Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1889

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5549
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Pw. Voorlopige voorziening en afdoening bodemzaak. Door van de hennepkwekerij geen melding te maken heeft verzoeker de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Omdat verzoeker zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, heeft verweerder op goede gronden het recht op bijstand van verzoeker mogen opschorten en nadere inlichtingen van verzoeker mogen vragen. De gevraagde stukken zijn niet aan verweerder verstrekt. In zoverre staat vast dat eiser in verzuim is geweest zoals bedoeld in artikel 54 van de Pw. Verzoeker stelt dat het overleggen van de informatie niet in redelijkheid van hem kan worden gevergd nu er ook een strafzaak tegen hem loopt. Verweerder handelt met het vragen van de informatie volgens verzoeker in strijd met artikel 6 EVRM; al hetgeen verzoeker aan informatie aan verweerder zou verstrekken, kan in zijn strafzaak tegen hem worden gebruikt. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt echter dat de omstandigheid dat verzoeker door het verstrekken van inlichtingen zichzelf in (strafrechtelijke) problemen zou kunnen brengen, niet weg neemt dat op hem de verplichting rust om aan verweerder alle inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om het recht op een inkomensvoorziening te kunnen vaststellen. Verweerder was dan ook bevoegd het recht van verzoeker op bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht op te schorten en vervolgens per de datum van de opschorting in te trekken nu verzoeker de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt en niet kan worden geoordeeld dat dit verzuim hem niet te verwijten valt.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/5549

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 februari 2016 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr.drs. J.E. Groenenberg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigde: E. Willems).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht van eiser op een bijstandsuitkering per 11 augustus 2015 opgeschort.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit I bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen bij uitspraak van 24 september 2015.

Bij besluit van 7 oktober 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder het recht van verzoeker op een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) per 11 augustus 2015 ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit II bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter opnieuw verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 21 januari 2016 (het bestreden besluit) de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Op 11 augustus 2015 heeft de politie Noord-Holland op het adres van verzoeker een hennepkwekerij aangetroffen en ontmanteld. Verzoeker is daarbij als verdachte aangehouden. De politie heeft van het voorgaande een bestuurlijke melding gedaan bij verweerder. In de melding is ook opgenomen dat de hennepkwekerij vermoedelijk vanaf 1 september 2013 heeft gefunctioneerd. Verweerder is hierop een rechtmatigheidsonderzoek gestart.

2.2.

Bij het primaire besluit I van 2 september 2015 heeft verweerder het recht van eiser op een bijstandsuitkering per 11 augustus 2015 opgeschort. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de aangetroffen hennepplantage. Van deze hennepplantage heeft verzoeker geen melding gemaakt bij verweerder. Verzoeker heeft daarmee de inlichtingenplicht geschonden. Verzoeker is tot 9 september 2015 in de gelegenheid gesteld om alsnog informatie te verstrekken. Verweerder heeft onder andere verzocht om een volledige administratie van de inkomsten en uitgave van de exploitatie van de hennepplantage en om bankafschriften van eiser. Verweerder heeft bij het besluit ook aangekondigd dat indien de informatie niet (volledig) wordt verstrekt, de uitkering zal worden ingetrokken.

2.3.

Na uitstel is verzoeker op 16 september 2015 verhoord door een sociaal rechercheur van verweerder. Uit het proces-verbaal van het verhoor volgt dat verzoeker daarbij geen (financiële) stukken heeft overgelegd en op veel vragen geen antwoord heeft gegeven. Op 16 september 2015 heeft de sociale recherche een rapport uitgebracht van het rechtmatigheidsonderzoek. In het rapport is opgenomen dat verzoeker na het verhoor nog de gelegenheid is geboden voor het verstrekken van inlichtingen. Volgens de rapporteur heeft verzoeker daarvan afgezien. De rapporteur stelt dat uit zijn onderzoek blijkt dat verzoeker niet heeft voldaan aan het verzoek van verweerder om alsnog de informatie te verstrekken die nodig is op het recht op bijstand van verzoeker vast te stellen. De rapporteur concludeert dat door het niet verstrekken van de gevraagde informatie, het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld. In het rapport wordt verder aangekondigd dat de sociale recherche een strafrechtelijk onderzoek zal verrichten naar de voorliggende periode om de benadelingsperiode en het benadelingsbedrag vast te stellen.

2.4.

Verweerder heeft vervolgens bij het primaire besluit II de bijstandsuitkering van verzoeker per 11 augustus 2015 ingetrokken, nu verzoeker de gevraagde informatie niet heeft verstrekt en verweerder het recht op bijstand niet kan vaststellen.

2.5.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens de bezwaren van verzoeker tegen het primaire besluit I en tegen het primaire besluit II afgewezen.

3. Bij beoordeling van deze zaak is de volgende wetgeving van belang.

3.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

3.2.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Pw heeft het bijstandverlenend orgaan de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent. De verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellante niet binnen de hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

3.3.

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de Pw kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort, intrekken.

4.1.

De voorzieningenrechter stelt in de eerste plaats voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het feit dat in de woning van verzoeker een hennepkwekerij is aangetroffen de veronderstelling rechtvaardigt dat verzoeker daarvan de exploitant is geweest en dat de opbrengst daarvan aan hem ten goede is gekomen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3272). Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB moet ook van het opzetten en in bedrijf houden van een hennepkwekerij melding worden gemaakt in het kader van een bijstandsuitkering (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:320). Anders dan verzoeker heeft gesteld is het dus niet aan verweerder om te bewijzen dat verzoeker ook daadwerkelijk inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten.

4.2.

Door van de hennepkwekerij geen melding te maken heeft verzoeker de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Nu verzoeker zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, heeft verweerder op goede gronden het recht op bijstand van verzoeker mogen opschorten en nadere inlichtingen van verzoeker in de vorm van een administratie en bankafschriftenkunnen mogen vragen. Te meer nu volgens de melding van de politie de hennepkwekerij mogelijk al sinds 2013 actief is.

5.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen vervolgens niet in geschil is dat verzoeker niet binnen de daarvoor gestelde termijn de door verweerder gevraagde administratie van de hennepkwekerij heeft verstrekt. Verzoeker stelt dat de gevraagde bankafschriften wel door hem aan verweerder zijn verstrekt. Verweerder betwist dit.

5.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de bankafschriften aan verweerder zijn verstrekt. Ook in onderhavige zaak zijn geen bankafschriften overgelegd. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om, zoals door verzoeker is verzocht, verweerder alsnog in de gelegenheid te stellen de bankafschriften van verzoeker te beoordelen. Nu evenmin de overige gevraagde stukken aan verweerder zijn verstrekt, staat in zoverre staat vast dat eiser in verzuim is geweest zoals bedoeld in artikel 54, eerste en vierde lid, van de Pw.

6.1.

Verzoeker stelt echter - zakelijk weergegeven - dat van hem niet in redelijkheid kan worden verwacht dat hij de gevraagde informatie overlegt. Tegen verzoeker loopt een strafrechtelijk onderzoek. Al hetgeen hij aan informatie aan verweerder zou verstrekken, kan in zijn strafzaak tegen hem worden gebruikt. Verweerder vraagt in strijd met artikel 6 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat verzoeker bewijsmiddelen tegen zichzelf overlegt. Indien verzoeker dit niet overlegt, wordt hij gestraft door de beëindiging van zijn uitkering. De wijze waarop verzoeker aldus wordt gedwongen mogelijk belastende stukken over te leggen is dan ook in strijd met artikel 6 van het EVRM.

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is nu in deze zaak geen sprake is van een (strafrechtelijke) vervolging of van een punitieve sanctie.

6.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de CRvB volgt dat de omstandigheid dat verzoeker door het verstrekken van inlichtingen zichzelf in (strafrechtelijke) problemen zou kunnen brengen, niet weg neemt dat op hem de verplichting rust om aan verweerder alle inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om het recht op een inkomensvoorziening te kunnen vaststellen. Voorts gaat het bij de beëindiging van de bijstand niet om een strafrechtelijke procedure of om een als “criminal charge” aan te merken maatregel (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 18 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3520 en van 29 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9795).

7. Gelet op het hiervoor overwogene was verweerder bevoegd het recht van verzoeker op bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht op te schorten en vervolgens per de datum van de opschorting in te trekken nu verzoeker de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt en niet kan worden geoordeeld dat dit verzuim hem niet te verwijten valt.

8. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J. van Wees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.