Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2214

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
C/15/231045/FA RK 15-5033
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Oud geval: huwelijk tussen pp ontbonden in 1988, in 1990 is partnerbijdrage met niet-wijzigingsbeding afgesproken. Man is opnieuw gehuwd, kon niet voorzien dat dit huwelijk na ruim 22 jaar door echtscheiding ontbonden zou worden.

De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat partijen ten tijde van het maken van het niet-wijzigingsbeding niet aan de mogelijkheid hebben gedacht dat het huwelijk tussen de man en (-) ontbonden zou worden. De vraag is dan ook voor wiens risico deze wijziging dient te komen.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een wijziging die, in de verhouding tussen partijen, voor rekening en risico van de man dient te blijven. Niet kan worden geoordeeld dat er ten gevolge van de inkomensverlaging en vermogensherschikking van de man na de echtscheiding en boedelscheiding tussen de man en (-) een zodanige wanverhouding is ontstaan tussen hetgeen partijen voor ogen hadden toen zij het niet-wijzigingsbeding aangingen en de omstandigheden waarop de man thans een beroep doet. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw hem onder de gegeven omstandigheden aan het niet-wijzigingsbeding houdt, zodat de rechtbank hieraan voorbij zal gaan. Hieruit volg dat de rechtbank niet toekomt aan een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/231045 / FA RK 15-5033

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 23 maart 2016

in de zaak van:

[de man],

wonende te San Roque (Spanje),

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.C.H. Bruinier, kantoorhoudende te Ede Gld,

tegen

[de vrouw],

wonende te Zeist,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G.J.M. Gussenhoven, kantoorhoudende te Zeist.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen bij de rechtbank Den Haag op 27 mei 2015;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank Den Haag op 3 juli 2015;

- de brief, met aanvullend verzoekschrift en bijlage, van de advocaat van de man, ingekomen bij de rechtbank Den Haag op 23 juli 2015;

- de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2015

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 5 november 2015;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 9 november 2015;

- de akte, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen op 8 december 2015;

- de akte, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2016.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 november 2015 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. M.W. Riezebosch, en de vrouw, bijgestaan door mr. G.J.M. Gussenhoven.

De advocaten van partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.

1.3

Na de mondelinge behandeling heeft de man met toestemming van de rechtbank nog nadere stukken in het geding gebracht, waarop de vrouw nog heeft gereageerd.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op [trouwdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 16 augustus 1988 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het echtscheidingsvonnis van de rechtbank Utrecht van 20 juli 1988.

2.2

Bij het hiervoor genoemde vonnis is bepaald dat de man tot 5 september 1988 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van ƒ 2.600 (afgerond: € 1.192) per maand moet voldoen. Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 9 mei 1990 is bepaald dat de man vanaf 1 januari 1990 ƒ 3.250 (€ 1.475) aan de vrouw moet betalen. Medio 2009, toen de vrouw een AOW uitkering kreeg, zijn partijen overeengekomen dat de partnerbijdrage zou worden verlaagd naar € 2.049. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partnerbijdrage met ingang van 1 januari 2015 € 2.216 per maand.

3 Verzoek

3.1

De man heeft verzocht het vonnis van 9 mei 1990 te wijzigen in die zin, dat de

partnerbijdrage wordt bepaald op nihil met ingang van 1 februari 2015. Hij verzoekt de rechtbank voorts de vrouw te veroordelen aan hem terug te betalen al hetgeen hij vanaf

1 februari 2015 teveel aan haar heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf de datum van elke betaling tot aan de dag van de algehele voldoening.

3.2

De man heeft aanvankelijk aangevoerd dat het vonnis door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven. Omdat zijn financiële situatie ingrijpend gewijzigd is, is hij niet langer in staat een partnerbijdrage te betalen. De man is op [trouwdatum] gehuwd met mevrouw [naam] , hierna ook te noemen: [naam] . Dit huwelijk is op 1 augustus 2013 ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2013. [naam] heeft aanspraak op de helft van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen. De man en [naam] waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Omdat zij het over de wijze van verdeling van de ontstane goederengemeenschap niet eens konden worden, is deze kwestie aan de rechtbank voorgelegd.

3.3

In zijn aanvullend verzoekschrift heeft de man, naar aanleiding van het verweerschrift van de vrouw, aangegeven dat hij niet meer wist dat er destijds een niet-wijzigingsbeding was overeengekomen. Hij heeft zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij thans een beroep doet op het bepaalde in artikel 1: 159 lid 3 BW. Volgens de man is in het niet-wijzigingsbeding zijn mededeling dat hij voor de vrouw zou zorgen, verwoord en heeft hij zolang mogelijk geprobeerd om deze toezegging na te komen. Toen de man met [naam] trouwde, kon hij niet bevroeden dat dit huwelijk na ruim 22 jaar door echtscheiding ontbonden zou worden. Deze ontbinding van dit huwelijk door echtscheiding is een zeer ingrijpende wijziging. [naam] heeft, zoals gezegd, aanspraak op de helft van het door de man opgebouwde pensioen. Omdat er sprake was van een gemeenschap van goederen, maakt zij tevens aanspraak op de helft van het bedrag dat resteert nadat de schulden van de baten zijn afgetrokken. De man heeft in 2013 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Nadien heeft hij nog wel inkomen gehad. Volgens de man kan de vrouw niet van hem verwachten dat hij tot zijn 80ste blijft werken om de partnerbijdrage te kunnen blijven betalen. De vrouw heeft beslag gelegd op het pensioen van de man. Omdat de man in het buitenland woont, geldt er geen beslagvrije voet. Aangezien de andere helft van het pensioen aan [naam] wordt uitgekeerd, beschikte de man ten tijde van de indiening van zijn verzoekschrift slechts over een AOW uitkering als bron van inkomen. De man is directeur grootaandeelhouder (DGA) van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .. [bedrijf 3] . heeft gelden geïnvesteerd in [bedrijf 2] , in de hoop hieruit rendement te halen. Ten gevolge van de (nasleep van de) economische crisis leveren de investeringen weinig of geen rendement op en wordt er geen dividend uitgekeerd. Volgens de man is er een wanverhouding ontstaan tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. De man wijst erop dat hij, voordat hij de procedure is gestart, de vrouw heeft voorgesteld om samen met haar advocaat te overleggen, doch dat de vrouw hiertoe niet bereid was.

3.4

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de man, op verzoek van de rechtbank, bij akte van 8 december 2015 een afschrift van de beschikking van deze rechtbank van 11 november 2015 in de procedure tussen hem en [naam] overgelegd, met een draagkrachtberekening en een vermogensopstelling.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1

De vrouw heeft primair als verweer gevoerd dat partijen een niet-wijzigingsbeding overeengekomen zijn en dat de partnerbijdrage niet wegens wijziging van omstandigheden kan worden gewijzigd. Nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, is de man hieraan dus onverkort gebonden. Omdat de man heeft nagelaten gegevens in te brengen waaruit zijn inkomen ten tijde van de vaststelling van de partnerbijdrage in 1990 blijkt, kan niet worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van een drastische verlaging van het inkomen van de man. Dit betekent, aldus de vrouw, dat de partnerbijdrage niet gewijzigd kan worden en dat aan hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man niet wordt toegekomen.

4.2

Subsidiair heeft de vrouw betwist dat sprake zou zijn van een zodanige daling van het inkomen en vermogen van de man dat hij niet meer in staat is om de huidige partnerbijdrage te betalen. Met een beroep op de IB-aangiften van de man van de jaren 2012, 2013 en 2014 voert de vrouw aan dat de man inkomsten uit diverse bronnen heeft en dat het verloop hiervan vragen oproept. Uit deze aangiften blijkt, aldus de vrouw, dat de man over vermogen beschikt. De man is eigenaar van een woning in Marbella (Spanje) en is DGA van [bedrijf 2] De vrouw wijst erop dat de man beschikt over diverse auto’s en een zeiljacht. Van de man mag, aldus de vrouw, verwacht worden zijn vermogenspositie zodanig te herschikken dat hij aan zijn verplichtingen jegens haar kan blijven voldoen.

4.3

Tenslotte heeft de vrouw kanttekeningen geplaatst bij een aantal posten in de draagkrachtberekening van de man. Volgens de vrouw heeft de man structureel minder vaste lasten dan hij doet voorkomen, althans kan hij zijn lasten naar beneden bijstellen door de eigen woning te gaan bewonen. De vrouw betoogt dat de onderhoudsplicht van de man voor de dochter van zijn geregistreerde partner niet prevaleert boven de onderhoudsplicht die hij jegens haar heeft.

4.4

De vrouw voert aan dat haar behoefte aan een partnerbijdrage ongewijzigd is. Zij ontvangt, naast de partnerbijdrage, een AOW-uitkering voor een alleenstaande, € 1.084,86. Gelet op haar leeftijd en het ontbreken van verdiencapaciteit is zij niet in staat om nog inkomsten te genereren. Stopzetting van de partnerbijdrage zal voor haar een aanzienlijke inkomstenterugval met zich brengen van 55%, en tot grote financiële problemen leiden. Haar uitgavenpatroon en vaste lasten, waaronder een eigen woning, zijn volledig afgestemd op het alimentatie-inkomen, mede met het oog op het overeengekomen niet-wijzigingsbeding. De vrouw erkent dat zij een erfenis van haar moeder heeft gehad. Haar aandeel was € 102.500. Van dit bedrag heeft zij een auto voor de dochter van partijen gekocht en een aantal verbeteringen in haar woning aangebracht. Van de erfenis resteert een bedrag van € 70.000. Dit is het enige spaargeld van de vrouw en is bestemd voor dekking van in de toekomst te reserveren zorgkosten.

Volgens de vrouw dient haar belang bij behoud van de partnerbijdrage te prevaleren boven het belang van de man bij stopzetting ervan.

4.5

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de door de man verzochte ingangsdatum

1 februari 2015. Zij betoogt dat de ingangsdatum van de eventueel nieuw vast te stellen partnerbijdrage niet eerder gelegen kan zijn dan de datum van indiening van het verzoekschrift, 26 mei 2015. Eerst vanaf dat moment had zij kennis ervan en had zij daarmee rekening kunnen en moeten houden.

4.6

Met een beroep op de bepaling in het vonnis van 9 mei 1990 dat de man, als hij de vastgestelde partneralimentatie niet vrijwillig betaalt, de daarvoor te maken executiekosten moet betalen, heeft de vrouw de rechtbank verzocht de man te veroordelen tot betaling van de executiekosten die zij, in januari 2015, heeft moeten maken, omdat de man was opgehouden met betalen van de partnerbijdrage. Voorts verzoekt de vrouw de rechtbank om de man te veroordelen om de werkelijke kosten van de onderhavige procedure te voldoen, waaronder griffierechten en de advocatenkosten.

5 Beoordeling

5.1

De rechtbank overweegt dat van een ingrijpende wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW sprake is wanneer een volkomen wanverhouding is ontstaan tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als de ene partij de andere partij aan het niet-wijzigingsbeding zou houden. Op de voet van de uitspraak van de Hoge Raad van 8 september 2006 overweegt de rechtbank verder dat bij het onderzoek of zich een wijziging van de aard als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW heeft voorgedaan, weliswaar van belang kan zijn of ten tijde van de uitspraak op het verzoek een dergelijke wanverhouding bestaat, maar dat het daarbij erop aan zal komen of zulks een gevolg is van een voor de toepassing van deze bepaling voldoende ingrijpende wijziging ten opzichte van de omstandigheden die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestonden, terwijl voorts in aanmerking zal moeten worden genomen wat partijen toen aan mogelijke toekomstige omstandigheden voor ogen hebben gehad. De rechtbank dient niet alleen onderzoek te doen naar de feitelijke financiële omstandigheden van het moment, maar ook naar alle andere relevante omstandigheden. Nu wijziging slechts in uitzonderingsgevallen is toegelaten, moeten in de onderhavige procedure zowel aan de stelplicht van de partij die wijziging van de alimentatieovereenkomst verzoekt, als aan de motivering van de rechter zware eisen worden gesteld. Voorts strekt een niet-wijzigingsbeding naar zijn aard (mede) ertoe om te anticiperen op wijzigingen die partijen met meer of minder waarschijnlijkheid kunnen verwachten. Zij strekt ook noodzakelijkerwijs ertoe het risico voor het intreden van dergelijke wijzigingen in meerdere of mindere mate bij één van de partijen te leggen. Onder meer is van belang of de mogelijke wijziging van een bepaalde omstandigheid tijdens de onderhandelingen over de alimentatieovereenkomst ter sprake is gekomen en of de alimentatiegerechtigde heeft begrepen en mogen begrijpen dat de wederpartij het risico van die wijziging voor zijn rekening nam.

5.2

De man heeft aangevoerd dat hij niet meer over de stukken met betrekking tot de echtscheidingsprocedure van partijen beschikt. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het tijdsverloop, de man redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen dat hij heeft verzuimd de betreffende gegevens in het geding te brengen. De enkele omstandigheid dat voornoemde gegevens niet beschikbaar zijn, kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat de rechtbank niet kan toekomen aan beantwoording van de vraag of, gelet op het criterium van artikel 1:159 lid 3 BW, de man aan het niet-wijzigingsbeding kan worden gehouden.

5.3

De rechtbank stelt voorop dat in dit geding niet (meer) ter beoordeling voorligt de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na de ontbinding van het huwelijk tussen de man en [naam] . De vrouw heeft aangevoerd dat met de afspraken tussen de man en [naam] over de verdeling geen rekening kan worden gehouden, omdat de man de onderliggende processtukken niet in het geding heeft gebracht en zij niet in staat is de stellingen die in de procedure tussen de man en [naam] zijn ingenomen, te doorgronden. De rechtbank concludeert dat dit standpunt van de vrouw miskent dat zij in die procedure geen partij is / was en dat haar beroep, in het kader van de onderhavige procedure, op inzage in en beoordeling van ingediende stukken geen enkele juridische grondslag heeft.

5.4

Het geschil tussen partijen spitst zich - samengevat - toe op de beantwoording van de vraag of de financiële positie van de man na de ontbinding van diens huwelijk met [naam] en de vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap een voor de toepassing van artikel 1:159 lid 3 BW voldoende ingrijpende wijziging vormt ten opzichte van de omstandigheden die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestonden.

5.5

Zoals in rechtsoverweging 5.1 is neergelegd, is een niet-wijzigingsbeding naar zijn aard gericht op de mogelijkheid van toekomstige wijzigingen in de omstandigheden, met name op het punt van de behoefte en de draagkracht (samen: de wettelijke maatstaven). Wanneer een niet-wijzigingsbeding is overeengekomen, is nu juist door de alimentatieplichtige het risico ingecalculeerd dat de vastgestelde bijdrage op enig moment niet meer in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Partijen leggen voor dat geval het risico van een wijziging uitdrukkelijk bij de ene of andere partij.

5.6

De rechtbank overweegt dat het niet-wijzigingsbeding van partijen is opgenomen in de akte houdende wijziging van eis die de vrouw op 28 februari 1990 in de echtscheidingsprocedure heeft genomen. Nadat de man een akte houdende referte had genomen, is op 9 mei 1990 het vonnis gewezen. Toen beide aktes in de procedure werden genomen, was de man reeds in algehele gemeenschap van goederen met [naam] gehuwd. Dit huwelijk was voltrokken op 20 december 1989.

5.7

De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat partijen ten tijde van het maken van het niet-wijzigingsbeding niet aan de mogelijkheid hebben gedacht dat het huwelijk tussen de man en [naam] ontbonden zou worden. De vraag is dan ook voor wiens risico deze wijziging dient te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een wijziging die, in de verhouding tussen partijen, voor rekening en risico van de man dient te blijven.

5.8

De man heeft een draagkrachtverweer gevoerd en stelt dat hij op basis van zijn inkomsten en vaste lasten noch op basis van zijn bezittingen en schulden in staat is om enige bijdrage aan partnerbijdrage aan de vrouw te betalen. Met ingang van 1 november 2015 ontvangt hij een pensioen van AON van € 3.046 netto per maand en een AOW-uitkering van € 830,22 netto per maand. Van het pensioen van AON wordt maandelijks een bedrag van

€ 2.216,12 aan de vrouw uitgekeerd.

5.9

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de beantwoording van de vraag welk bedrag aan lijfrente-uitkering van [bedrijf 1] in aanmerking dient te worden genomen. In deze B.V. is een stamrecht ondergebracht dat de man bij zijn vertrek bij zijn werkgever AON heeft gekregen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangevoerd dat, op advies van zijn accountant [naam] en in overleg met de fiscus, is vastgelegd dat hij in 2013 € 1.000 zou ontvangen en vervolgens vijf jaar lang € 12.000 bruto per jaar. De uitkering kan, aldus de man, niet hoger worden vastgesteld, omdat [bedrijf 3] niet over de benodigde financiële middelen beschikt. Daarbij komt dat [naam] , nu de aandelen van [bedrijf 1] bestanddeel zijn van de huwelijksgoederengemeenschap, aanspraak heeft op de helft van de waarde ervan. In het kader van de verdeling van de waarde van [bedrijf 1] zijn de man en [naam] overeengekomen dat de aandelen in de verdeling worden betrokken voor een waarde van € 42.877 en aan de man worden toegedeeld. De man heeft met [naam] voorts afgesproken dat de stamrechtvordering op [bedrijf 1] aan hem wordt toegedeeld en dat hij [naam] € 500.000 (netto) zal betalen, zodra hij de vordering ter zake op [bedrijf 2] , een holding- en beleggingsvennootschap waarvan de man DGA is, liquide heeft gemaakt. [bedrijf 1] heeft, van het stamrechtkapitaal, leningen verstrekt aan [bedrijf 2] Volgens de man is het de grote vraag of de vordering ooit zal worden geïncasseerd en er is hiervoor in de jaarstukken een voorziening getroffen van

€ 2.300.000.

5.10

De vrouw heeft gewezen op passages uit het door de man overgelegde concept deskundigenbericht [de man] / [naam] , waaruit blijkt dat de man als bestuurder van [bedrijf 3] B.V. het standpunt inneemt dat de vorderingen op [bedrijf 2] zullen worden voldaan uit de verkoopopbrengst van te koop staande aandelenbelangen en onroerend goed. Het bestuur beschikt, aldus het deskundigenbericht, over informatie waaruit blijkt dat deze opbrengsten voldoende zullen zijn om de schulden aan de vennootschap volledig af te lossen. De vrouw voert aan dat de deskundige in de echtscheidingsprocedure tussen de man en [naam] op grond van de verklaring van de bestuurder dan wel de man ervan is uitgegaan dat de vorderingen op [bedrijf 2] volledig kunnen worden geïncasseerd. Volgens de vrouw heeft de man niet onderbouwd waarom de vordering van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] niet kan worden geïnd en bestaat er volstrekte onduidelijkheid over de investeringen van [bedrijf 2] , het rendement daaruit en de verkoopactiviteiten vanuit [bedrijf 2] teneinde de schuld aan [bedrijf 1] te voldoen.

5.11

De rechtbank is van oordeel dat de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aannemelijk heeft gemaakt dat [bedrijf 1] niet meer aan de stamrechtverplichtingen jegens hem kan voldoen en/of de dat de lijfrente niet meer op de oorspronkelijk door de man beoogde niveau kan worden uitgekeerd.

5.12

Op grond van de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan niet worden geoordeeld dat er ten gevolge van de inkomensverlaging en vermogensherschikking van de man na de echtscheiding en boedelscheiding tussen de man en [naam] een zodanige wanverhouding is ontstaan tussen hetgeen partijen voor ogen hadden toen zij het niet-wijzigingsbeding aangingen en de omstandigheden waarop de man thans een beroep doet. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw hem onder de gegeven omstandigheden aan het niet-wijzigingsbeding houdt, zodat de rechtbank hieraan voorbij zal gaan. Hieruit volg dat de rechtbank niet toekomt aan een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man. Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.

5.13

De vrouw heeft aangevoerd dat zij executiekosten heeft moeten maken, omdat de man gestopt was met betalen en verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man deze kosten dient te betalen. Voorts verzoekt zij de man in de kosten van de procedure te veroordelen. De vrouw heeft aangekondigd dat zij de kosten nog zal specificeren. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat elk van partijen de eigen kosten draagt, gelet op de aard van de procedure en het feit dat de man deze procedure niet nodeloos heeft gevoerd. De rechtbank zal de verzoeken van de vrouw daarom afwijzen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

Wijst af het verzoek van de man.

6.2

Bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

6.3

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.