Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:2079

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
4744657 AO VERZ 16-25
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vernietiging ontslag op staande voet afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1275
AR-Updates.nl 2016-0473
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 4744657 \ AO VERZ 16-25

Uitspraakdatum: 21 maart 2016

Beschikking in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: [verzoeker]

gemachtigde: mr. J.A. de Roos

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Sanoma Digital The Netherlands B.V.,

gevestigd te Hoofddorp

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: Sanoma

gemachtigde: mr. N.A. de Leeuw

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

[verzoeker] heeft op 13 januari 2016 een verzoekschrift (met producties) ingediend. Daar heeft Sanoma op gereageerd bij verweerschrift (met producties), tevens houdende een tegenverzoek.

1.2.

Bij schrijven van 15 februari 2016 heeft [verzoeker] nog twee producties in het geding gebracht. Naar aanleiding daarvan heeft Sanoma bij brief van 17 februari 2016 een reactie ingediend, waarop [verzoeker] bij brief van 18 februari 2016 heeft gereageerd. Bij brief van 19 februari 2016 heeft Sanoma een aanvankelijk door haar ingesteld verzoek op grond van artikel 7:677 (lid 2 juncto) lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingetrokken.

1.3.

Op 22 februari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2.1.

[verzoeker] is op 1 juni 2014 bij Sanoma in dienst getreden in de functie van Investment Associate op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De huidige arbeidsovereenkomst loopt (althans zou lopen) tot 1 juni 2016. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat tussentijdse opzegging mogelijk is.

2.2.

Het salaris van [verzoeker] bedroeg laatstelijk € 4.430,53 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

2.3.

Op 25 november 2015 heeft een incident plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [betrokkene 1] , HR Director Sanoma Digital (hierna te noemen: [betrokkene 1] ). Naar aanleiding van dat incident heeft [betrokkene 2] , Director HR Sanoma Media (hierna te noemen: [betrokkene 2] ) op 26 november 2015 een gesprek met [verzoeker] gevoerd. Tijdens dit gesprek heeft [betrokkene 2] (onder meer) aan [verzoeker] medegedeeld dat hij op staande voet wordt ontslagen en dat hij hierover een brief zal krijgen. Bij een deel van het gesprek is ook [betrokkene 1] aanwezig geweest om haar visie op de gebeurtenissen te geven.

2.4.

Vervolgens heeft [betrokkene 2] (namens Sanoma) bij brief van 26 november 2015 het volgende aan [verzoeker] medegedeeld:

“Geachte heer [verzoeker] ,

Gisteren hebben wij kennis genomen van uw agressieve gedrag richting een van onze medewerkers. Als gevolg daarvan heeft de directie vanochtend besloten dat we uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen. U wordt op staande voet ontslagen.

U heeft een van onze medewerkers bedreigd en geïntimideerd. U heeft haar telefoon uit haar handen getrokken, haar notitieboekje hardhandig dicht geklapt en op een agressieve wijze voor haar gestaan en teksten geroepen als ‘als ik er ooit achter kom dat jij hiervan wist, kom ik achter je aan en maak ik je kapot’. Ook heb je gezegd dat je je eigen leidinggevende z’n kop eraf zou slaan als je hem zou tegenkomen.

Dit is onacceptabel gedrag en hiervoor hebben wij een 0-tolerantie beleid (Code of Conduct).

U heeft in het gesprek van 26 november met [betrokkene 2] de gelegenheid gekregen om uw kant van het verhaal te vertellen. In datzelfde gesprek was ook de bedreigde medewerker aanwezig om haar versie van het gesprek aan u toe te lichten.

Vandaag is door ondergetekende medegedeeld dat u per onmiddellijke ingang de toegang tot ons pand wordt geweigerd en u voor einde dag uw spullen dient in te leveren. Een van onze medewerkers zal u het pand uit begeleiden.”

2.5.

Op 10 december 2015 heeft [betrokkene 1] (schriftelijk) onder meer het volgende verklaard met betrekking tot het voorval op 25 november 2015:

“Woensdag 25 november rond lunchtijd kwam [verzoeker] mijn kamer binnen gestormd. Hij sloeg de deur hardhandig dicht. Terwijl hij op mij af stormde, zei hij met verheven stem ‘Ben jij die van HR, ben jij die uh.. [voornaam betrokkene 1] .’Ik bevestig met ‘ja’. Ik schrok van zijn houding, blik en toon en was vanaf dat moment op mijn hoede. [verzoeker] zag er zeer boos uit, zijn gezichtskleur was lijkwit en hij was kort van adem.

Toen hij bij mijn bureau aankwam, wilde hij hardhandig mijn notitieblokje dat voor me lag dicht klappen, ik heb met mijn hand tegengedrukt. Vervolgens wilde hij de mobiele telefoon uit m’n hand trekken, ik heb teruggetrokken en de telefoon vast weten te houden.

(…) Hij noemde beloftes die hem waren gemaakt door [betrokkene 3] (…) en hij noemde ontslag. Hij zei tot 2x toe ‘als ik er achter kom dat jij hier van wist, kom ik achter je aan en maak ik je kapot.’ Hij zei dit terwijl hij zeer intimiderend (1x schuin en 1x recht) voor m’n bureau stond en met z’n vinger naar me wees. Ik voelde me op dat moment bedreigd en geïntimideerd.

(…) Hij maakte toen de opmerking ‘als ik er achter kom dat jij hier van wist, kom ik achter je aan en maak ik je kapot, zakelijk dan.’

Aangezien hij door bleef gaan en zijn toon niet kalmeerde noch zijn houding en blik in agressiviteit afnamen, heb ik mijn stem verheven bij de volgende zinssnede ‘ofwel je gaat nu normaal tegen me doen en stopt met me te bedreigen en intimideren, of we stoppen dit gesprek nu.’ [verzoeker] zei toen dat hij me niet bedreigde, hetgeen ik vervolgens heb tegengesproken.

Hierna kalmeerde hij iets. (…) We hebben toen een aantal minuten op een rustige manier gesproken. (…)

Richting het eind van het gesprek liep [verzoeker] richting de deur van mijn kantoor. Hij werd weer bozer. Zijn gezichtskleur werd weer witter en hij werd weer korter van adem. Hij viel in herhaling over eerder gemaakte uitspraken. Uiteindelijk maakte hij mijn kantoordeur open en in de deuropening zei hij ‘als ik [voornaam betrokkene 3] tegenkom, sla ik z’n kop eraf.’ Hij liep vervolgens witheet weg. Een collega, [betrokkene 4] , was hier getuige van.

Ik heb direct daarna aantekeningen in mijn notitieblokje gemaakt van de uitspraken van [verzoeker] zodat ik dit naderhand woord voor woord zou kunnen citeren, zoals hierboven weergegeven. (…)

Ik heb mij door [verzoeker] bedreigd en geïntimideerd gevoeld. Ik heb me ’s avonds thuis zorgen gemaakt en afgevraagd waartoe [verzoeker] in staat zou zijn.”

2.6.

In aanvulling op de hierboven genoemde verklaring d.d. 10 december 2015 heeft [betrokkene 1] op 9 althans 11 februari 2016 (schriftelijk) onder meer het volgende verklaard:

“(…)

[verzoeker] kwam zonder enige twijfel agressief mijn kamer binnen op 25 november 2015. Hij gooide de deur hardhandig dicht en zei met een verheven stem en agressieve blik ‘Ben jij die uh… [betrokkene 1] , die [voornaam betrokkene 1] ?’ Hij liep daarna in een vlot tempo direkt rechtdoor naar m’n bureau en probeerde de telefoon uit mijn handen te trekken hetgeen ik heb weten te voorkomen door de telefoon terug te trekken. Ook probeerde hij hardhandig mijn notitieblokje dicht te duwen waar ik iets in aan het schrijven was op het moment dat [verzoeker] m’n kamer binnenstormde. Ook dit heb ik weten te voorkomen doordat ik tegendruk leverde en m’n handen op het boekje hield. Hij vervolgde met verheven stem, kort van adem en een lijkwit gezicht. Hij stond op dat moment voor m’n bureau, naar me wijzend met een zeer agressieve blik in z’n ogen. Hij viel over z’n eigen woorden. Hij raasde. (…) [verzoeker] bleef doorrazen en wilde dat ik bevestigde dat hij ontslagen zou worden. Hij maakte onderwijl een aantal keer de opmerking ‘als ik er achter kom dat jij hier van wist, kom ik achter je aan en maak ik je kapot.’ Ik voelde me bedreigd en geïntimideerd en heb dit ook tijdens het ‘gesprek’ met [verzoeker] aangegeven.”

Dat er een discrepantie zou zitten tussen de ontslagbrief en mijn eerdere verklaring is onwaar. Hier worden exact dezelfde zaken bedoeld met een ietwat andere woordkeuze. [verzoeker] heeft met zijn handen aan mijn spullen gezeten (…).

(…) Al mijn ontslagervaringen in mijn gehele loopbaan tot op heden bij elkaar opgeteld, en dat zijn talloze keren geweest waarbij in totaal van meer dan 700 medewerkers afscheid genomen moest worden, heb ik geen enkele ervaring die ook maar enigszins in de buurt komt van de heftigheid van de reactie van [verzoeker] .

Direkt nadat [verzoeker] mijn kamer verlaten had, heb ik diverse zinssnedes die hij geuit had in mijn notitieboekje opgeschreven. [betrokkene 4] was hier getuige van omdat zij direct na het vertrek van [verzoeker] naar me toe kwam om te vragen of alles wel OK was. (…)”

2.7.

[betrokkene 4] heeft naar aanleiding van het voorval op 25 november 2015 op 11 december 2015 (schriftelijk) onder meer het volgende verklaard:

“Terugkomend van de lunch op woensdag 25 juni viel mijn oog meteen op het kantoor van [betrokkene 1] . De deur was dicht en [betrokkene 1] zat achter haar bureau en [verzoeker] stond dichtbij de deur met zijn hand op de deurkruk.

Mijn oog bleef op de kamer omdat ik de indruk kreeg dat er iets meer aan de hand was dan een gewone conversatie. Dit omdat [verzoeker] met zijn armen zwaaide terwijl hij sprak en ik een gespannen uitdrukking zag op het gezicht van [betrokkene 1] .

Na een minuut ongeveer deed [verzoeker] de deur open met de intentie om naar buiten te gaan daarbij zijn rug nog naar de deur toe. Op dat moment hoorde ik [verzoeker] zeggen ‘dat als ik hem tegenkom sla ik zijn kop eraf’ met wilde en agressief overkomende handgebaren. (…)

(…) Voor mij kwam het over als iemand die heel boos was en bijna agressief was.

Hierna ben ik meteen de kamer van [voornaam betrokkene 1] ingelopen om te kijken of alles oke was met haar.”

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt:

Primair:

i. het op 26 november 2015 aan [verzoeker] verleende ontslag op staande voet te vernietigen (ex artikel 7:681 lid 1 sub a BW);

ii. Sanoma te veroordelen tot betaling van het overeengekomen loon € 4.430,53 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, overige emolumenten, wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid tot de dag van algehele nakoming, te rekenen vanaf 25 november 2015 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

iii. Sanoma te veroordelen om binnen 24 uur na het geven van de beschikking [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zijn functie volledig en ongestoord uit te oefenen, waaronder volledige toegang tot het bedrijfsnetwerk, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag, met een maximum van € 250.000,-;

iv. Sanoma te veroordelen de externe berichtgeving van 9 december 2015 over zijn ontslag binnen 24 uur na beschikking te rectificeren (zoals nader aangeduid in het verzoekschrift), op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag met een maximum van € 250.000,-;

v. Sanoma te veroordelen in de proceskosten;

Subsidiair:

i. aan [verzoeker] een billijke vergoeding (ex artikel 7:681 lid 1 sub a BW) toe te kennen, gebaseerd op het loon ad € 4.430,53 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten tot 1 juni 2016, de einddatum van het bepaalde tijd contract tussen partijen;

ii. voor zover de billijke vergoeding op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het sub i. gevorderde, een gefixeerde schadevergoeding aan [verzoeker] toe te kennen op grond van de onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 9 BW (neerkomend op het salaris over de periode van 26 november 2015 tot en met 31 december 2015).

iii. Sanoma te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoeken – samengevat - het volgende ten grondslag.

3.3.

De opzegging van de arbeidsovereenkomst door Sanoma met onmiddellijke ingang is onterecht. Deze opzegging is niet gebaseerd op toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), [verzoeker] heeft niet met de opzegging ingestemd en er is geen sprake van een dringende reden voor ontslag ex artikel 7:677 jo. 7:678 BW. Hierom is opzegging in strijd met artikel 7:671 lid 1 BW.

3.4.

In de ontslagbrief staat niet duidelijk welke gedragingen ten grondslag liggen aan de dringende reden. De in de brief genoemde gedragingen zijn echter niet verricht door [verzoeker] . Bovendien wijken de in de brief genoemde gedragingen af van hetgeen door [betrokkene 2] is gezegd in het gesprek op 26 november 2015 en van de door [betrokkene 1] in dat gesprek en nadien afgelegde verklaringen. Het ligt op de weg van Sanoma om alle in de ontslagbrief genoemde feiten te bewijzen. Daarin is Sanoma niet geslaagd. Overigens is het voor [verzoeker] nooit duidelijk geweest dat Sanoma ook tot ontslag zou zijn overgegaan als maar een deel van de genoemde feiten zou komen vast te staan.

3.5.

Hoor en wederhoor is niet toegepast. Het ontslag was tijdens het gesprek van 26 november 2015 al gegeven voordat de verweten gedragingen aan [verzoeker] werden medegedeeld en voordat hij daarop kon reageren. Pas na het ontslag op staande voet te hebben verleend is [betrokkene 2] in hetzelfde gesprek nader ingegaan op de gedragingen waarvan [verzoeker] wordt beschuldigd en is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld (in datzelfde gesprek) zijn visie te geven.

3.6.

De werkelijke gang van zaken is volgens [verzoeker] als volgt geweest.

Op 24 november 2015 deelde de leidinggevende van [verzoeker] , [betrokkene 3] (hierna te noemen: [betrokkene 3] ) [verzoeker] plotseling mede dat [verzoeker] in het kader van een reorganisatie zou worden ontslagen en dat hij over twee dagen zijn laatste werkdag zou hebben. Diezelfde avond ontving [verzoeker] een sms-bericht van zijn collega [betrokkene 5] waarin deze liet weten van de CFO van Sanoma Nederland te hebben vernomen dat het dienstverband met [verzoeker] zou worden geëerbiedigd. [verzoeker] was hierdoor zeer in verwarring gebracht en heeft daardoor die nacht niet kunnen slapen.

Op 25 november 2015 is hij naar het kantoor van [betrokkene 1] gegaan om opheldering te vragen over deze kwestie. [betrokkene 1] keek niet op of om toen [verzoeker] binnenkwam. In een poging haar aandacht te trekken heeft [verzoeker] toen zijn vinger op haar telefoon en notitieblok gelegd. Hij heeft dus niet de telefoon uit haar handen getrokken of het notitieblok dichtgeklapt. Ook heeft hij niet geprobeerd dit te doen.

[verzoeker] heeft [betrokkene 1] op de hoogte gesteld van de mededeling die hij van [betrokkene 3] had ontvangen. [betrokkene 1] deed eerst of ze van niets wist, terwijl later bleek dat zij wel degelijk van de situatie afwist. [verzoeker] heeft toen tegen [betrokkene 1] gezegd dat indien achteraf blijkt dat zij wel meer wist, hij dit zal onthouden en dat hij dit zal meenemen als hun carrièrepaden nogmaals kruisen. De discussie tussen [betrokkene 1] en [verzoeker] is pittig geweest, maar uiteindelijk is de discussie afgesloten en hebben zij nog een paar minuten op een normale manier met elkaar gepraat. Overigens heeft [verzoeker] ook blijkens de eigen verklaring van [betrokkene 1] tijdens het gesprek met [betrokkene 1] al aangegeven dat hij haar niet bedreigde, zodat ieder misverstand daaromtrent al was weggenomen. [betrokkene 1] gaf tijdens het gesprek meerdere keren te kennen dat [betrokkene 3] zijn boekje te buiten was gegaan. In reactie daarop heeft [verzoeker] inderdaad - bij wijze van spreken - gezegd dat hij de kop van [betrokkene 3] er wel af zou kunnen slaan. Daar zat echter geen enkele agressie achter.

3.7.

Zelfs als [verzoeker] de gedragingen zoals vermeld in de ontslagbrief of zoals vermeld in verklaringen van [betrokkene 1] zou hebben verricht, is het gegeven ontslag op staande voet onterecht, gelet op de onzekere situatie waarin Sanoma [verzoeker] heeft gebracht door de tegenstrijdige mededelingen over het reorganisatieontslag.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

Sanoma verweert zich tegen de verzoeken van [verzoeker] . Zij voert – samengevat – het volgende aan.

4.2.

De verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen, omdat het ontslag op staande voet is terecht gegeven.

4.3.

Op 25 november 2015 is [verzoeker] op agressieve wijze het kantoor van [betrokkene 1] binnengestormd, heeft de deur achter zich dichtgetrokken zodat [betrokkene 1] geen kant meer op kon, heeft getracht de telefoon en het notitieblok uit handen van [betrokkene 1] te trekken en heeft bedreigingen geuit zoals ‘ik maak je kapot’ en ‘ik sla de kop van [betrokkene 3] eraf’. Sanoma verwijst naar de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] .

4.4.

Op grond van wat [betrokkene 2] op 25 november 2015 hoorde over voormeld incident was zij voornemens [verzoeker] (namens Sanoma) ontslag op staande voet te verlenen. Zij heeft daarom [verzoeker] op 26 november 2015 uitgenodigd voor een gesprek en gezegd dat een ontslag op staande voet gerechtvaardigd leek. Omdat [verzoeker] een andere visie had en niet meer precies wist wat hij had gezegd, heeft [betrokkene 2] [betrokkene 1] erbij gehaald om haar verhaal te doen in bijzijn van [verzoeker] . In hetgeen [verzoeker] daarop heeft aangevoerd, heeft Sanoma geen aanknopingspunten gevonden waaruit een rechtvaardiging voor zijn gedrag volgde. Het ontslag op staande voet is dan ook gehandhaafd.

4.5.

[verzoeker] is wel degelijk gehoord over het ontslag op staande voet. Overigens maakt het niet horen van de werknemer het ontslag op zich niet ongeldig.

4.6.

In de eerste alinea van de ontslagbrief d.d. 26 november 2015 is de reden van het ontslag duidelijk medegedeeld, te weten agressief gedrag richting een van de medewerkers van Sanoma, van welk gedrag in de tweede alinea een nadere omschrijving wordt gegeven. Er is geen sprake van een discrepantie tussen het vermelde in de ontslagbrief en de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . Dezelfde zaken zijn bedoeld, maar met een andere woordkeuze. Overigens was het [verzoeker] volstrekt duidelijk welke gedragingen Sanoma niet door de beugel vond kunnen en waarom dit een ontslag op staande voet opleverde. Ook als maar een gedeelte van het feitencomplex komt vast te staan kan het ontslag geldig zijn.

4.7.

Door agressieve houding van [verzoeker] heeft [betrokkene 1] zich bedreigd en geïntimideerd gevoeld. De omstandigheid dat [verzoeker] zich vervelend behandeld heeft gevoeld door de mededeling van [betrokkene 3] over het reorganisatieontslag rechtvaardigt de handelwijze van [verzoeker] niet.

4.8.

Voor het geval het ontslag op staande voet geen stand houdt voert Sanoma nog aan dat de wettelijke verhoging moet worden gematigd, dat het verzoek tot wedertewerkstelling moet worden afgewezen, dat het verzoek tot rectificatie moet worden afgewezen en dat de verzochte dwangsommen moeten worden gematigd tot nihil. Overigens miskent het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding gelijk aan het salaris tot 1 juni 2016 dat de arbeidsovereenkomst een tussentijds opzegbeding kent, zodat deze met inachtneming van een maand opzegtermijn had kunnen worden opgezegd.

4.9.

In de zaak van het tegenverzoek wordt door de werkgever verzocht de arbeidsovereenkomst met de werknemer op de kortst mogelijke termijn te ontbinden op grond van (artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met) artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW. De door [verzoeker] (op 25 november 2015) verrichte gedragingen zijn volgens Sanoma dusdanig ernstig dat als gevolg daarvan de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden. Het verzoek is voorwaardelijk, namelijk voor het geval wordt geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt.

4.10.

[verzoeker] heeft verweer gevoerd tegen het voorwaardelijke ontbindingsverzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

Allereerst stelt de kantonrechter vast, dat [verzoeker] het verzoek gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 sub a onder 2 BW tijdig heeft ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst (door het in deze procedure ter discussie staande ontslag op staande voet) is geëindigd. Het ontslag op staande voet heeft immers plaatsgevonden op 26 november 2015 en het verzoek is ontvangen op 13 januari 2016.

5.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het door Sanoma aan [verzoeker] gegeven

ontslag op staande voet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.3.

In artikel 7:677 lid 1 BW is bepaald, dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

5.4.

De kantonrechter is van oordeel dat de wijze waarop [verzoeker] zich op 25 november 2015 heeft gedragen een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. De kantonrechter ziet geen reden te twijfelen aan de – natuurgetrouwe – verklaring van [betrokkene 1] zoals (deels) onder 2.5. en 2.6. van deze beschikking is weergegeven. Hierbij is van belang dat [betrokkene 1] naar zij heeft verklaard direct na het gesprek met [verzoeker] op 25 november 2015 aantekeningen van een aantal uitspraken van [verzoeker] heeft gemaakt in haar notitieboekje. Dit laatste is door [verzoeker] niet althans onvoldoende betwist. De verklaring van [betrokkene 1] wordt (wat betreft het laatste gedeelte van het gesprek op 25 november 2015) ondersteund door de verklaring van [betrokkene 4] . Maar ook als alleen wordt uitgegaan van de gedragingen waarvan [verzoeker] erkent dat hij deze heeft verricht, is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Als door [verzoeker] erkend staat immers vast dat hij - na onaangekondigd op het kantoor van [betrokkene 1] te zijn verschenen - op luide toon tot [betrokkene 1] heeft gesproken, dat hij om haar aandacht af te dwingen (naar [verzoeker] ter zitting heeft verklaard) zijn hand op haar telefoon en notitieblok heeft gelegd, dat hij heeft gedreigd het te zullen onthouden als achteraf zou blijken dat [betrokkene 1] loog en dat hij dit mee zal nemen als hun carrièrepaden elkaar weer kruisen en dat hij heeft gezegd dat hij de kop van zijn leidinggevende [betrokkene 3] er wel af zou kunnen slaan. [verzoeker] stelt weliswaar dat dit laatste ‘een veel gebruikte bewoording is voor het boos zijn op iemand’, maar de kantonrechter deelt die visie niet, zeker niet als het gaat om een collega/leidinggevende. Het is weliswaar begrijpelijk dat [verzoeker] van slag was door de mededeling over het reorganisatieontslag die [betrokkene 3] hem (naar ter zitting voldoende aannemelijk is geworden) op 24 november 2015 had gedaan, maar dit vormt geen rechtvaardiging voor de wijze waarop [verzoeker] zich op 25 november 2015 heeft gedragen.

5.5.

De dringende reden is in het gesprek tussen [betrokkene 2] en [verzoeker] op 26 november 2016 en ook nog eens in de ontslagbrief van diezelfde datum onverwijld aan [verzoeker] medegedeeld. In het gesprek op 26 november 2015 heeft [betrokkene 2] aangegeven dat het bedreigende en intimiderende gedrag van [verzoeker] jegens [betrokkene 1] op 25 november 2015 aanleiding is hem op staande voet te ontslaan. Het ontslag is bevestigd bij brief van 26 november 2015. In deze brief (aangehaald onder 2.4 van deze beschikking) is de dringende reden voldoende duidelijk aangegeven. Hierbij heeft te gelden dat, naar de Hoge Raad bij arrest van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:290) heeft beslist, aan de letterlijke tekst van een ontslagbrief niet steeds doorslaggevende betekenis toekomt en dat het er om gaat of voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot de opzegging heeft geleid. Een in een ontslagbrief vermelde opzeggingsgrond dient mede te worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het geval. Het had [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter aanstonds duidelijk moeten zijn welke op 25 november 2015 verrichte gedragingen aanleiding waren voor het ontslag op staande voet. Daarbij is niet van belang of [verzoeker] nu de telefoon uit handen van [betrokkene 1] heeft geslagen, getrokken, proberen te trekken of dat hij – naar hij erkend heeft – zijn hand op de telefoon gelegd heeft. Evenmin is van belang in welke bewoordingen hij precies aan [betrokkene 1] heeft aangegeven het te zullen onthouden als zij niet de waarheid sprak voor het geval hun paden weer zouden kruisen. Overigens staat vast dat hij heeft gezegd de kop van [betrokkene 3] er wel af te kunnen slaan. Het had [verzoeker] duidelijk moeten zijn dat hij intimiderend en bedreigend jegens [betrokkene 1] overkwam. Dat [verzoeker] tijdens het gesprek met [betrokkene 1] heeft gezegd dat hij haar niet bedreigde, doet daar onvoldoende aan af.

5.6.

[verzoeker] heeft nog gesteld dat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. De kantonrechter deelt die opvatting niet. Blijkens de overgelegde transcriptie van het gesprek op 26 november 2015 (waarvan de - overigens volgens Sanoma niet volledige - inhoud als hier ingelast geldt) heeft [betrokkene 2] weliswaar aan het begin van het gesprek op 26 november 2015 nog niet de concrete gedragingen die [verzoeker] worden verweten benoemd, maar zij heeft wel gezegd dat de dag tevoren in een gesprek met [betrokkene 1] bedreiging dan wel intimidatie heeft plaatsgevonden en dat zij dienaangaande graag de versie van [verzoeker] wil horen (zie bladzijde 1 van de transcriptie). [verzoeker] is toen in de gelegenheid gesteld zijn verhaal te doen. Daarop heeft [betrokkene 2] weliswaar al vrij snel aangeven dat [verzoeker] op staande voet ontslagen zal worden (zie kort na 7:06 minuten), maar enige tijd later, kort voordat [betrokkene 1] bij het gesprek werd geroepen, heeft [betrokkene 2] naar aanleiding van het verhaal van [verzoeker] aangegeven dat zij vooralsnog geen reden ziet het ontslagbesluit terug te trekken (zie na 23:06 minuten). Dit impliceert dat het ontslag alsnog zou kunnen worden ingetrokken als de verklaring van [verzoeker] daartoe aanleiding zou geven. Vervolgens heeft [betrokkene 1] in het gesprek haar versie van het gebeurde toegelicht waarbij de gedragingen van [verzoeker] concreet zijn benoemd. [verzoeker] is, naar hij ook erkend heeft, in de gelegenheid gesteld zijn visie daarop te geven. Daarna heeft [betrokkene 2] aangeven ‘dat het besluit ontslag op staande voet is’ (zie kort voor 36:21 minuten), met andere woorden: het ontslag op staande voet is gehandhaafd. [verzoeker] heeft gelet op het vorenstaande naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gelegenheid gekregen zijn kant van het verhaal toe te lichten, terwijl niet kan worden gezegd dat het ontslagbesluit bij voorbaat al vast stond. Ook [betrokkene 6] van Sanoma heeft ter zitting bevestigd dat [betrokkene 2] [verzoeker] de ruimte wilde geven zijn verhaal te vertellen om te bezien of dit voldoende overtuigend zou zijn om terug te komen op het ontslag op staande voet. Er is dus voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor.

5.7.

Gelet op het vorenstaande is het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig. Ook de gestelde eerdere goede reputatie van [verzoeker] doet aan de rechtsgeldigheid van dat ontslag niet af. Hierom zullen het primaire verzoek tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst en het subsidiaire verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding, alsmede de aan die verzoeken verbonden nevenverzoeken, worden afgewezen. Er is immers geen sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er ook geen grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW. Evenmin is gelet op de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet sprake van een onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 9 BW.

5.8.

De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat hij ongelijk krijgt.

in de zaak van het tegenverzoek

5.9.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen (voorwaardelijk) moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW jo. 7:669 lid 3 sub e BW.

5.10.

Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd. Nu de arbeidsovereenkomst dus niet voortduurt, is de voorwaarde waaronder de werkgever het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan, niet vervuld. Het verzoek hoeft daarom niet te worden beoordeeld en er hoeft ook niet op te worden beslist.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

wijst de verzoeken af;

6.2.

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Sanoma tot en met vandaag vaststelt op € 500,00 voor salaris gemachtigde;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. M.T. Hoogland, kantonrechter en op 21 maart 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter