Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1898

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
C/15/227633/FA RK 15-3434
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek gezamenlijk gezag toegewezen. Er is weliswaar niet naar de letter, maar wel naar de geest voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:253t, lid 2 onder a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/227633 / FA RK 15-3434

beschikking van 9 maart 2016 betreffende (gezamenlijk) gezag

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Schagen,

hierna te noemen: de vrouw,

en

[de man] , zo genaamd blijkens het uittreksel uit de geboorteakte van na te noemen minderjarige, blijkens het uittreksel uit de basisregistratie personen van de gemeente Zaanstad aldaar ingeschreven als [de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Zaanstad,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.E. Mewe-Boerwinkel, kantoorhoudende te Bergen Nh.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw en de vader, ingekomen op 10 juni 2015;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw en de vader van 30 juni 2015;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw en de vader 4 augustus 2015;

- de brief van Parlan van 15 januari 2016;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de vrouw en de vader van 26 januari 2016.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 februari 2016 in aanwezigheid van de vrouw en de vader bijgestaan door mr. M.E. Mewe-Boerwinkel. Voorts zijn verschenen mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem (verder: de Raad) en mevrouw [naam] , pleegzorgbegeleider van Parlan. De hierna te noemen moeder en De Jeugd- en Gezinsbeschermers te Alkmaar (verder: JGB) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

De vrouw en de vader hebben een affectieve relatie gehad. Die relatie is in 2013 verbroken.

2.2

Uit een eerdere relatie van de vader en [naam vrouw] (verder: de moeder) is geboren de minderjarige [naam kind] :

- [voornaam] , geboren op [geboortedatum] te Conakry, Guinee, zo genaamd blijkens het uittreksel uit de geboorteakte, blijkens het uittreksel uit de basisregistratie personen van de gemeente Schagen aldaar ingeschreven als [minderjarige] (verder: [voornaam] ).

2.3

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 31 juli 2013 is de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing in een netwerkgezin van [voornaam] uitgesproken tot 31 juli 2014, welke ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn verlengd met ingang van 31 juli 2014 tot 31 juli 2015. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn nadien niet verlengd.

3 Verzoek

3.1

De vrouw en de vader hebben verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en na wijziging van het verzoek bij brief van 4 augustus 2015, te bepalen dat:

- primair: zij met ingang van de datum van de beschikking gezamenlijk belast zullen zijn met het gezag over [voornaam] , dan wel een voorziening te treffen als de rechtbank vermeent te behoren;

- subsidiair: het gezag van de moeder op grond van het bepaalde in artikel 1:266 BW wordt beëindigd en zij met het gezamenlijk gezag over [voornaam] worden belast;

- meer subsidiair: het gezag van de moeder op grond van het bepaalde in artikel 1:267 BW wordt beëindigd en zij met het gezamenlijk gezag over [voornaam] worden belast;

- indien de rechtbank meent dat er onvoldoende onderbouwing is voor toewijzing van voormelde verzoeken: de Raad een onderzoek zal instellen teneinde te bepalen op welke wijze invulling van het gezag over [voornaam] het meest in haar belang is en of er gronden zijn voor beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder.

3.2

De vrouw en de vader voeren daartoe het volgende aan. Tijdens de relatie van de vrouw en de vader heeft de vrouw kennis gemaakt met [voornaam] . Zij werd door de familie van de man opgevoed in Guinee. Zij is verstoten door de moeder. De vrouw is de enige stabiele persoon in het leven van [voornaam] en zij is ook de enige persoon (behoudens de hulpverlening) die zich verantwoordelijk voelt voor de ontwikkeling en verzorging van [voornaam] . De vader voelt deze verantwoordelijkheid wel, maar is hiertoe feitelijk niet in staat. [voornaam] heeft zich gehecht aan de vrouw alsof het haar eigen moeder is. De vader heeft ingestemd met het verblijf van [voornaam] bij de vrouw. De vader heeft hulp geaccepteerd om geschillen, die vaak het gevolg zijn van de verschillende culturen, in goede banen te leiden (met name met betrekking tot besnijdenis). Thans berust het gezag alleen bij de vader. De vrouw staat in een nauwe persoonlijke betrekking tot [voornaam] . De ondertoezichtstelling was noodzakelijk omdat de relatie tussen de vrouw en de vader was verbroken en er tijdelijk onduidelijkheid was ontstaan hoe het verder moest met [voornaam] . De gezinsvoogd zag geen reden meer voor verlenging van de ondertoezichtstelling omdat [voornaam] al geruime tijd bij de vrouw verblijft, haar begeleiding goed is voor [voornaam] , er sprake is van een stabiele leefomgeving waarin [voornaam] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt en waarin zij de hulp ontvangt die ze nodig heeft om te herstellen van de schade die zij in haar jeugd heeft opgelopen. Door het wegvallen van JGB heeft de vader alleen het gezag. Omdat hij feitelijk geen invulling geeft aan het gezag, brengt het belang van [voornaam] mee dat de vrouw mede met het gezag wordt belast. De vader vind het belangrijk dat de vrouw mede zeggenschap krijgt en dat als hem iets overkomt, de vrouw in elk geval het gezag over [voornaam] heeft.

Standpunt Raad

3.3

De Raad heeft ter zitting aangegeven dat het primaire verzoek van de vrouw en de vader kan worden toegewezen, omdat bij hen sprake is van een toenemende mate van samenwerking, hetgeen in het belang van [voornaam] kan worden geacht en toewijzing van dat verzoek aansluit bij de feitelijk bestaande situatie.

4 Beoordeling

4.1

Door de omstandigheid dat de vader, de moeder en [voornaam] de Guinese nationaliteit hebben, terwijl de vrouw de Nederlandse nationaliteit bezit, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.

4.2

Deze vraag kan op grond van het bepaalde in artikel 8 van de Verordening Brussel II bis in bevestigende zin worden beantwoord, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat [voornaam] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

4.3

Vervolgens komt aan de orde welk rechtsstelsel op het verzoek van toepassing is.

4.4

Het verzoek wordt beheerst door het Nederlandse rechtsstelsel op grond van het bepaalde in artikel 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.

4.5

Het primaire verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 1:253t BW. Ingevolge deze bepaling kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel wordt het verzoek, in het geval het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, slechts toegewezen, indien:

a. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende tenminste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad, en

b. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende tenminste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.

Ingevolge het derde lid van voormeld artikel wordt het verzoek afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van de andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

4.6

De eerste inhoudelijke vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is de vraag of de vader kan worden aangemerkt als juridisch ouder van [voornaam] .

4.7

Uit het overgelegde “Extrait d’acte de naissance” en de Nederlandse vertaling van de geboorteakte van [voornaam] is op te maken dat de vader daarin wordt vermeld als vader van [voornaam] . Op grond van het recht van Guinee kan een man een kind erkennen, onder meer door het afleggen van een verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ook bepaalt het recht van Guinee dat het kind dat door een man is erkend, diens geslachtsnaam krijgt. Gelet op het feit dat de vader in de geboorteakte van [voornaam] wordt vermeld als vader van [voornaam] en gelet op het feit dat uit de geboorteakte van [voornaam] blijkt dat zij de geslachtsnaam van de vader heeft gekregen, gaat de rechtbank ervan uit dat de vader [voornaam] rechtsgeldig heeft erkend en dat de vader daarmee kan worden aangemerkt als juridisch ouder van [voornaam] . Er is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden op grond waarvan die erkenning in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde.

4.8

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de moeder niet (langer) met het gezag over [voornaam] is belast.

4.9

Uit het stuk “Delegation de l’Autorité Parentale” van het Gerechtshof van Conakry, rechtbank van Eerste Aanleg van Kaloum (Republiek Guinee), alsmede de Nederlandse vertaling van dat stuk, blijkt dat de sectorvoorzitter van de rechtbank van Eerste Aanleg van Kaloum kennis heeft genomen van het feit dat de moeder het gezag over [voornaam] overdraagt aan de vader. Op grond van gemeld stuk gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder het gezag over [voornaam] rechtsgeldig heeft overgedragen aan de vader en dat zij derhalve niet (langer) met het gezag over [voornaam] is belast. De rechtbank houdt het er derhalve voor dat de vader thans is belast met het (eenhoofdig) gezag over [voornaam] . Daarbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat uit de stukken blijkt dat de moeder toestemming heeft gegeven voor het vertrek van [voornaam] uit Guinee naar Nederland voor verblijf bij de vrouw. Tenslotte heeft de rechtbank hierbij meegewogen dat mr. Mewe-Boerwinkel ter zitting heeft verklaard dat de moeder is hertrouwd, als gevolg waarvan haar oude gezin, daaronder begrepen [voornaam] , wordt verstoten.

4.10

De rechtbank stelt vast dat door de vrouw en de vader strikt genomen niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:253t, tweede lid, onder a. BW, nu zij niet gedurende tenminste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor [voornaam] hebben gehad. Daarnaast constateert de rechtbank dat de vrouw en de vader in een verder verleden wel tenminste een jaar met elkaar hebben samengewoond en daarbij samen de zorg voor [voornaam] hebben gehad. [voornaam] verblijft sinds 1 januari 2013 bij de vrouw en wordt dus inmiddels ruim 3 jaar door de vrouw verzorgd en opgevoed. Op grond hiervan is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe persoonlijke betrekking (family life) tussen de vrouw en [voornaam] , zoals bedoeld in artikel 8 EVRM.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden gesteld dat de vader, hoewel hij thans niet (langer) samenwoont met de vrouw, op grond van de feitelijke, reeds gedurende langere tijd bestaande, situatie nog wel steeds een substantiële rol speelt in het leven van en de zorg voor [voornaam] . Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. De vader komt minimaal drie maal per maand bij de vrouw op bezoek en blijft daar dan ook slapen. Partijen regelen dat in onderling overleg. In samenspraak met Parlan heeft de vader minimaal één maal per twee weken persoonlijk contact met [voornaam] , waarbij frequenter contact altijd tot de mogelijkheden behoort. De vader is niet uitsluitend te gast als hij bij de vrouw is, maar hij ondersteunt de vrouw dan daadwerkelijk in de zorg voor [voornaam] , onder meer door [voornaam] naar bed te brengen en vaak met haar te spelen. Ook heeft de vrouw samen met de vader een school voor [voornaam] uitgezocht, in die zin dat de vrouw daartoe een voorstel heeft gedaan en dit met de vader heeft besproken.

4.11

De rechtbank is van oordeel dat weliswaar niet naar de letter, maar wel naar de geest is voldaan aan de voorwaarde zoals vermeld in artikel 1:253t, tweede lid, onder a. BW. Verder staat vast dat is voldaan aan de voorwaarde zoals vermeld in artikel 1:253t, tweede lid, onder b. BW. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het hierboven onder 3.1 primair verzochte dient te worden toegewezen op na te melden wijze. Daarbij is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van [voornaam] zouden worden verwaarloosd als bedoeld in artikel 1:253t, derde lid BW.

De rechtbank heeft bij dit oordeel betrokken het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), inhoudende dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de belangen van de moeder. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, IVRK kunnen de belangen van de moeder naar het oordeel van de rechtbank niet prevaleren boven het belang van [voornaam] . Tenslotte heeft de rechtbank hierbij nog het standpunt van de Raad in aanmerking genomen.

4.12

Op grond van de omstandigheid dat het hierboven onder 3.1 primair verzochte zal worden toegewezen, kunnen de onder 3.1 overig gedane verzoeken zonder verdere bespreking blijven.

5 Beslissing

De rechtbank:

5.1

bepaalt dat de vrouw, [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , gemeente Schagen, [adres] , en de vader, [de man] , wonende te [woonplaats] , gemeente Zaanstad, [adres] , gezamenlijk belast worden met het gezag over de minderjarige [naam kind] :

- [voornaam] , geboren op [geboortedatum] te Conakry (Guinee);

5.2

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Roubos, voorzitter, mr. A.S. Friedberg en mr. W.P. van der Haak, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2016.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.