Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1837

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
C/15/238620 KG ZA 16-59
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Stopzetten belevering uienzaden door leverancier valt te kwalificeren als een opzegging van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Strijd met verticale prijsbinding/kartelverbod ex artikel 6 Mededingingswet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/696
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

Zittingsplaats Alkmaar

LK/AS

zaaknummer / rolnummer: C/15/238620 / KG ZA 16-59

Vonnis in kort geding van 24 februari 2016

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE ZUIDELIJKE AAN- EN VERKOOPVERENIGING U.A.,

gevestigd te Wemeldinge,

eiseres,

advocaat mr. P.J.H.M. van Osch te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J. van Rhijn te Alkmaar.

Partijen zullen hierna CZAV en DGS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 februari 2016 met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 15 februari 2016, alwaar verschenen zijn: de heer [naam medewerker CZAV 1] (hierna: [naam medewerker CZAV 1] ) namens CZAV, bijgestaan door

mr. Van Osch voornoemd, en de heer [naam medewerker DGS 1] (hierna: [naam medewerker DGS 1] ) namens DGS,

bijgestaan door mr. Van Rhijn voornoemd en diens kantoorgenoot mr. F. Hoppe;

  • -

    de pleitnota van CZAV;

  • -

    de pleitnotities van DGS.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De uitgangspunten

2.1.

CZAV is een agrarische coörperatie met activiteiten in heel Nederland die zich onder meer toelegt op de inname, opslag en het vermarkten van granen, zaden en peulvruchten. Onderdeel van haar activiteiten is het inkopen van uienzaden en het leveren daarvan aan haar afnemers. Daarnaast biedt CZAV haar afnemers professioneel advies op maat.

2.2.

DGS is een besloten vennootschap die zich bezighoudt met de veredeling, productie en verkoop van Allium zaden en tevens handelt in uien en in consumptie sjalotten. DGS werkt bij de veredeling en verkoop samen met Bejo.

2.3.

CZAV koopt al jaren achter elkaar tenminste een derde deel van haar uienzaden in bij DGS.

2.4.

Op 21 september 2015 heeft er een gesprek tussen partijen plaatsgevonden waarbij de heer [naam medewerker CZAV 2] en [naam medewerker CZAV 1] namens CZAV aanwezig waren en de heer [naam medewerker DGS 2] en [naam medewerker DGS 1] namens DGS. In het door CZAV opgestelde verslag van het gesprek schrijft zij - voor zover hier van belang - het navolgende:

Aanleiding tot dit gesprek is het standpunt van de G en S om invloed uit te oefenen op de te faktureren prijzen voor uienzaden aan telers van CZAV, van de rassen die door de G en S aan CZAV geleverd worden.

CZAV is van mening dat zij een eigen prijsbeleid moet hanteren met door CZAV zelf vast te stellen marge’s op de inkoopprijs.

De G en S is van mening dat CZAV een door de G en S te bepalen verkoopprijs op de teler moet hanteren.

Uit de discussie die hieruit volgt blijkt dat beide partijen hun standpunten niet willen wijzigen

Dit resulteert in de mededeling van de G en S dat zij dan geen uienzaad meer aan CZAV zullen leveren. Door CZAV wordt de G en S op de mogelijke gevolgen gewezen als in de markt bekend wordt dat de G en S voor CZAV (te hoge) marge’s oplegd. Ook wordt door CZAV aan de G en S gevraagd of dit zomaar kan? Zij zijn van mening dat dit kan.”.

CZAV heeft het gespreksverslag op 19 oktober 2015 aan de heer [naam medewerker DGS 1] van DGS gestuurd.

2.5.

Per e-mail van 20 oktober 2015 heeft [naam medewerker DGS 1] het gespreksverslag van CZAV geretourneerd omdat het verslag de strekking van het gesprek niet zou weergeven. DGS distantieert zich van de inhoud van het verslag en deelt mee een bevestiging van het gesprek op 21 september 2015 te zullen sturen zodra het haar past.

2.6.

[naam medewerker DGS 1] heeft vervolgens bij brief van 29 oktober 2015 gereageerd en schrijft - voor zover hier van belang - het volgende:

In dit geval hebben wij om ons moverende redenen besloten om uw bestellingen niet te aanvaarden. Dat heeft overigens met uw eventuele prijsstelling naar partijen die weer bij u zouden willen inkopen niets te maken. Dat moet u immers zelf beoordelen. Op de mogelijkheid van het niet accepteren van uw toekomstige bestellingen hebben wij de afgelopen jaren herhaaldelijk gewezen (…).

U hebt inmiddels voldoende tijd gehad om naar (alternatieve) leveranciers om te zien. Voor zoveel u van oordeel mocht zijn dat er een duurzame relatie tussen uw onderneming en die van ons bestaat -wij bestrijden dat overigens- zegden wij deze op per datum van ons gesprek, te weten: 21 september 2015, althans doen wij dat voor zover nodig nogmaals tegen 1 november aanstaande.”.

2.7.

Op verzoek van CZAV heeft op 21 december 2015 nog een gesprek tussen partijen plaatsgevonden waarbij [naam medewerker CZAV 1] en de heer [naam medewerker CZAV 3] namens CZAV aanwezig waren en de heer [naam medewerker CZAV 2] en [naam medewerker DGS 1] namens DGS. DGS hield in dit gesprek vast aan haar besluit om in het voorjaar van 2016 geen uienzaden meer aan CZAV te leveren.

2.8.

CZAV heeft DGS op 13 januari 2016 gesommeerd om uiterlijk op 19 januari 2016 schriftelijk te bevestigen dat de levering van uienzaden met onmiddellijke ingang wordt hervat, maar daarop is door DGS niet gereageerd.

3 Het geschil

3.1.

CZAV verzoekt de voorzieningenrechter samengevat - DGS te gebieden om

A. binnen 1 dag na betekening van dit vonnis de tussen partijen bestaande overeenkomst na te komen, althans de belevering van alle uienzaden op basis van orders van CZAV te hervatten tegen voorwaarden die van toepassing waren voor stopzetting van de levering;

B. binnen 1 dag na betekening van dit vonnis de opzeggingsbrief en alle daarmee beoogde rechtsgevolgen te herroepen door middel van een schriftelijke verklaring aan CZAV;

C. de belevering van alle uienzaden op basis van orders van CZAV voor een periode van 12 maanden, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, hervat te houden tegen voorwaarden die van toepassing waren voor stopzetting van de levering;

en voorts DGS te verbieden om:

D. na betekening van dit vonnis een of meerdere afnemers van CZAV op enige wijze te benaderen, direct dan wel indirect, met het doel of gevolg hen uienzaad te leveren;

E. na betekening van dit vonnis een of meerdere afnemers van DGS te verbieden dan wel te bewegen geen door DGS geleverde uienzaden aan CZAV te leveren;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en onder veroordeling van DGS in de kosten van de procedure, en te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

CZAV stelt dat er tussen partijen sprake is van een onbenoemde duurovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat de opzegging van deze overeenkomst door DGS geen effect heeft gehad, dan wel onrechtmatig is, aangezien:

a. DGS geen zwaarwegende grond heeft voor de opzegging;

b. DGS geen redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen, noch een

aanbod tot schadevergoeding heeft gedaan;

c. DGS door de opzegging in strijd handelt met het verbod op verticale

prijsbinding en daarmee het kartelverbod;

d. DGS door de opzegging in strijd handelt met het verbod van misbruikvan machtspositie.

3.3.

CZAV voert ter onderbouwing aan dat zij al meer dan dertig jaar op meerdere tijdstippen in het seizoen uienzaden bij DGS en haar rechtsvoorgangers inkoopt. Ondanks de jarenlange discussie tussen partijen over het door CZAV gevoerde prijsbeleid zou de oorzaak van de opzegging volgens DGS thans gelegen zijn in het feit dat CZAV de rassen van DGS onvoldoende in de markt ondersteunde. DGS heeft echter op geen enkel moment vóór de opzegging enige klacht over dit gebrek aan inspanning aan CZAV kenbaar gemaakt, waardoor CZAV ook geen kans heeft gehad om in redelijkheid aan verzoeken van DGS te voldoen.

Gebleken is dat DGS al vóór de opzegging afnemers van CZAV actief heeft benaderd met de boodschap dat CZAV niet langer de zaden van DGS geleverd zou krijgen en dat direct van DGS afgenomen kon worden. DGS maakt het hierdoor onmogelijk voor CZAV om haar bedrijfsvoering aan de nieuwe situatie aan te passen. Gezien de zeer korte opzegtermijn van twee dagen is CZAV ook overigens niet in staat haar bedrijfsvoering op een dudanige manier aan te passen dat de opzegging zonder ingrijpende - financiële - gevolgen blijft. Zo heeft CZAV haar afnemers met ingang van 1 november 2015 niet kunnen meer informeren over de rassen van DGS en maakt zij bij aanbestedingen van afnemers weinig kans, nu in veel van die aanbestedingen wordt gevraagd om pakketinschrijvingen en rassen van DGS vrijwel altijd onderdeel uitmaken van het voorgeschreven pakket.

Daar komt bij dat de combinatie van specifieke eigenschappen van de DGS rassen door bestaande intellectuele eigendomsrechten wordt beschermd, zodat andere rassen slechts deels tot alternatief kunnen dienen.

De opzegging heeft volgens CZAV een onmiddellijk omzetverlies van naar schatting € 300.000,- per jaar tot gevolg en een margeverlies van € 25.000,- tot € 40.000,- per jaar. Daarnaast is CZAV genoodzaakt om extra reparatiewerkzaamheden te verrichten in de relatie met haar afnemers, waarvan zij de kosten schat op € 15.000,-. Ook de bedrijfsvoering van CZAV op de lange termijn wordt door de plotselinge opzegging door DGS geraakt, nu CZAV niet in staat is het volledige pakket uienrassen te leveren en haar leden door het uitblijven van informatie hierover evenmin kan adviseren. Dit tast de positie en de goede reputatie van CZAV in ernstige mate aan.

3.4.

CZAV acht de opzegging ook in strijd met art. 6 van de Mededingingswet, nu deze afkomstig is van een partij die 70% van de Nederlandse markt van uienzaden in handen heeft en de strekking heeft de mededinging op die markt te beperken, althans als effect heeft dat die mededinging wordt beperkt. Er is sprake van een opzegging op grond van een onoirbare reden, en die is onrechtmatig.

Tenslotte heeft DGS zich schuldig gemaakt aan het benaderen en aftroggelen van klanten van CZAV en heeft zij haar afnemers verboden om uienzaden door te leveren aan CZAV. Ook dit handelen is volgens in strijd met het kartelverbod.

3.5.

DGS betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Er bestaat geen distributieovereenkomst of duurrelatie tussen partijen, zodat het DGS op grond van het beginsel van de contractsvrijheid vrijstond geen zaken met CZAV te doen. Voor zover er toch enige duurrelatie mocht worden aangenomen, dan is deze relatie conform de hoofdregel zonder verdere consequenties opzegbaar.

Niet gebleken is van feiten en omstandigheden die op grond van de beginselen van de redelijkheid en billijkheid daarop een uitzondering vormen, aldus DGS. In het bijzonder is niet aannemelijk gemaakt dat de opzegging strijd is met het mededingingsrecht. Niet aangetoond is dat DGS een machtspositie op de relevante markt inneemt, laat staan dat zij de relatie op mededingingsrechtelijk niet acceptabele gronden heeft opgezegd. Ook hetgeen overigens aan handelingen in strijd met het kartelverbod is gesteld is niet niet aannemelijk gemaakt.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De vorderingen sub A-C

De aard van de relatie

4.1.

De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat er vanaf medio de jaren ’90 een contractuele relatie tussen partijen heeft bestaan die zich kenmerkte door het feit dat er jaarlijks seizoensgebonden leveringen plaatsvonden zonder jaarlijkse heronderhandelingen. Die relatie is te kwalificeren als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Partijen hebben geen nadere afspraken gemaakt over de wijze waarop de overeenkomst kan worden beëindigd. Dit betekent dat de overeenkomst in beginsel door elk van partijen kan worden opgezegd, met dien verstande dat dat de tussen partijen besproken regels van mededingingsrecht dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een toelaatbare en voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (zie HR 14 juni 2013 (Auping/Beverslaap, ECLI:N:HR:2013:BZ4163).

Onrechtmatige opzegging?

4.2.

De meest verstrekkende grondslag van de vordering is de stelling dat de opzegging heeft plaatsgevonden op een mededingingsrechtelijk niet toelaatbare grond. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit tegenover betwisting door DGS vooralsnog onvoldoende vast staat om de slotsom te kunnen dragen dat opzegging hoe dan ook niet toelaatbaar is. (Zie hierover verder 4.8-4.12)

Dat beëindiging van de overeenkomst drastische gevolgen zal hebben voor de omzet of de bedrijfsvoering van CZAV heeft zij onvoldoende toegelicht. De aard en inhoud van de overeenkomst vormen overigens evenmin aanleiding om te oordelen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid opzegging niet mogelijk zou zijn zonder zwaarwegende grond.

4.3.

De schriftelijke opzegging van de overeenkomst heeft plaatsgevonden bij brief van 29 oktober 2015, met als ingangsdatum 1 november 2015. DGS heeft op de tegenwerping ter zitting dat aldus in feite sprake is geweest van opzegging met onmiddellijke ingang gereageerd met het betoog dat al eerder mondeling is medegedeeld dat de relatie zou worden beëindigd. Zij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat die mededeling zo duidelijk heeft plaatsgevonden dat CZAV op voortzetting van de relatie niet meer hoefde te rekenen. De weergave die beide partijen van het overleg op 21 september 2015 hebben gegeven loopt Beckettiaans uiteen en hoewel DGS uit kennisneming van het besprekingsverslag van CZAV op 19 oktober heeft moeten begrijpen dat een mondeling gedane opzegging, indien daarvan sprake was, bij CZAV niet is “aangekomen”, heeft zij vervolgens opzettelijk gewacht met het scheppen van duidelijkheid. Ook van opzegging op andere momenten blijkt niet uit de verslagen en e-mails die zijn overgelegd. Weliswaar is eerder tussen partijen aan de orde geweest dat de relatie onder druk stond, maar tot daadwerkelijke opzegging heeft dit niet geleid.

DGS heeft derhalve een opzegtermijn van drie dagen in acht genomen. Opzegging met een dergelijke termijn zou naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts aanvaardbaar zijn indien daaraan zwaarwegende redenen ten grondslag liggen.

4.4.

Daarvan is geen sprake. De gestelde grond dat CZAV de rassen van DGS onvoldoende in de markt ondersteunt, is niet aannemelijk geworden.

Naast de e-mail van [naam medewerker DGS 1] van 12 februari 2010, waarin hij constateert dat de loyaliteit van CZAV richting de rassen van DGS minder wordt en trouwe DGS telers door CZAV worden omgezet richting andere rassen (productie 20 bij dagvaarding) heeft DGS van haar kant geen correspondentie of gespreksverslagen overgelegd waaruit blijkt dat zij in de afgelopen jaren bij CZAV heeft geklaagd over de verkoopinspanningen van CZAV en het feit dat zij de rassen van DGS als tweede garnituur zou behandelen en niet meer als premium kwaliteit aanmerkt.

4.5.

Nu van een zwaarwegende grond voor opzegging geen sprake is, moet worden geconcludeerd dat de opzegtermijn die DGS in acht genomen heeft, niet door de beugel kan.

In acht te nemen opzegtermijn?

4.6.

Het antwoord op de vraag welke opzegtermijn DGS dan wel in acht had moeten nemen, wordt mede beïnvloed door de mate waarin rekening moet worden gehouden met de kans dat de opzegging in strijd met het mededingingsrecht moet worden geacht.

CZAV voert aan dat de opzegging onrechtmatig is omdat deze in strijd is met het kartelverbod van artikel 6 Mededingingswet (Mw). In artikel 6 Mw is opgenomen dat verboden zijn overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt op vervalst.

4.7.

Naarmate de kans groter is dat sprake is van strijd met art. 6 Mw bestaat eerder aanleiding om te oordelen dat de overeenkomst moet doorlopen gedurende de tijd die nodig is om de mededingingsrechtelijke aspecten van de zaak behoorlijk te onderzoeken.

Bij het onderzoek daarvan zal achtereenvolgens worden ingegaan op:

 Is er sprake van mededingingsrechtelijk relevant handelen?

 Is er sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging?

 Is er sprake van een machtspositie op de relevante markt?

 Zou van misbruik van die machtspositie sprake kunnen zijn?

Mededingingsrechtelijk relevant handelen?

4.8.

De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de jarenlange ergernis van DGS dat CZAV zich niet wenst te conformeren aan de door DGS uitgebrachte adviesprijzen de grond heeft gevormd voor de opzegging. CZAV heeft niet ten onrechte aangevoerd dat het opmerkelijk moet worden geacht dat DGS het kennelijk nodig achtte in de opzeggingsbrief uitdrukkelijk op te merken dat de grond voor opzegging níet is gelegen in de prijzen die CZAV voor de door DGS geleverde zaden in rekening bracht. De combinatie van de onvoldoende betwiste historie van het debat over die kwestie voor DGS (een jarenlange steen des aanstoots), het gebrek aan onderbouwing van de voorgewende opzeggingsgrond en de Freudiaanse passage in deze brief is in kort geding voldoende om de door CZAV gestelde grond als opzeggingsgrond voorshands aannemelijk te achten.

Dat betekent dat sprake zou kunnen zijn van een grond voor opzegging die mededingingsrechtelijk ontoelaatbaar is, indien deze gedaan in de context of als uitvloeisel van een onderling afgestemde feitelijke gedraging door een onderneming die op de relevante markt een feitelijke machtspositie heeft of voorshands geacht moet worden te hebben.

Onderling afgestemde feitelijke gedraging?

4.9.

Voor zover er sprake is van verticale prijsbinding, althans het opzeggen van overeenkomsten met afnemers die de door DGS gecommuniceerde adviesprijzen niet volgen, en de andere afnemers in de markt de adviesprijzen (mede daarom) wel volgen, kan dit worden beschouwd als een afstemming van hun feitelijke gedraging op de wensen van de leverancier. Vooralsnog staat dit echter onvoldoende vast. Ook voor de beantwoording van de vraag of dit een merkbare invloed heeft op de mededingingsstructuur op de relevante markt is uitgebreider onderzoek nodig. Dit geldt eveneens voor de afbakening van de relevante markt. Over de overige aspecten wordt het volgende opgemerkt.

Relevante markt

4.10.

De beschikking van de Europese Commissie van 17 augustus 2004, zaak M.3465 (Syngenta/Advanta) biedt - met name gelet op nrs. 26 en 30 - vooralsnog weliswaar voldoende grond om uit te gaan van een separate Nederlandse markt voor de levering van (bol)uienzaden, doch gelet op de Europeaniseringstendens die sinds 2004 is opgemerkt, is het de vraag of hier anno 2016 ook nog van moet worden uitgegaan.

Economische machtspositie

4.11.

De afbakening van de relevante markt is tevens van belang voor de beantwoording van de vraag of DGS in strijd met artikel 24 Mw misbruik maakt van een economische machtspositie. Op grond van artikel 1 sub i Mededingingswet is een economische machtspositie: een positie van één of meer ondernemingen die hen in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen door hun de mogelijkheid te geven zich in belangrijke mate onafhankelijk van hun concurrenten, hun leveranciers, hun afnemers of de eindgebruikers te gedragen.

Bij de beoordeling of hiervan sprake moeten Bejo en DGS op grond van de door CZAV als prod. 1 bij dagvaarding overgelegde stukken als één partij worden beschouwd. Rabobank neemt in 2004 immers als uitgangspunt dat er sprake is van een speciaal samenwerkingsverband tussen Bejo en DGS en schat hun marktaandeel op de West-Europese uienzaadmarkt op 75%. [naam medewerker DGS 2] vermeldt in 2011 dat DGS 60 tot 70% van het Nederlandse en Belgische uienzaadareaal beslaat, waarbij Bejo niet wordt genoemd. Akkerwijzer.nl vermeldt dat DGS 70% van de Nederlandse markt in handen heeft, wederom zonder Bejo te noemen.

In de aangehaalde uitspraak Syngenta/Advanta wordt onder nr. 79 vermeldt dat Bejo in 2004 een marktaandeel van 70-80% had in de Nederlandse markt. Daarbij wordt DGS niet genoemd.

Deze gegevens zijn slechts consistent met elkaar indien wordt aangenomen dat het samenwerkingsverband van Bejo en DGS zichzelf ziet zoals zij klaarblijkelijk door de markt wordt gezien, namelijk als één en dezelfde speler. Verder volgt uit voormelde stukken dat Bejo/DGS in 2004 70-80% en in 2011 60-70% van de Nederlandse markt in handen had. Dat is voldoende om vooralsnog uit te gaan van de mogelijkheid dat uit nader onderzoek volgt van het bestaan van een economische machtspositie.

Misbruik?

4.12.

Van misbruik van die positie zou sprake kunnen zijn indien levering wordt geweigerd van door intellectuele eigendomsrechten beschermde rassen zonder objectieve rechtvaardiging. Van een objectieve rechtvaardiging is niet gebleken. Zoals hiervoor overwogen acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat de opzegging verband houdt met de ergernis van DGS over de wijze waarop CZAV omgaat met de uitgebrachte adviesprijzen. De omstandigheid dat het zaad van andere wederverkopers kan worden betrokken kan op zichzelf in ieder geval geen rechtvaardiging voor de opzegging vormen.

4.13.

Op voormelde gronden acht de voorzieningenrechter niet uitgesloten dat de mededingingsrechtelijke bezwaren in een bodemprocedure of een andere setting waarin die bezwaren grondiger kunnen worden onderzocht, zullen komen vast te staan, dan wel aannemelijk zullen worden geacht. De redelijkheid en billijkheid brengt mee dat opzegging in deze omstandigheden slechts toelaatbaar is indien daarbij een termijn in acht wordt genomen die voldoende lang is om CZAV in staat te stellen het onderzoek te verrichten dat nodig is om het onderzoek te doen dat nodig is om een mededingingsrechtelijke claim te onderbouwen.

4.14.

Nu het seizoen voor de handel in uienzaad, naar de voorzieningenrechter ter zitting heeft begrepen, loopt van oktober tot en met maart, is een voorziening die ertoe strekt DGS te dwingen om ervoor te zorgen dat CZAV voor het lopende seizoen beleverd wordt, mede in het licht van de voorgaande stellingen, aangewezen.

Hoewel er mogelijk ook invulling aan de overeenkomst werd gegeven in de periode van 1 april tot en met 1 oktober zal dit ondergeschikt zijn geweest aan de activiteiten in het seizoen. Desondanks ziet de voorzieningenrechter aanleiding om veiligheidshalve te bepalen dat de overeenkomst tot 1 oktober 2016 zal moeten worden voortgezet. De tijd die CZAV daarmee krijgt, geeft haar ook voldoende gelegenheid om het onderzoek te doen dat nodig is om maar mededingings-rechtelijke positie in kaart te brengen en zich zo nodig opnieuw, beter gedocumenteerd, tot de rechter te wenden.

De vorderingen sub D en E

4.15.

Dat DGS onrechtmatig heeft gehandeld door in het kader van de opzegging klanten van CZAV te benaderen met het doel dat zij in de toekomst direct bij DGS zouden gaan inkopen, zoals CZAV stelt, is niet aannemelijk geworden. Dat brengt mee dat de vorderingen sub D en E niet toewijsbaar zijn.

Proceskosten

4.16.

DGS zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten worden aan de zijde van CZAV begroot op € 619,- aan griffierecht op € 904,- aan advocaatkosten. De gevorderde dwangsom is toewijsbaar, als prikkel tot nakoming, zij het dat deze zal worden gematigd en dat daaraan een maximum zal worden verbonden. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de dwangsom te matigen tot € 10.000,- voor elke (gedeeltelijke) overtreding en aan de dwangsom een maximum te verbinden van € 350.000,-.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt DGS om binnen een week na betekening van dit vonnis de belevering van alle uienzaden op basis van orders van CZAV te hervatten tegen voorwaarden die van toepassing waren voor stopzetting van de levering en deze belevering tegen die voorwaarden tot 1 oktober 2016 hervat te houden;

5.2.

veroordeelt DGS tot betaling van een dwangsom aan CZAV van € 10.000,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat DGS in strijd handelt met het hiervoor genoemde gebod, zulks met een maximum aan de te verbeuren dwangsom van € 350.000,-;

5.3.

veroordeelt DGS in de proceskosten, aan de zijde van CZAV tot op heden begroot op € 619,- aan verschotten en op € 904,- aan kosten van de advocaat,

te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

weigert de meer of anders gevraagde voorzieningen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken door mr. H.E. van Erp-van Harten op 24 februari 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.