Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1866

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
15/700506-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verduistering AOW-uitkering

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 321
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2016/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700506-15 (P)

Uitspraakdatum: 8 maart 2016

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 februari 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres 1]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.C.M. Wildemors en van wat verdachte en haar raadsman, mr. C.R. Hettema, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2009 tot en met

30 juni 2015 in de gemeente Hoorn, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) (AOW-uitkeringen/verstrekkingen ten name van [oma] ) (van in totaal euro 28.462,75), in elk geval enig(e) goed(eren)/geldbedrag(en), geheel of ten dele

toebehorende aan de "Sociale Verzekeringsbank" ("SVB"), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren)/geldbedrag(en) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als beheer van/gemachtigde tot/gerechtigde op bankrekening nummer [bankrekeningnummer] en/of als bezitter/houder, (telkens) onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2. Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

2.1.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat uit artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) blijkt dat de verjaringstermijn voor verduistering zes jaar bedraagt. Teruggerekend vanaf de datum van de dagvaarding van 3 december 2015 dient de officier van justitie voor zover het feit is ten laste gelegd vóór 3 december 2009 niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van verdachte.

2.2.

De officier van justitie heeft het standpunt van de raadsman onderschreven.

2.3.

De rechtbank is - gelijk het standpunt van de raadsman en de officier van justitie - van oordeel dat de officier van justitie gedeeltelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de vervolging van verdachte.

Voor een vervolging voor verduistering ex artikel 321 Sr bedraagt de verjaringstermijn op grond van artikel 70 lid 1 onder 2 Sr, zes jaren. De dagvaarding is uitgebracht op 3 december 2015. Van een eerdere stuitingsdatum ex artikel 72 Sr is niet gebleken. Vorenstaande brengt mee dat de officier van justitie partieel niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte voor zover het ten laste gelegde tijdsbestek de periode vóór 3 december 2009 omvat.

3 Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie - behoudens de ten laste gelegde periode 1 oktober 2009 tot en met 2 december 2009 - ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding

Vanaf 1 september 1975 heeft de Sociale Verzekeringsbank aan [oma] , geboren op
1 juli 1908, een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW-uitkering) toegekend. [oma] is nadien naar Suriname verhuisd en aldaar overleden op 10 april 1981. Van haar overlijden is tot 1 april 2014 geen melding gedaan bij de Sociale Verzekeringsbank.

De Sociale Verzekeringsbank heeft de AOW-uitkering van [oma] , nadat er geen reactie was gekomen op een eerdere brief terzake opschorting van het recht op AOW, bij beschikking van 4 maart 2013 beëindigd met ingang van 1 november 2012.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich in de periode 3 december 2009 tot en met 30 juni 2015 schuldig heeft gemaakt aan verduistering, zoals ten laste is gelegd.

5 .Overwegingen ten aanzien van het bewijs

5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde verduistering omdat het vereiste opzet niet is aangetoond en er geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening van gelden. De gelden zijn grotendeels aangewend voor de betalingen voor de woning van de moeder van verdachte die op haar wens, en na het overlijden van de moeder op wens van de partner van de moeder, is aangehouden en voorts mocht verdachte van haar moeder gelden houden.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Vanaf 1 september 1975 heeft de Sociale Verzekeringsbank aan de oma van verdachte,
[oma] , geboren op 1 juli 1908, een AOW-uitkering toegekend.2 [oma] is nadien naar Suriname verhuisd en aldaar overleden op 10 april 1981.3 Van haar overlijden is op 1 april 2014 melding gedaan bij de Sociale Verzekeringsbank.4

De Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) heeft de AOW-uitkering van [oma] , nadat er geen reactie was gekomen op een eerdere brief terzake opschorting van het recht op AOW, bij beschikking van 4 maart 2013, geadresseerd aan [oma] , [adres 2] (het adres waar zij nog stond ingeschreven), beëindigd met ingang van 1 november 2012.5

De moeder van verdachte, [moeder] , is in 1996 naar Suriname vertrokken, heeft in 2001 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en is daar op 1 december 2010 overleden. 6

[moeder] maakte sedert jaren gebruik van een girorekening met nummer [girorekening]7, op welke rekening door de SVB maandelijks een bedrag aan AOW-uitkering ten behoeve van [oma] is uitgekeerd, hetgeen als zodanig op de bankafschriften is vermeld.

Aan deze rekening is nadien het IBAN-nummer [IBAN] toegekend.8

Verdachte beschikte over de pinpas van dat rekeningnummer en deed hiermee geldopnamen en verrichtte betalingen vanaf de rekening.9 Verdachte heeft verklaard dat zij de enige was die de pas had en dat zij vanaf 1996 ook de enige was die de pas heeft gebruikt.10 Verdachte heeft verklaard dat zij regelmatig naar het adres [adres 2] ging om de post op te halen. De SVB heeft in de periode 1996 tot 2001 post gericht aan [oma] naar dit adres gezonden.

Blijkens een machtiging girorekening van 16 februari 2009 van de Postbank is verdachte gemachtigd voor de girorekening met nummer [girorekening] . De betreffende betaalrekening was blijkens het bankafschrift van 10 april 2012 in ieder geval vanaf die datum op naam en adres van verdachte gesteld, op initiatief van verdachte.11

Verdachte heeft tegenover de Sociale Recherche van de Sociale Verzekeringsbank verklaard dat zij vanaf 1996 wel heeft geweten dat het geld dat op de rekening ontvangen werd ten onrechte verkregen geld betrof.12 Verdachte verklaart dat zij zowel bij leven van haar moeder als na het overlijden van haar moeder geld van de betaalrekening met nummer [girorekening] heeft gehaald.13 Verdachte verklaart gelden te hebben opgenomen en aan de kant te hebben gezet en opgespaard.14 Verdachte verklaart geld op haar eigen rekening te hebben gezet omdat zij het niet op één rekening durfde te laten staan omdat zij bang was om gepakt te worden door de SVB.15 Verdachte verklaart dat zij wist dat er geld op de rekening kwam dat niet aan haar toebehoorde of waar in ieder geval geen recht op bestond.16

5.3.2.

Bewijsoverwegingen

Opzet

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het strafdossier is de rechtbank van oordeel dat zich zowel voorafgaand aan de ten laste gelegde periode als tijdens deze periode zeer vele momenten hebben voorgedaan dat verdachte heeft kunnen opmerken dat de SVB ten onrechte een AOW-uitkering ten behoeve van [oma] uitkeerde. Zo werd er post voor [oma] bezorgd van de SVB op het adres Saffierstraat 1C te Amsterdam, terwijl verdachte vanaf 1996 voor de post aldaar zorgdroeg. Dat zij al die jaren niet zou hebben opgemerkt dat deze post voor [oma] was bestemd, acht de rechtbank ongeloofwaardig, te meer daar in de periode tot 2001 verdachtes moeder nog niet de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, zodat post afkomstig van de SVB ook in dat licht niet verklaarbaar was. Daarnaast beschikte verdachte jarenlang over de bankafschriften waar duidelijk de naam [oma] was vermeld bij het door de SVB uitgekeerde bedrag aan AOW. Onder deze omstandigheden en gelet op de hoogte van de AOW-uitkering – maandelijks meer dan € 600,- - wist verdachte dat de bedragen ten onrechte uitgekeerd werden.

Wederrechtelijke toe-eigening

De rechtbank overweegt dat in de tenlastelegging het begrip “zich wederrechtelijk toe-eigenen” is gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 321 Wetboek van Strafrecht toekomt. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (HR 24 oktober 1989, LJN ZC8253, NJ 1990, 256).

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich geldbedragen die op de rekening stonden wederrechtelijk heeft toegeëigend. Verdachte wist immers dat er ten onrechte geldbedragen op deze rekening werden gestort door de Sociale Verzekeringsbank en heeft desondanks toch als heer en meester over de geldbedragen beschikt.

De vraag of zij de geldbedragen enkel ten bate van zichzelf heeft uitgegeven of dat zij er voornamelijk lasten ten behoeve van de woning aan de [adres 2] van heeft voldaan, van welke woning zij stelt geen profijt te hebben gehad of dat van de rekening opgenomen geldbedragen door verdachte thuis in een potje zijn bewaard, is voor de vaststelling van het bestanddeel wederrechtelijk toe-eigenen niet relevant.

Pleegperiode

De strafrechtelijke vervolging van verdachte ziet blijkens de tenlastelegging - met inachtneming van de partiële niet-ontvankelijkheid wat betreft de periode vóór 3 december 2009 - op de periode 3 december 2009 tot en met 30 juni 2015.

Hoewel niet valt uit te sluiten dat verdachte nadat zij melding heeft gedaan bij de Sociale Verzekeringsbank nog over de - tot aan november 2012 - onterecht uitgekeerde geldbedragen heeft beschikt, zal de rechtbank ten voordele van verdachte als einddatum van de pleegperiode 1 april 2014 hanteren. Op deze datum heeft verdachte immers - zij het kennelijk onder druk van familieleden - openheid van zaken gegeven.

5.3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit

heeft begaan, met dien verstande dat

zij op meer tijdstippen in de periode van 3 december 2009 tot 1 april 2014 in de gemeente Hoorn, althans in Nederland, telkens opzettelijk geldbedragen (AOW-uitkeringen/ verstrekkingen ten name van [oma] ) van in totaal ruim 26.000 euro, in elk geval geldbedragen, toebehorende aan de "Sociale Verzekeringsbank" ("SVB"), welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gemachtigde tot de bankrekening nummer [bankrekeningnummer] en als bezitter/houder onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Verduistering, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

8 Motivering van de sancties

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte pleit ervoor dat de rechtbank indien zij niet tot vrijspraak van verdachte komt een gematigde (voorwaardelijke) straf zal opleggen. Hiertoe heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat verdachte de gedraging uit eigener beweging heeft gemeld, medewerking heeft verleend aan het onderzoek en het nadeel ruimschoots ongedaan heeft gemaakt door een bedrag van € 14.000,- over te maken aan de Sociale Verzekeringsbank. Daarnaast heeft verdachte geen antecedenten. De raadsman heeft voorts meegedeeld dat verdachte fysiek in staat is tot het verrichten van een taakstraf, maar wel al een gevorderde leeftijd van bijna 59 jaar heeft.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte dient worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft over een lange periode geld van de Sociale Verzekeringsbank verduisterd. Verdachte heeft door haar handelen, op grove wijze misbruik gemaakt van het stelsel van sociale zekerheid zoals dat in Nederland geldt. Gelden die werden uitbetaald in de veronderstelling daarmee in het levensonderhoud van een persoon met de pensioengerechtigde leeftijd te voorzien, zijn door verdachte stilzwijgend aangewend voor andere doeleinden. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

In het voordeel van verdachte weegt mee dat zij een blanco strafblad heeft en dat zij feitelijke bereidheid tot terugbetaling aan de Sociale Verzekeringsbank heeft getoond. Anderzijds zal de rechtbank ten nadele van verdachte rekening houden met de lange periode waarin verdachte maandelijks honderden euro’s aan overheidsgeld heeft verduisterd. Verdachte is ook niet uit eigen beweging gestopt met de door haar gepleegde fraude. Gelet op het vorenstaande en op de ernst van het feit acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf, zoals geëist door de officier van justitie, op zijn plaats, ondanks dat zij tot bewezenverklaring van een kortere periode komt.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover die ziet op de periode vóór 3 december 2009.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5.3.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 5.3.3. bewezen verklaarde feit het hierboven onder 6. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 180 (eenhonderdentachtig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.D.M. Hazeu, voorzitter,

mr. A.F. van Hoorn en mr. T. van Muijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier O. Bergmans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 maart 2016.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Beslissing van 19 januari 1976 van de Raad van Arbeid te Amsterdam. Bijlage 11.

3 Proces-verbaal ‘aanleiding onderzoek’ van verbalisanten [verbalisanten] , documentpagina 5.

4 Proces-verbaal ‘aanleiding onderzoek’ van verbalisanten [verbalisanten] , documentpagina 5.

5 Beslissing van 4 maart 2013 van de Sociale Verzekeringsbank, Bijlage 13.

6 Bijlage 8, eerste blad.

7 Zie bankafschriften als bijlage 1 gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal van 25 november 2015 en het proces-verbaal van (2e) verhoor van 30 juni 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, bijlage nr. 4, documentpagina 6.

8 Zie bankafschriften als bijlage 1 gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal van 25 november 2015.

9 Proces-verbaal van (2e) verhoor van 30 juni 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, bijlage nr. 4, documentpagina’s 5, 7 en 10.

10 Proces-verbaal van (3e) verhoor van 6 augustus 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, bijlage nr. 5, documentpagina 4.

11 Bijlage 1 van aanvullend proces-verbaal van 25 november 2015 en proces-verbaal van (3e) verhoor van 6 augustus 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, bijlage nr. 5, documentpagina 2.

12 Proces-verbaal van (2e) verhoor van 30 juni 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, bijlage nr. 4, documentpagina 8.

13 Proces-verbaal van (2e) verhoor van 30 juni 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, bijlage nr. 4, documentpagina’s 5 en 8 en proces-verbaal van (3e) verhoor van 6 augustus 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, bijlage nr. 5, documentpagina’s 3 en 11.

14 Proces-verbaal van (3e) verhoor van 6 augustus 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, bijlage nr. 5, documentpagina 11.

15 Proces-verbaal van (3e) verhoor van 6 augustus 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, bijlage nr. 5, documentpagina 3.

16 Proces-verbaal van (3e) verhoor van 6 augustus 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, bijlage nr. 5, documentpagina’s 3 en 11.