Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2331

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
C/15/230436/ FA RK 15-4727
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Toekenning van een voorlopige geslachtsnaam aan een staatloze minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/230436 / FA RK 15-4727

beschikking van 23 maart 2016 betreffende wijziging geboorteakte

in de zaak van:

[de moeder],

verblijvende te Katwijk,
hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2015;

- het aan voormelde beschikking ten grondslag liggende verzoekschrift, met bijlagen, van de moeder, ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag op 8 juli 2015, ingekomen ter griffie van de rechtbank Noord-Holland op 4 augustus 2015;

- het proces-verbaal van 9 december 2015;

- de schriftelijke conclusie van de Officier van Justitie van 14 januari 2016;

- de schriftelijke reactie op voormelde conclusie van de advocaat van de moeder van 4 februari 2016.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Uit de ongehuwd moeder is op [geboortedatum] in de gemeente Alkmaar geboren de minderjarige [minderjarige] . De minderjarige is niet erkend. De moeder is van rechtswege belast met het gezag over de minderjarige. De moeder heeft de Eritrese nationaliteit. De minderjarige is staatloos. Het verzoek van de moeder om haar asiel en een verblijfsvergunning te verlenen, is afgewezen.

3 Verzoek

3.1

De moeder heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Alkmaar (verder: ABS) te gelasten de akte van geboorte met aktenummer 110436 van het jaar 2014 van de gemeente Alkmaar betreffende de minderjarige, te verbeteren in die zin dat daarin wordt vermeld:

- als voornaam: Yousef;

- als voorlopige geslachtsnaam, in afwachting van het KB waarbij de geslachtsnaam van de minderjarige wordt vastgesteld, Dawit Bekele.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek wordt het volgende aangevoerd. De moeder is afkomstig uit Eritrea en is in oktober 2010 naar Nederland gevlucht. Als kind woonde zij in Ethiopië. Zij heeft haar moeder verloren toen ze 12 jaar was. Vervolgens werd ze ziek. Haar familie dacht dat dit te maken had met spirituele krachten en bracht haar naar een kerk om te genezen. Negen jaar later was ze genezen en is zij bekeerd tot de Pinkstergemeente. Omdat zij de dienstplicht niet had vervuld en lid was van een verboden kerk, werd zij op enig moment gearresteerd en gemarteld. Zij wist te ontsnappen, stapte op een schip en kwam in Nederland aan. De IND geloofde haar verhaal niet, omdat zij Amhaars spreekt. Veel mensen met een gemengd verblijf in Ethiopië en Eritrea stuiten op dit probleem. Zij heeft geen paspoort. Na afwijzing van haar asielprocedure kwam zij op straat terecht. In 2013 raakte zij zwanger van de minderjarige. Diens vader is onbekend.

Bij de geboorteaangifte weigerde de ABS van de gemeente Alkmaar de achternaam van de moeder te vermelden als achternaam van de minderjarige, omdat de moeder een namenreeks heeft. Omdat de moeder geen paspoort heeft, werd ook geweigerd de nationaliteit van de moeder bij die van de minderjarige te noteren. Daardoor heeft de minderjarige geen geslachtsnaam en is hij staatloos. De moeder en de minderjarige staan niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen. In maart 2015 is aan de ABS verzocht de geboorteakte aan te passen en de achternaam van de moeder ( [de moeder] ) toe te wijzen als geslachtsnaam van de minderjarige. Ondanks dat de ABS is gewezen op na te melden jurisprudentie, is dit geweigerd.

In Nederland is het gebruikelijk dat een ieder een voor- en achternaam heeft. Het is niet mogelijk in de maatschappij te functioneren zonder achternaam. Voorts heeft ieder kind op grond van artikel 7 IVRK het recht om een naam en nationaliteit te verwerven. Het recht op identiteit vloeit ook voort uit artikel 8 EVRM en artikel 8 IVRK. Er zijn al meerdere rechters die hebben geconstateerd dat het niet acceptabel is om een kind zonder achternaam door het leven te laten gaan.

Naar analogie van artikel 1:5 lid 10 BW zou in dit geval een voorlopige geslachtsnaam moeten worden toegewezen. Door de minderjarige dit te ontzeggen vanwege statusproblemen van de moeder is in strijd met artikel 2 lid 2 IVRK juncto artikel 3 IVRK. De minderjarige mag niet verweten worden dat de moeder geen paspoort en geen verblijfsvergunning heeft gekregen. De minderjarige is hier en groeit hier op.

4 Standpunten belanghebbenden

ABS

4.1

Ter zitting heeft de ABS het volgende aangegeven. De moeder heeft de Eritrese nationaliteit. Het Eritrese recht kent geen onderscheid tussen voor- en achternaam. Met inachtneming van de nationaliteit van de moeder staat het de ABS bij de toepassing van het IPR niet vrij zelfstandig de geboorteakte van de minderjarige te wijzigen op de wijze als door de moeder verzocht.

Officier van Justitie

4.2

In de conclusie stelt de Officier van Justitie zich op het standpunt dat het verzoek kan worden toegewezen in die zin dat, nu onduidelijk is of er een procedure op grond van artikel 1:7 lid 2 BW of een naturalisatieprocedure is aangevangen of dat de moeder daartoe voornemens is, er een termijn wordt verbonden aan de toekenning van een voorlopige geslachtsnaam.

5 Beoordeling

5.1

In de geboorteakte van de minderjarige is onder meer opgenomen dat op [geboortedatum] in de gemeente Alkmaar is geboren:

- geslachtsnaam: -

- voornamen : [minderjarige] ;

Voorts is opgenomen dat de moeder is:

- Naam moeder: [de moeder] ;

- Voornamen moeder: -;

En dat de aangever is:

- Geslachtsnaam: [naam]

- Voornamen: [naam]

Er zijn geen gegevens over de vader opgenomen.

5.2

Vast staat dat de moeder een ongehuwde vrouw is met de Eritrese nationaliteit, terwijl de vader kennelijk onbekend is. Het recht van Eritrea kent geen onderscheid tussen voornamen en geslachtsnamen.

5.3

Op grond van artikel 10:19 BW wordt de naam van een vreemdeling bepaald door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft. Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen hiervoor is overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat de minderjarige staatloos is. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Verdrag van New York betreffende de status van staatlozen van 1954 (Trb. 1957, 22) is Nederlands namenrecht van toepassing, omdat de minderjarige in Nederland zijn woon- of verblijfplaats heeft.

5.4

Op grond van artikel 1:5, eerste lid, BW krijgt een kind dat alleen in familierechtelijke betrekking tot de moeder staat haar geslachtsnaam. In dit geval heeft de moeder geen geslachtsnaam, maar een “naamsketen”.

5.5

Uitgangspunt in het Nederlandse recht is dat iedereen een voor- en achternaam heeft. Het niet hebben van een geslachtsnaam zal voor de minderjarige in het maatschappelijk verkeer grote (praktische) problemen kunnen opleveren. Door de minderjarige alleen een voornaam te geven zal de minderjarige onvoldoende geïdentificeerd kunnen worden, hetgeen strijdig is met zijn belang.

5.6

Aansluiting bij dit uitgangspunt kan gevonden worden in artikel 24, tweede lid van het Internationale Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (gesloten op 16 december 1978, Trb. 1978, 177) en artikel 7 IVRK. Volgens deze artikelen heeft de minderjarige vanaf de geboorte het recht op een naam en dienen de staten die partij zijn bij deze verdragen, waaronder Nederland, de verwezenlijking van deze rechten te waarborgen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het IVRK kan worden afgeleid dat het in artikel 7 van dat verdrag vervatte recht met name van belang is voor kinderen geboren buiten het huwelijk, zoals in dit geval.

5.7

Met inachtneming van het standpunt van de Officier van Justitie, is de rechtbank van oordeel dat de minderjarige vanaf zijn geboorte recht heeft op een naam, waaronder naar het oordeel van de rechtbank is begrepen een geslachtsnaam. Dit recht wordt beschermd door het hierboven genoemde artikel 7 IVRK, alsmede artikel 8 EVRM. Het is immers de naam, zowel de voornaam als de achternaam, waardoor een persoon in het maatschappelijk verkeer zijn identiteit verkrijgt. Ook voor de minderjarige, hoewel hij nog zeer jong is, is het van belang dat hij een dergelijke, hem van de andere mensen onderscheidende voor- en achternaam nodig heeft voor bijvoorbeeld inschrijving bij een kinderdagverblijf dan wel school.

5.8

In gevallen als de onderhavige kan de geslachtsnaam worden geregeld bij een Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Voorts heeft een staatloos kind zelf onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid om door optie het Nederlanderschap te verkrijgen waarbij alsdan een geslachtsnaam wordt vastgesteld. In afwachting van één van deze procedures is de rechtbank, gelet op het vorenoverwogene, van oordeel dat het bepaalde in artikel 1:5, tiende lid, BW analoog dient te worden toegepast om de minderjarige een geslachtsnaam te verschaffen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het in het belang van de minderjarige wenselijk is de ABS te gelasten om betreffende de minderjarige in de akte van geboorte te vermelden als voorlopige geslachtsnaam: “ [familienaam moeder] ” en als voornaam: “ [minderjarige] ”. De rechtbank realiseert zich dat dit tot gevolg heeft, dat er voor onbepaalde tijd een voorlopige geslachtsnaam in de registers van de burgerlijke stand staat vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank dient de onzekere duur van de voorlopige geslachtsnaam niet aan toekenning daarvan in de weg te staan, gelet op het voornoemde recht van de minderjarige om in het Nederlandse maatschappelijke verkeer identiteit te ontlenen aan een voor- en geslachtsnaam. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van de minderjarige bij een (voornaam en een) geslachtsnaam groter is dan het belang van de Nederlandse staat bij deugdelijke registers van de burgerlijke stand (en in het verlengde daarvan van de basisregistratie personen) en dat het belang van de minderjarige dient te prevaleren boven de mogelijke onwenselijke gevolgen van na te melden toekenning van een voorlopige geslachtsnaam aan de minderjarige.

5.9

Het oorspronkelijke verzoek van de moeder was de verbetering te gelasten van de geboorteakte van de minderjarige in die zin, dat als voornaam wordt opgenomen: [minderjarige] en als geslachtsnaam [familienaam moeder] . De moeder heeft ter zitting verklaard dat, indien zij moet kiezen voor één geslachtsnaam, haar voorkeur uitgaat naar “ [familienaam moeder] ”. De rechtbank begrijpt dat de moeder het verzoek aldus heeft aangepast.

5.10

Met inachtneming van het vorenstaande zal het (aangepaste) verzoek van de moeder worden toegewezen op na te melden wijze, in die zin dat de voorlopige geslachtsnaam van de minderjarige zal worden toegekend in afwachting van het Koninklijk Besluit waarbij de geslachtsnaam van de minderjarige wordt vastgesteld dan wel tot op andere wijze een geslachtsnaam van de minderjarige wordt vastgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding aan toewijzing van het (aangepaste) verzoek de voorwaarde van een termijn te verbinden, zoals door de Officier van Justitie was geconcludeerd.

5.11

Het verzoek om deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal als niet steunend op de wet worden afgewezen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

gelast verbetering van akte [nummer] , voorkomende in het register van geboorten van de burgerlijke stand van de gemeente Alkmaar over het jaar 2014, en wel in die zin dat daarin wordt vermeld:

- als voorlopige geslachtsnaam, in afwachting van het KB waarbij de geslachtsnaam van de minderjarige wordt vastgesteld dan wel tot op andere wijze een geslachtsnaam van de minderjarige wordt vastgesteld: “ [familienaam moeder] ”;

- als voornaam: “ [minderjarige] ”.

6.2

wijst af het meer of anders verzochte.

6.3

draagt - op grond van artikel 1:20e lid 1 BW - de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking - en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld - een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Alkmaar.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Friedberg, rechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.