Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1792

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
4657474 / OA VERZ 15-234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht Wwz. Aanvang opzegtermijn. Op grond van artikel XXII lid 1 Wwz is het recht van toepassing gebleven van vóór 1 juli 2015, zodat de procedure ten onrechte is ingeleid met een verzoekschrift. Met toepassing van artikel 69 Rv wordt de procedure voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. Een opzegtermijn gaat lopen vanaf het moment dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst de werknemer heeft bereikt. De stelling van de werkgever dat de opzegtermijn aanvangt op de eerste dag van een maand vindt geen steun in de wet of rechtspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/667
AR-Updates.nl 2016-0239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 4657474 \ OA VERZ 15-234

Uitspraakdatum: 2 maart 2016

Vonnis in de zaak van:

[naam] ,

wonend te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [de werknemer]

gemachtigde: mr. H.B.T. Koekkoek

tegen

de besloten vennootschap Agratechniek B.V.,

gevestigd te Anna Paulowna

gedaagde

verder te noemen: Agratechniek

gemachtigde: mr. B.J.P. Komen

1 Het procesverloop

1.1.

[de werknemer] heeft bij verzoekschrift, ontvangen op 30 november 2015, een vordering tegen Agratechniek ingesteld. Agratechniek heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 17 februari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[de werknemer] , geboren op [datum] , is op 16 juni 2004 bij Agratechniek in dienst getreden als timmerman. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO voor de Houtverwerkende Industrie (hierna: de CAO).

2.2.

Bij besluit van 8 juli 2015 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) aan Agratechniek toestemming gegeven om de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] op te zeggen.

2.3.

Met een brief van 15 juli 2016 heeft Agratechniek de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2015.

2.4.

Namens [de werknemer] is in een brief van 22 september 2015 het standpunt ingenomen dat Agratechniek een onjuiste opzegtermijn in acht heeft genomen en dat de arbeidsovereenkomst had moeten worden opgezegd tegen 1 november 2015.

3 De vordering

3.1.

[de werknemer] vordert dat de kantonrechter Agratechniek veroordeelt tot betaling van
€ 2.103,35 bruto. Hij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Agratechniek een onjuiste opzegtermijn in acht heeft genomen en dat de arbeidsovereenkomst had moeten worden opgezegd tegen 1 november 2015. Gelet daarop is Agratechniek volgens [de werknemer] op grond van artikel 7:672 lid 9 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.

3.2.

[de werknemer] heeft in dit kader ook gesteld dat de termijn van opzegging op grond van artikel 7 lid 6 van de CAO door Agratechniek had moeten worden verlengd met zijn vakantie van 20 juli 2015 tot en met 7 augustus 2015.

4 Het verweer

4.1.

Agratechniek betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat de juiste termijn van opzegging in acht is genomen, te weten een termijn van drie maanden, verminderd met één maand in verband met de procedure bij het UWV. Daarvan uitgaande is volgens Agratechniek de arbeidsovereenkomst bij brief van 15 juli 2015 terecht opgezegd tegen 1 oktober 2015.

4.2.

Agratechniek stelt verder dat het beroep van [de werknemer] op artikel 7 lid 6 van de CAO niet opgaat, omdat er geen sprake is van de situatie dat de gehele aaneengesloten vakantieperiode van [de werknemer] in de opzegtermijn valt. Verder voert Agratechniek aan dat de door [de werknemer] voorgestane uitleg van de CAO niet juist is en tot een onredelijk resultaat leidt.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of Agratechniek moet worden veroordeeld tot betaling aan [de werknemer] van een bedrag van € 2.103,35 bruto.

5.2.

De kantonrechter overweegt ambtshalve dat deze zaak ten onrechte is ingeleid met een verzoekschrift. Op grond van artikel XXII lid 1 van de Wet werk en zekerheid blijft afdeling 9 van Boek 7, titel 10 BW, zoals deze afdeling luidde voor 1 juli 2015, van toepassing op een opzegging gedaan na dat tijdstip op grond van een verzoek om toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan voor dat tijdstip en op de gedingen die daarop betrekking hebben. Vast staat dat de opzegging door Agratechniek is gedaan op grond van een daarvoor verleende toestemming door het UWV en dat het verzoek om die toestemming is gedaan vóór 1 juli 2015. Dat betekent dat het recht van toepassing is gebleven zoals dat gold vóór 1 juli 2015 en dat deze zaak dus niet ingeleid kan worden met een verzoekschrift, maar had moeten worden ingeleid met een dagvaarding.

5.3.

Met toepassing van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) wordt bepaald dat deze procedure zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. Het verzoekschrift van [de werknemer] zal worden aangemerkt als een dagvaarding en het verweerschrift van Agratechniek als een conclusie van antwoord. Nu beide partijen op de zitting zijn verschenen en zij de gelegenheid hebben gekregen om hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten, is het niet nodig om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen aan de procesregels van de dagvaardingsprocedure aan te passen.

5.4.

Partijen verschillen van mening of de opzegtermijn op grond van artikel 7 lid 6 van de CAO verlengd moet worden met de vakantie van [de werknemer] van 20 juli 2015 tot 7 augustus 2015. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.5.

Artikel 7 lid 6 van de CAO luidt als volgt: “Indien in de termijn van opzegging de aaneengesloten vakantie als bedoeld in artikel 25 lid 3 valt, wordt de termijn van opzegging met deze dagen verlengd.”

5.6.

In artikel 25 lid 3 van de CAO staat: “Van de in lid 3 genoemde vakantie-aanspraken worden 15 dagen aaneengesloten gegeven. Deze aaneengesloten periode van 15 vakantiedagen wordt voor het einde van het voorafgaande kalenderjaar door de werkgever, na overleg met werknemers c.q. ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging, vastgesteld en aan de werknemers meegedeeld (...).”

5.7.

Vast staat dat Agratechniek de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd bij brief van 15 juli 2015. Ook staat vast dat [de werknemer] in de periode van 20 juli 2015 tot en met 7 augustus 2015 een aaneengesloten vakantie heeft gehad van 15 dagen. Gelet daarop moet de opzegtermijn op grond van artikel 7 lid 6 van de CAO worden verlengd met deze vakantieperiode. Partijen zijn het erover eens dat de reguliere opzegtermijn in dit geval twee maanden bedraagt, zodat de opzegtermijn na verlenging conform artikel 7 lid 6 van de CAO twee maanden en 15 dagen is. Uitgaande van een opzegging bij brief van 15 juli 2015 moet de opzegtermijn geacht worden te zijn aangevangen op 16 juli 2015 en loopt deze in ieder geval tot en met 1 oktober 2015. Niet ter discussie staat dat opzegging op grond van artikel 7:672 lid 1 BW moet geschieden tegen het einde van de maand. Daaruit volgt dat opzegging had moeten plaatsvinden tegen 1 november 2015.

5.8.

De stelling van Agratechniek dat door de opzegging bij brief van 15 juli 2015 de opzegtermijn gaat lopen met ingang van 1 augustus 2015, kan niet worden gevolgd. Voor die stelling is in de wet of rechtspraak geen steun te vinden. Volgens de hoofdregel van artikel 3:17 lid 3 BW heeft een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring werking als die verklaring de betreffende persoon heeft bereikt. Op de zitting is gebleken dat de opzeggingsbrief van 15 juli 2015 per post is verzonden, zodat moet worden aangenomen dat die brief [de werknemer] op 16 juli 2015 heeft bereikt. De opzegging heeft dus haar werking verkregen op 16 juli 2015 en op die dag is ook de opzegtermijn gaan lopen. Verder overweegt de kantonrechter dat uit artikel 7:672 lid 2 BW volgt dat de wetgever voor de berekening van de geldende opzegtermijn tot uitgangspunt heeft genomen de duur van de arbeidsovereenkomst “op de dag van opzegging”. Ook hieruit moet worden afgeleid dat in het wettelijke systeem de dag van opzegging bepalend is voor de aanvang van de opzegtermijn, althans valt daaruit niet af te leiden dat de opzegtermijn zou aanvangen op de eerste dag van een maand.

5.9.

De kantonrechter kan in het midden laten de juistheid van de stelling van Agratechniek dat artikel 7 lid 6 van de CAO tot een onredelijke uitkomst kan leiden. Naar de kantonrechter begrijpt, stelt Agratechniek dat een latere opzegging per bijvoorbeeld 31 juli 2015 ertoe zou hebben geleid dat zij een kortere opzeggingstermijn in acht had kunnen nemen en dat dit niet de bedoeling van artikel 7 lid 6 van de CAO kan zijn. In dat kader wijst Agratechniek erop dat in geval van een opzegging per 31 juli 2015 de vakantieperiode van [de werknemer] van 20 juli 2015 tot en met 7 augustus 2015 niet in zijn geheel in de opzegtermijn valt, zodat in dat geval ook geen sprake zou zijn van verlenging van de opzegtermijn met 15 dagen. Echter, in dit geval staat vast dat de opzegtermijn is aangevangen op 16 juli 2015, zoals hiervoor is overwogen, en daarvan uitgaande staat ook vast dat de gehele aaneengesloten periode van vakantie van [de werknemer] in de opzegtermijn valt. Hetgeen door Agratechniek is gesteld over de mogelijk onredelijke uitkomst van de toepassing van artikel 7 lid 6 van de CAO kan er dus niet aan afdoen dat die toepassing er in dit geval toe leidt dat de opzegtermijn moet worden verlengd met de termijn van de aaneengesloten periode van 15 vakantiedagen.

5.10.

Op grond van artikel 7:677 lid 2 BW, zoals deze bepaling luidde tot 1 juli 2015, is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, schadeplichtig. Volgens artikel 7:680 lid 1 BW, zoals deze bepaling luidde tot 1 juli 2015, is in dat geval de schadevergoeding gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon voor de tijd, dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Niet in geschil is dat [de werknemer] over de periode van 1 oktober 2015 tot 1 november 2015 aanspraak had op een bedrag van € 2.103,35 bruto aan loon. Agratechniek zal dus worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag. Over dit bedrag is gelet op artikel 7:680 lid 7 BW de wettelijke rente verschuldigd, te rekenen van de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.11.

De proceskosten komen voor rekening van Agratechniek, omdat zij ongelijk krijgt. De gevorderde nakosten worden afgewezen, omdat Agratechniek kan worden gevolgd in haar stelling dat er geen reden is om aan te nemen dat zij dit vonnis niet zal nakomen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Agratechniek tot betaling aan [de werknemer] van € 2.103,35 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt Agratechniek tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [de werknemer] tot en met vandaag vaststelt op:

griffierecht € 221,00

salaris gemachtigde € 300,00 ;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 2 maart 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter