Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2175

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3628
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet. Boete. Grove schuld niet aangetoond. Vaststelling fictieve draagkracht.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/3628

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes),

en

Het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland, verweerder

(gemachtigde: H. Mentink).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) een boete opgelegd van € 5.880,-.

Bij besluit van 30 juni 2015 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen, beslist dat een boete wordt opgelegd van € 4.480,- en een kostenvergoeding toegekend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 19 januari 2016 heeft verweerder een gewijzigd besluit genomen (het bestreden besluit 2), waarbij de boete is verlaagd tot € 730,-.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

In 2014 is een onderzoek gestart naar het recht op voortzetting van de uitkering van eiseres. Verweerder heeft op basis van de onderzoeksbevindingen geconcludeerd dat eiseres een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat zij door het verzwijgen daarvan geen recht (meer) heeft op (voortzetting van de) bijstand. Verweerder heeft aanvankelijk het recht op uitkering beëindigd met ingang van 25 juli 2014 en ingetrokken per 18 september 2012 en de over de periode van 18 september 2012 tot en met 31 mei 2014 ten onrechte ontvangen uitkering ad € 30.646,85 teruggevorderd. In bezwaar is, omdat eiseres heeft toegegeven samen te wonen vanaf 1 januari 2014, de datum van intrekking van de uitkering gesteld op 1 januari 2014 en het terug te vorderen bedrag op € 7.837,87. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

Verweerder heeft vervolgens bij het primaire besluit van 24 april 2015 een boete opgelegd van € 5.880,-, zijnde 75% van het bruto benadelingsbedrag. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van grove schuld.

2. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en beslist dat een boete wordt opgelegd van € 4.480,-, zijnde 75% berekend over de netto vordering. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder de boete gewijzigd en nader vastgesteld op 75% van de voor eiseres toepasselijke bijstandsnorm (ten tijde van het bestreden besluit: 75% x € 960,83 = € 720,62, naar boven afgerond op tientallen), zijnde € 730,-. Daarbij heeft verweerder verwezen naar voorgesteld beleid om boeten op grond van de Pw voortaan, afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid, vast te stellen op een percentage van de van toepassing zijnde norm.

3.1

De rechtbank stelt voorop dat het door verweerder op 19 januari 2016 genomen nieuwe besluit in de plaats komt van het bestreden besluit 1. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een vernietiging van het bestreden besluit 1, zodat het beroep gericht tegen dat besluit, niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Aangezien het beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking heeft op het besluit van 19 januari 2016, zal de rechtbank beoordelen of dat besluit (het bestreden besluit 2) in rechte stand kan houden.

3.2

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de Pw legt verweerder een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

Ingevolge het tweede lid wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

Ingevolge het zevende lid kan verweerder:

a. de bestuurlijke boete verlagen als sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Ingevolge het negende lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

Op grond van artikel 5:46, eerste lid, van de Awb bepaalt de wet de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd. Op grond van het tweede lid stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, tenzij de hoogte bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

3.3

Bij de beoordeling van verwijtbaarheid dient het kader toegepast te worden zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat heeft uiteengezet in de uitspraak van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754), welk toetsingskader voor bijstandszaken nader is uitgelegd in de uitspraken van 23 juni 2015 (onder meer de uitspraak gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2015:1880) en 11 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:8, ECLI:NL:CRVB:2016:9 en ECLI:NL:CRVB:2016:10, ECLI:NL:CRVB:2016:11, ECLI:NL:CRVB:2016:12 en ECLI:NL:CRVB:2016:13). Hieruit volgt dat een beboetbare gedraging bij “gewone” verwijtbaarheid leidt tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan aan te tonen dat daarvan sprake is. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

4.1

Eiseres betwist dat sprake is van grove schuld. Zij heeft aangevoerd dat zij zich niet heeft gerealiseerd dat zij de aanwezigheid van de heer [naam] moest melden. Die aanwezigheid kwam voort uit de medische problematiek. Zij was hulpbehoevend. Zij had geen andere oplossing dan de hulp van de heer [naam] in te roepen. Zij besefte niet dat het feit dat de heer [naam] zo vaak bij haar was van invloed was op haar recht op bijstand. Over deze specifieke situatie is zij ook nooit voorgelicht. Zij heeft zich op dat moment niet gerealiseerd dat die situatie van invloed was op haar recht op bijstand. Volgens eiseres is er dan ook in ieder geval geen sprake geweest van grove schuld, maar van gewone dan wel verminderde verwijtbaarheid, dus hooguit 50% of 25%.

4.2

Verweerder houdt er aan vast dat eiseres grove schuld kan worden verweten. Verweerder ziet als verzwarende omstandigheid de duur van de gezamenlijke huishouding en in het verlengde daarvan de duur van de schending van de inlichtingenverplichting. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat eiseres wist dat het voeren van een gezamenlijke huishouding van invloed is op het recht op uitkering en dat zij wist en had moeten weten dat het college niet op hoogte was van de samenwoning. Ook heeft verweerder erop gewezen dat eiseres zowel op het moment van de betaling van de uitkering over de maanden januari tot en met juli 2014 alsook op het moment van de ontvangst van de betaalspecificaties contact had kunnen opnemen met het college om een en ander recht te zetten, maar dat zij in geen van die momenten daartoe aanleiding heeft gevonden. Verweerder heeft geen bijzondere omstandigheden en/of dringende redenen aanwezig geacht om de boete verder te verlagen of om van oplegging van de boete af te zien.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze onderbouwing niet aangetoond dat bij eiseres sprake is geweest van een dermate grote, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid in het doorgeven van haar feitelijke woonsituatie dat haar grove schuld kan worden verweten. Daarmee is in dit geval 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid. Dat zou dan neerkomen op een boete van in beginsel (50% van € 5.970,85) € 2.990,-. Dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, zoals eiseres subsidiair betoogt, is de rechtbank niet gebleken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres op de hoogte was van de op haar rustende inlichtingenplicht en dat zij wist dan wel had kunnen weten dat de woonsituatie van invloed was op de hoogte van haar bijstandsuitkering. In het bijzonder is de rechtbank niet gebleken van een zodanige ontwrichtende medische situatie dat haar de schending van de inlichtingenplicht verminderd valt toe te rekenen. Ook is niet gebleken dat eiseres in een zodanige geestelijke toestand verkeerde dat haar de overtreding niet volledig valt aan te rekenen. Het enkele feit dat zij gezondheidsproblemen had, maakt haar gedrag niet minder verwijtbaar. Overigens is ook niet gebleken dat sprake was van een direct oorzakelijk verband tussen de problemen en het verzwijgen van haar woonsituatie. Gesteld noch gebleken is voorts dat sprake is van dringende redenen om af te zien van oplegging van de boete. De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het bestreden besluit 2 vernietigen voor zover het ziet op de hoogte van de boete.

5.1

Op grond van artikel 8:72a van de Awb neemt de bestuursrechter bij vernietiging van een beschikking tot boeteoplegging zelf een beslissing omtrent het opleggen van de boete. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien en overweegt daartoe als volgt.

5.2

Een juiste toepassing van het door verweerder voorgenomen boetebeleid leidt tot een boete van € 490,- (= 50% van € 972,70, zijnde de op eiseres van toepassing zijnde norm ten tijde van deze uitspraak, naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-). De rechtbank zal de boete dan ook op dit bedrag vaststellen. Deze boete blijft ruim binnen de grenzen die de CRvB heeft getrokken in de uitspraken van 11 januari 2016. Een boete van € 490,- moet dan ook onder de gegeven omstandigheden evenredig worden geacht. De rechtbank merkt hierbij op dat eiseres het voorgenomen boetebeleid van verweerder op zich ook niet heeft bestreden.

5.4

Van de kant van eiseres is, onder verwijzing naar de uitspraken van de CRvB van 11 januari 2016, nog gesteld dat bij het bepalen van de hoogte van de boete moet worden uitgegaan van de geldende beslagvrije voet. De beslagvrije voet bedroeg voor haar in april 2014 € 964,29 en deze was hoger dan het daadwerkelijk ontvangen inkomen (= € 712,18) en ook hoger dan het inkomen dat zij theoretisch had kunnen ontvangen (= € 960,83). Volgens eiseres zou dat er in haar geval op neerkomen dat er geen ruimte is om een boete op te leggen. De rechtbank verwerpt deze stelling van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de genoemde uitspraken hiervoor geen aanknopingspunt. Met de vaststelling van de boete op € 490,- is naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van eiseres.

Griffierecht en proceskosten

6. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 2 wat de hoogte van de boete betreft;

- herroept het primaire besluit;

- stelt de boete vast op € 490,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 2;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P.E. Oomens, voorzitter, en mr. W.J.A.M. van Brussel en mr. I. de Greef, leden, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.