Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2106

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
C/15/226672 / HA ZA 15-342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sprake van drie (middellijk) bestuurders/aandeelhouders in werkmaatschappij, een familiebedrijf. Een van de bestuurders/aandeelhouders onttrekt in een periode van circa 15 maanden EUR 920.000,- aan de werkmaatschappij, naar zijn zeggen omdat hij werd afgeperst en gechanteerd. De andere bestuurders/aandeelhouders en de werkmaatschappij spreken hem (en zijn holding) aan op grond van (primair) onrechtmatige daad. De vordering van de mede-bestuurders/aandeelhouders ligt voor afwijzing gereed. Er is gesteld noch gebleken dat sprake is van schending van een jegens hen geldende specifieke zorgvuldigheidsnorm. De enkele stelling dat zij als aandeelhouders schade hebben geleden omdat de werkmaatschappij schade heeft geleden is onvoldoende om schending van een jegens hen geldende specifieke zorgvuldigheidsnorm aan te nemen. Vordering van werkmaatschappij slaagt wel. Maatstaf voor beoordeling van de gestelde onrechtmatige daad wordt ingekleurd door maatstaf die bij artikel 2:9 BW wordt gehanteerd. Sprake van een ernstig persoonlijk verwijt, dus sprake van onrechtmatig handelen jegens de werkmaatschappij. Dit onrechtmatig handelen kan de (middellijk) bestuurder ook worden toegerekend, dus is hij ook aansprakelijk voor de door de werkmaatschappij geleden schade. Van een noodtoestand is niet gebleken. De gevorderde schadevergoeding is toewijsbaar. Geen reden voor matiging als bedoeld in artikel 6:109 BW. Geen eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. Eisers mogen de door hun gestelde vervolgschade nog nader bij akte onderbouwen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/879
OR-Updates.nl 2016-0079
INS-Updates.nl 2016-0163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/226672 / HA ZA 15-342

Vonnis van 16 maart 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BARKEL HOLDING B.V.,

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JANMAR HOLDING B.V.,

gevestigd te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,

3. [eiser3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser4],

wonende te [woonplaats],

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

C. EN J. MARKUS EN ZONEN B.V.,

gevestigd te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,

eisers,

advocaat mr. W.F. Roelink te Hoofddorp,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

C.M. HOLDING B.V.,

gevestigd te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,

2. [gedaagde2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. D. Winters te Hoofddorp.

Eisers zullen gezamenlijk Barkel Holding c.s. en ieder afzonderlijk Barkel Holding, Janmar Holding, [eiser3], [eiser4] en de werkmaatschappij worden genoemd.

Gedaagden zullen gezamenlijk C.M. Holding c.s. en ieder afzonderlijk C.M. Holding, [gedaagde2] en [gedaagde3] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 augustus 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 februari 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De werkmaatschappij is een familiebedrijf en houdt zich bezig met het aannemen van grond-, water- en wegenbouwkundige werken, baggerwerken en groenvoorziening. Barkel Holding, Janmar Holding en C.M. Holding zijn bestuurders en aandeelhouders van de werkmaatschappij.

[eiser3], [eiser4] en [gedaagde2] zijn op hun beurt bestuurder en enig aandeelhouder in hun respectievelijke holdingvennootschappen Barkel Holding, Janmar Holding en C.M. Holding.

2.2.

[eiser3] en [gedaagde2] zijn broers van elkaar en neven van [eiser4]. [gedaagde3] is de echtgenote van [gedaagde2].

2.3.

C.M. Holding was financieel directeur van de werkmaatschappij en verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken binnen de werkmaatschappij.

2.4.

[gedaagde2] heeft in of omstreeks de periode van eind december 2013 tot eind maart 2015 via contante opnames bij banken een bedrag van in totaal € 920.000,- aan de bankrekening van de werkmaatschappij onttrokken. Op of omstreeks 27 maart 2015 heeft C.M. Holding Barkel Holding en Janmar Holding hiervan op de hoogte gesteld.

2.5.

Op 30 maart 2015 heeft [gedaagde2] aangifte gedaan bij de politie van – samengevat – chantage en afpersing door leden van de familie [A.], waarbij in totaal € 920.000,- van de zakelijke rekening van de werkmaatschappij en een bedrag van € 56.000,- van de rekening van C.M. Holding is afgehaald en betaald aan en ten behoeve van voornoemde familie.

2.6.

Op 1 april 2015 is C.M. Holding als bestuurder ontslagen.

2.7.

Met daartoe verkregen verlof hebben Barkel Holding c.s. op 31 maart 2015 ten laste van C.M. Holding c.s., [gedaagde2] en [gedaagde3] conservatoire derdenbeslagen gelegd onder de notaris op de koopsom van een door [gedaagde2] verkochte onroerende zaak.

2.8.

Met daartoe verkregen verlof hebben Barkel Holding c.s. op 16 april 2015 conservatoir beslag gelegd op een aan [gedaagde2] en [gedaagde3] toebehorend woonhuis.

2.9.

De notaris heeft op 4 mei 2015 in verband met de gelegde derdenbeslagen in opdracht van C.M. Holding c.s. een bedrag van € 69.042,99 aan Barkel Holding c.s. betaald. Die beslagen zijn daarmee komen te vervallen.

3 Het geschil

3.1.

Barkel Holding c.s. vorderen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat primair alle gedaagden hoofdelijk, subsidiair gedaagden sub 1 en 2; meer subsidiair gedaagde sub 2 en uiterst subsidiair gedaagde sub 1, hoofdelijk jegens eisers uit (primair) onrechtmatige daad verbonden zijn, subsidiair uit hoofde van toerekenbare tekortkoming verbonden zijn;

gedaagden, althans hen/haar/hem ten aanzien van welke/wie uw rechtbank oordeelt dat deze(n) jegens eisers verbonden zijn, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser(e)(s) te voldoen de somma ad € 920.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van heden tot aan de dag der algehele voldoening;

met verwijzing naar de schadestaatprocedure;

een en ander met veroordeling, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, van gedaagde(n) in de proceskosten en met bepaling dat de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is met ingang van de veertiende dag na het ten deze te wijzen vonnis.

3.2.

C.M. Holding c.s. voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank begrijpt de vordering sub a van Barkel Holding c.s. aldus dat is bedoeld te vorderen een verklaring voor recht dat alle gedaagden hoofdelijk, subsidiair gedaagden sub 1 en 2 hoofdelijk, meer subsidiair gedaagde sub 2 en uiterst subsidiair gedaagde sub 1 aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is van primair een onrechtmatige daad en subsidiair wanprestatie.

4.2.

Barkel Holding c.s. leggen aan de vordering het volgende ten grondslag.

C.M. Holding heeft als bestuurder van de werkmaatschappij onrechtmatig gehandeld jegens de werkmaatschappij, omdat zij zonder daartoe gerechtigd te zijn, en in strijd met de afspraken over de aan de bestuurders van de werkmaatschappij toekomende honorering, onttrekkingen heeft gedaan van in totaal € 920.000,-. Daarnaast houden de onttrekkingen een zeer ernstige, opzettelijke en welbewuste schending in van de afspraken over de aan C.M. Holding toekomende honorering voor haar werkzaamheden, zodat eveneens sprake is van een toerekenbare tekortkoming jegens de werkmaatschappij.

Het handelen van C.M. Holding is volgens Barkel Holding c.s. daarnaast onrechtmatig jegens Barkel Holding, Janmar Holding, [eiser3] en [eiser4], althans levert een toerekenbare tekortkoming op jegens hen, omdat zij als aandeelhouder van de werkmaatschappij afgeleide schade hebben geleden, welke schade ten minste bestaat uit het bedrag ad € 920.000,- aan vermogensschade dat de werkmaatschappij heeft geleden.

C.M. Holding c.s. zijn volgens Barkel Holding c.s. op de volgende gronden hoofdelijk aansprakelijk voor de hierdoor door hen geleden schade:

- Het is C.M. Holding die als bestuurder de verweten handelingen heeft verricht. Het is dus zonder meer C.M. Holding die onrechtmatig heeft gehandeld jegens Barkel Holding c.s., althans die toerekenbaar is tekortgeschoten in de verplichtingen jegens hen.

- De onrechtmatige daad van C.M. Holding, althans de toerekenbare tekortkoming van C.M. Holding, dient tevens aan [gedaagde2] te worden toegerekend, omdat er geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de handelingen van C.M. Holding en de handelingen van haar directeur-groot aandeelhouder [gedaagde2].

- [gedaagde2] en [gedaagde3] zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, zodat ter zake de onderhavige vorderingen sprake is van een gemeenschapsschuld. Op grond van artikel 1:94 lid 5 juncto artikel 1:96 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen Barkel Holding c.s. een dergelijke gemeenschapsschuld mede verhalen op alle goederen van de gemeenschap, met inbegrip van die welke - voor zover behorend tot de gemeenschap - aan [gedaagde3] toekomen, aldus Barkel Holding c.s.
Ten slotte stellen Barkel Holding c.s. dat de omvang van de totale schade op dit moment niet vast valt te stellen; reden voor de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure.

4.3.

C.M. Holding c.s. erkennen dat sprake is geweest van onttrekkingen van saldo aan de bankrekening van de werkmaatschappij van in totaal € 920.000,-, maar betwisten de vorderingen van Barkel Holding c.s.

Zij voeren aan dat eisers sub 1 tot en met 4 niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat zij daarbij als aandeelhouders geen direct belang hebben en ook niet direct schade hebben geleden. Daarnaast is [gedaagde3] ten onrechte in de procedure betrokken, omdat Barkel Holding c.s. geen vordering op haar hebben en [gedaagde2] en [gedaagde3] bovendien niet in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

Voorts is geen sprake geweest van onrechtmatig handelen of wanprestatie van de zijde van C.M. Holding en [gedaagde2].

Ten slotte dient, voor zover het gevorderde wordt toegewezen, de vordering van Barkel Holding c.s. te worden gematigd als bedoeld in artikel 6:109 BW, aldus C.M. Holding c.s.

4.4.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de vorderingen jegens [gedaagde3]

4.5.

C.M. Holding c.s. hebben gedocumenteerd betwist dat [gedaagde2] en [gedaagde3] in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Barkel Holding c.s. hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard zich ter zake te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Nu uit de door C.M. Holding c.s. overgelegde huwelijkse voorwaarden blijkt dat [gedaagde2] en [gedaagde3] niet in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd, en Barkel Holding c.s. daar niets tegen hebben ingebracht, leidt dit tot de conclusie dat de feitelijke grondslag voor de aansprakelijkheid van [gedaagde3] faalt. De vorderingen ten aanzien van [gedaagde3] dienen reeds daarom te worden afgewezen, wat er ook zij van de juridische merites van deze grondslag.

Ten aanzien van de vorderingen ingesteld door eisers sub 1 tot en met 4

4.6.

Barkel Holding c.s. betogen dat eisers sub 1 tot en met 4 schade lijden doordat zij (indirect) aandeelhouder zijn van de werkmaatschappij, welke schade (minstens) bestaat uit het bedrag ad € 920.000,- aan vermogensschade dat de werkmaatschappij heeft geleden. Dit betoog faalt op de hierna vermelde gronden.

4.7.

Volgens vaste rechtspraak kan tegen het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen jegens een vennootschap of door gedragingen die tegenover een vennootschap onrechtmatig zijn slechts door die vennootschap zelf worden opgekomen. Aan de aandeelhouders die zogeheten afgeleide schade lijden komt in beginsel geen eigen vordering tot schadevergoeding tegen de onrechtmatig handelende derde toe. Een uitzondering daarop vormt het geval waarin hun schade het gevolg is van de schending van een jegens hen geldende specifieke zorgvuldigheidsnorm (Hoge Raad 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, Poot/ABP). Deze regel is eveneens van toepassing in gevallen waarin de bestuurder van een vennootschap is tekortgeschoten in de nakoming van de uit zijn aanstelling/opdracht voortvloeiende verplichtingen tegenover die vennootschap (Hoge Raad 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419).

4.8.

In de onderhavige zaak is gesteld noch gebleken dat sprake is van schending van een jegens eisers sub 1 tot en met 4 geldende specifieke zorgvuldigheidsnorm. De enkele stelling dat zij als aandeelhouders schade hebben geleden omdat de werkmaatschappij schade heeft geleden is, gelet op het hiervoor onder r.o. 4.7 overwogene, onvoldoende om schending van een jegens hen geldende specifieke zorgvuldigheidsnorm aan te nemen. De vorderingen van eisers sub 1 tot en met 4 liggen derhalve voor afwijzing gereed.

Aansprakelijkheid jegens de werkmaatschappij

4.9.

Gelet op het voorgaande liggen alleen nog de vorderingen van de werkmaatschappij ter beoordeling voor. Hoewel de primaire grondslag van deze vorderingen in wezen ziet op interne bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van artikel 2:9 BW, zal de rechtbank de vorderingen beoordelen op de aangedragen grondslag, te weten primair onrechtmatige daad. De maatstaf voor de beoordeling van de door Barkel Holding c.s. gestelde onrechtmatige daad van C.M. Holding wordt (naar vaste jurisprudentie) ingekleurd door de maatstaf die bij artikel 2:9 BW wordt gehanteerd (de facto bestuurdersaansprakelijkheid). Voor aansprakelijkheid op grond van genoemd artikel is, gelet op haar verplichting tot een behoorlijke taakvervulling als bedoeld in artikel 2:9 BW, vereist dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beantwoording van de vraag of een bestuurder een ernstig verwijt treft moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken, waaronder de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen en het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult (Hoge Raad 10 januari 1997, NJ 1997, 360).

4.10.

C.M. Holding en [gedaagde2] bestrijden dat zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens de werkmaatschappij. Zij voeren aan dat C.M. Holding steeds bevoegd en in het belang van de werkmaatschappij heeft gehandeld. Er was sprake van afpersing en C.M. Holding heeft steeds een afweging moeten maken tussen het betalen van de deelbedragen en de kans dat het bedrijf ernstige schade zou worden berokkend (bijvoorbeeld door brandstichting). C.M. Holding was bevoegd die afweging te maken en de betreffende bedragen op te nemen. Dat haar medebestuurders het achteraf niet eens zijn met de keuze die C.M. Holding heeft gemaakt, maakt haar handelen niet onrechtmatig. Aldus kan evenmin sprake zijn van doorbraak van aansprakelijkheid naar [gedaagde2] als bestuurder van C.M. Holding.

Bovendien kan de door de werkmaatschappij geleden schade niet aan C.M. Holding worden toegerekend. De oorzaak en schuld van de onttrekkingen ligt bij de leden van de familie [A.] en niet bij C.M. Holding en/of [gedaagde2].

Voor zover aangenomen wordt dat de schade wel aan C.M. Holding en/of [gedaagde2] kan worden toegerekend beroepen C.M. Holding en [gedaagde2] zich op overmacht en/of noodtoestand. De constante dreiging van de leden van de familie [A.], waarbij zowel de werkmaatschappij als het gezin van [gedaagde2] ernstig risico liepen, rechtvaardigt het handelen van C.M. Holding en/of [gedaagde2], aldus nog steeds C.M. Holding en [gedaagde2].

4.11.

De rechtbank stelt voorop dat Barkel Holding c.s. gemotiveerd betwist dat C.M. Holding de onttrekkingen deed omdat zij, althans [gedaagde2], werd afgeperst. Indien de door C.M. Holding en [gedaagde2] geschetste gang van zaken niet op waarheid berust, faalt het verweer van C.M. Holding en [gedaagde2] reeds daarom. Indien de gang van zaken inderdaad is geweest zoals door hen geschetst, faalt het verweer eveneens, op de hierna volgende gronden.

4.12.

Vast staat dat C.M. Holding financieel directeur van de werkmaatschappij was en dat zij bij uitsluiting het dagelijkse beleid binnen de werkmaatschappij bepaalde, zodat zij op de hoogte was, althans diende te zijn, van het feit dat het bedrag van € 920.000,- bijna de jaaromzet van de werkmaatschappij bedroeg. Daarnaast wist zij, althans behoorde zij te weten, dat (zoals Barkel Holding c.s. onbetwist hebben gesteld) onvoldoende middelen overbleven om crediteuren van de vennootschap te voldoen. C.M. Holding had dan ook moeten weten dat onttrekking van dat bedrag het voortbestaan van de werkmaatschappij ernstig zou bedreigen. Objectief gezien was de handelwijze van C.M. Holding derhalve niet in het belang van de vennootschap. Bovendien had C.M. Holding moeten begrijpen dat haar bevoegdheid om als bestuurder zelfstandig en zonder overleg met haar medebestuurders betalingen te verrichten niet zover strekte. Daarnaast geldt dat sprake is geweest van talloze transacties, zodat C.M. Holding telkens weer tot bezinning had kunnen komen en de afweging had kunnen maken om te stoppen met het doen van betalingen en de situatie aan de medebestuurders/aandeelhouders en/of de politie te melden. Dat heeft C.M. Holding echter niet gedaan. Zij heeft eerst na circa 15 maanden de situatie aan haar medebestuurders medegedeeld, nadat de onttrekkingen inmiddels tot een exorbitant hoog bedrag waren opgelopen. Ter zake kan C.M. Holding dan ook een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt en is dus sprake van onrechtmatig handelen van C.M Holding jegens de werkmaatschappij.

4.13.

Anders dan C.M. Holding betoogt, kan haar dit onrechtmatig handelen ook worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank is van een noodtoestand niet gebleken. De stelling van C.M. Holding en [gedaagde2] in dit verband dat C.M. Holding geen openheid van zaken kon geven, omdat zij de mensen rondom de werkmaatschappij en het bedrijf zelf in bescherming wilde nemen is hiertoe niet voldoende, gelet op de duur en de hoogte van de onttrekkingen. Daarnaast had C.M. Holding moeten begrijpen dat zij de beslissing om te (blijven) betalen aan de leden van de familie [A.], gelet op de omstandigheden, niet alleen had mogen nemen, maar daar juist haar twee medebestuurders bij had moeten betrekken. De ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door [gedaagde2] gegeven verklaring dat hij ook uit schaamte niets wilde zeggen tegen zijn medebestuurders maakt evenmin dat sprake is van een noodtoestand.

Aldus heeft C.M. Holding toerekenbaar onrechtmatig jegens de werkmaatschappij gehandeld en is zij aansprakelijk voor de door de werkmaatschappij geleden schade, zodat de sub a gevorderde verklaring voor recht, voor zover deze ziet op C.M. Holding, en de vordering C.M. Holding te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan de werkmaatschappij, voor toewijzing gereed liggen.

4.14.

Op de voet van artikel 6:162 juncto 2:11 BW rust de aansprakelijkheid van C.M. Holding ook hoofdelijk op [gedaagde2], die ten tijde van het ontstaan van die aansprakelijkheid bestuurder was van C.M. Holding. In zoverre komen de sub a gevorderde verklaring voor recht en de vordering ook [gedaagde2] te veroordelen tot vergoeding van de schade als gevolg van voormeld onrechtmatig handelen aan de werkmaatschappij ook voor toewijzing in aanmerking. Hetgeen sub a subsidiair is gevorderd behoeft daarom geen bespreking meer.

Ten aanzien van de schade

4.15.

Barkel Holding c.s. begroten de door de werkmaatschappij geleden schade in de eerste plaats op het bedrag aan onttrekkingen van in totaal € 920.000,-. C.M. Holding en [gedaagde2] hebben de hoogte van het bedrag aan onttrekkingen niet betwist, zodat de gevorderde schadevergoeding tot dat bedrag toewijsbaar is. Dit bedrag aan schadevergoeding dient nog wel te worden verminderd met € 69.042,99, nu ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door Barkel Holding c.s. is erkend dat laatstgenoemd bedrag door C.M. Holding en [gedaagde2] inmiddels aan Barkel Holding c.s. is betaald als tegemoetkoming in de geleden schade.

4.16.

C.M. Holding en [gedaagde2] voeren aan dat dit toe te wijzen bedrag gematigd dient te worden als bedoeld in artikel 6:109 BW, gelet op de tussen partijen bestaande rechtsverhouding, hun draagkracht en de gevolgen waartoe toekenning van de vergoeding zal leiden. De financiële situatie van [gedaagde2] en zijn familie is uitgesproken slecht. Bij opeising van het gehele gevorderde bedrag is hun faillissement onafwendbaar, aldus C.M. Holding en [gedaagde2]. Ook voeren zij aan dat de schade mede het gevolg is van de inrichting van de organisatie van de werkmaatschappij die het mogelijk heeft gemaakt dat C.M. Holding dergelijke bedragen gedurende een langere periode aan de werkmaatschappij heeft kunnen onttrekken. Laatstgenoemd betoog vat de rechtbank op als eigen schuldverweer (artikel 6:101 BW).

4.17.

Ook deze verweren falen, nu toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet leidt tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen en de schade ook niet mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde is toe te rekenen. Dat de werkmaatschappij met een schade van € 920.000,- is geconfronteerd is geheel en al te wijten aan de onrechtmatige handelwijze van C.M. Holding/[gedaagde2], waarbij C.M. Holding zelf financieel directeur was die de leiding had over de dagelijkse financiële gang van zaken binnen de onderneming. Gedurende een periode van circa 15 maanden heeft zij de andere bestuurders niet ingelicht en heeft [gedaagde2], zoals door hem is verklaard ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, in zijn hoedanigheid van bestuurder van C.M. Holding bovendien de boekhoudster van de werkmaatschappij voorgelogen over het doel van de onttrekkingen. Onder die omstandigheden gaat het niet aan dat C.M. Holding en [gedaagde2] thans de werkmaatschappij verwijten dat zij haar organisatie niet juist heeft ingericht. De rechtbank ziet daarin dan ook geen grond voor matiging of vermindering van de vergoedingsplicht. Het feit dat de aansprakelijkheid voortvloeit uit onrechtmatig handelen van C.M. Holding en [gedaagde2] staat naar het oordeel van de rechtbank eveneens aan matiging in de weg, mede gelet op het feit dat de werkmaatschappij een familiebedrijf is waarin vertrouwen een grote rol speelt en C.M. Holding/[gedaagde2] dit vertrouwen op grove wijze heeft geschonden.

De gestelde slechte financiële situatie van [gedaagde2] en zijn familie leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij komt dat de werkmaatschappij zelf ook in financiële problemen verkeert of heeft verkeerd, nu het onttrokken bedrag bijna de jaaromzet van de werkmaatschappij bedraagt en er (naar door Barkel Holding c.s. onweersproken is gesteld) als gevolg van die onttrekkingen schulden van de werkmaatschappij aan derden zijn ontstaan.

4.18.

De conclusie luidt dan ook dat het jegens C.M. Holding en [gedaagde2] gevorderde bedrag aan schadevergoeding ad € 920.000,- minus € 69.042,99 = € 850.957,01 thans reeds hoofdelijk toewijsbaar is.

Ten aanzien van de vervolgschade

4.19.

Barkel Holding c.s. vorderen naast het bedrag van € 920.000,- vervolgschade, bestaande uit de kosten van de accountant, de kosten voor het leggen van beslag en de kosten voor het treffen van regelingen met schuldeisers. Barkel Holding c.s. vragen hiervoor verwijzing naar de schadestaat omdat een en ander nog niet begroot kan worden.

4.20.

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom voornoemde kosten niet in deze procedure kunnen worden begroot en zij acht het daarom niet nodig om de zaak naar een schadestaatprocedure te verwijzen. De rechtbank zal de zaak dan ook aan zich houden ter vaststelling van de schade, waarbij Barkel Holding c.s. in de gelegenheid zullen worden gesteld de gevorderde vervolgschade bij akte nader te onderbouwen. C.M. Holding c.s. zullen vervolgens bij antwoordakte daarop mogen reageren.

4.21.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden, waarbij de rechtbank partijen volledigheidshalve nog voor houdt dat het hen uiteraard vrij staat om naar aanleiding van de in dit vonnis neergelegde beslissingen alsnog een minnelijke regeling te treffen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 13 april 2016 voor het nemen van een akte door Barkel Holding c.s. als onder 4.20 overwogen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.I. de Vreese-Rood, mr. E. Jochem en mr. M.M. Kruithof en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.1

1 type: 299 coll: