de slagboomschade. Dat staat Q-Park vrij. Gelet daarop is er, anders dan in genoemde uitspraak van 6 januari 2016, geen reden (meer) om te oordelen dat de beperking van de vordering leidt tot de conclusie dat het boetebeding als oneerlijk moet worden aangemerkt.

5.15.

De conclusie is dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een boete van
€ 300,00. De gevorderde wettelijke rente daarover kan worden toegewezen, vanaf de dag van dagvaarding.

5.16.

Ook de vordering tot betaling van drie maal het dagtarief van € 50,00 wordt toegewezen. Er is geen grond om artikel 6.5. van de Algemene Voorwaarden Parkeren, waarop deze vordering berust, als een oneerlijk beding aan te merken en te vernietigen. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat Q-Park kan worden gevolgd in haar toelichting dat in gevallen van ‘treintje rijden’ niet kan worden vastgesteld wat de parkeerduur is geweest en dat zij daarom genoodzaakt is het tarief van een verloren of ontbrekende kaart in rekening te brengen. Ook hier geldt dat de wettelijke rente kan worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

5.17.

De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Q-Park heeft aan [gedaagde] geen aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Naar de kantonrechter begrijpt, stelt Q-Park dat wel sprake is geweest van een aanmaning, te weten een aanmaning in de vorm van een sommatie in de dagvaarding. Echter, uit tekst en strekking van artikel 6:96 lid 6 BW, in verbinding met artikel 6:96 lid 2 en 3 BW, volgt dat een schuldenaar moet zijn aangemaand buiten rechte en vóór aanvang van een procedure, en niet pas op het moment van dagvaarding, op welk moment een procedure gelet op artikel 125 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering al aanhangig is.

5.18.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij overwegend ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Q-Park van € 450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2015 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Q-Park tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 79,47

griffierecht € 466,00

salaris gemachtigde € 120,00 ;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 24 maart 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter