Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1828

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
C/15/236657 FT RK 15/2816
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

dwangakkoord

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2016/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLANDtoewijzing dwangakkoord

Afdeling Privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rekestnummer: C/15/236657 / FT RK 15/2816

Vonnis van 25 februari 2016

in de zaak van

[verzoeker], wonende te [adres]

[postcode] [plaats],

verzoekster

tegen

Hoist Portfolio Holding Ltd., gevestigd te St. Helier, Jersey, rechtsopvolgster van de besloten vennootschap Crediet Maatschappij “De IJssel”B.V., gevestigd te Amsterdam,

Gemachtigde: AGC Gerechtsdeurwaarders & Incasso, Postbus 640, 8000 AP Zwolle,

gerekwestreerde

DE PROCEDURE

Op 21 december 2015 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsanering en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw.)

Verzoekster is in persoon verschenen ter terechtzitting van 18 februari 2016, begeleid door mevrouw [naam 1] (Haltewerk) en mevrouw [naam 2] (civiel bewind).

Gerekwestreerde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter terechtzitting van 18 februari 2016. De rechtbank heeft op 15 februari 2016 van gerekwestreerde een verweerschrift ontvangen.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

DE FEITEN

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

Verzoekster heeft op of omstreeks 20 augustus 2015 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve gerekwestreerde aanvaard.

Gerekwestreerde heeft als redenen voor het onthouden van haar instemming onder andere genoemd dat het dwangakkoord niet kan gelden ten opzichte van gerekwestreerde en haar mogelijke rechtsopvolgers in het buitenland, en voorts dat de schulden van verzoekster niet te goeder trouw zouden zijn ontstaan.

DE BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT HET VASTSTELLEN VAN EEN DWANGAKKOORD

Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als gerekwestreerde in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij/zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

Voor de beoordeling van de vraag of gerekwestreerde in redelijkheid tot weigering heeft kunnen komen, zal de aangeboden schuldregeling worden vergeleken met de situatie dat op verzoekster de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt, zoals subsidiair gevorderd.

Aanvaarding van de aangeboden schuldregeling zal tot gevolg hebben dat gerekwestreerde een betaling van € 5.190,23 zijnde 71,72 % van haar vordering tegemoet kan zien. In geval van toepasselijkheid van de wettelijke schuldsaneringsregeling beschikt verzoekster over dezelfde afdrachtcapaciteit. In geval van wettelijke schuldsaneringsregeling zullen van het gespaarde bedrag het salaris van de bewindvoerder en de overige kosten aan reis- en portikosten betaald moeten worden, zodat alsdan een bedrag van ongeveer € 4.000,00 minder ter beschikking van de schuldeisers zal komen.

Het verweer van gerekwestreerde dat zij als buitenlandse vennootschap niet aan een dwangakkoord op de voet van art. 287a Fw kan worden gebonden, wordt verworpen. Op zichzelf is het juist dat een dergelijk dwangakkoord niet kan worden aangemerkt als een insolventieprocedure in de zin van art. 16 van de Europese Insolventieverordening. In het systeem van de Faillissementswet is het in tegendeel een voorziening die tot doel heeft de opening van een dergelijke procedure te voorkomen. Dat wil echter niet zeggen dat de Nederlandse rechter Hoist niet zou kunnen dwingen eveneens in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het gaat hier immers om een in Nederland woonachtige schuldenares terwijl de vordering waarvan Hoist de schuldeiser is, voortvloeit uit een met een Nederlandse vennootschap gesloten overeenkomst. Bij die stand van zaken komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe en zal Hoist een eventueel vast te stellen dwangakkoord in elk geval in Nederland tegen zich moeten laten gelden. De rechtbank voegt daar aan meer algemeen nog toe dat het ook niet zo kan zijn dat een schuldenares louter ten gevolge van een cessie van een vordering aan een buitenlandse partij – bij welke cessie zij verder geen partij is – geen beroep meer zou kunnen doen op art. 287a Fw (vlg. ook rechtbank Limburg 19 december 2014, ECLI:2015:575 en Rechtbank Den Haag 10 december 2015, ECLI:2015:15903).

Gerekwestreerde heeft voorts aangegeven dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. De onderhavige overeenkomst tot geldlening dateert uit 2007. Met deze lening heeft verzoekster drie oudere leningen afgelost. Daarna is verzoekster ziek geworden (psychisch) en heeft zij zich onder civiel bewind laten stellen. De civiele bewindvoerder heeft de zaken van verzoekster niet op de juiste manier behartigd en op 14 januari 2015 is deze bewindvoerder vervangen. Verzoekster heeft een arbeidscontract voor 31,15 uur per week en werkt daarnaast zoveel mogelijk extra uren en nieuwe schulden ontstaan niet sinds de huidige civiele bewindvoerder de belangen van verzoekster behartigt.

Van het ontbreken van goede trouw is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gebleken. Bovendien is de geldlening meer dan vijf jaar geleden aangegaan.

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling geen hogere uitkering aan de schuldeisers zal opleveren.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het belang van verzoekster en de overige schuldeisers zwaarder weegt dan het belang van gerekwestreerde en dat gerekwestreerde in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de door verzoekster voorgestelde schuldregeling kan komen. Het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal dan ook worden toegewezen met ingang van heden voor een periode van 36 maanden.

Aangezien het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen komt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet meer aan de orde.

Nu de rechtbank het verzoek ten aanzien van gerekwestreerde toewijst, veroordeelt de rechtbank gerekwestreerde in de kosten. Voor het onderhavige verzoek is geen griffierecht verschuldigd, terwijl verzoekster zich niet heeft doen bijstaan door een advocaat; de kosten worden daarom begroot op nihil.

DE BESLISSING

De rechtbank

- beveelt gerekwestreerde in te stemmen met de bedoelde schuldregeling;

- veroordeelt gerekwestreerde in de kosten van dit geding, tot op heden begroot op nihil.

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Schenkeveld en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2016.