Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1764

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
4318994
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Schadevaring lex specialis van onrechtmatige daad. Keuze juridische grondslag onrechtmatige daad toegestaan maar leidt niet tot terzijdestelling toepasselijke bepalingen schadevaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 4318994/CV EXPL 15-6063 (WS)

Uitspraakdatum: 17 februari 2016

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Liander N.V.,

gevestigd te Arnhem

eiseres

verder te noemen: Liander

gemachtigde: mr. F.J. van Velzen, advocaat te Haarlem

tegen

de besloten vennootschap Schilder B.V.,

gevestigd te Ursem

gedaagde

verder te noemen: Schilder

gemachtigde: mr. P.F.W.A. van Dam, advocaat te Rotterdam

1 Het procesverloop

1.1.

Liander heeft bij dagvaarding van 25 juni 2015 een vordering tegen Schilder ingesteld. Schilder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 15 januari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft Liander bij akte van 11 januari 2016 nog stukken voorzien van een toelichting toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Op 10 en 11 september 2014 heeft Schilder werkzaamheden verricht in de trekvaart der Zes Steden in Broek op Waterland. Op deze dagen heeft Schilder een beschoeiing langs de trekvaart geplaatst waarbij gebruik is gemaakt van een op een ponton geplaatste kraan.

2.2.

Ten behoeve van de werkzaamheden in de trekvaart zijn door Schilder in februari 2014 en begin september 2014 zogenaamde Klic-meldingen gedaan en is beheerdersinformatie over de ligging van netten van (onder meer) Liander ontvangen. Uit de beheerdersinformatie bleek dat in de vaart een waterkruising ligt van een laagspanningskabel (verder: de kabel) van Liander.

2.3.

Op 14 september 2014 is door Liander medewerker [x] het formulier “schade door derde aan Alliander bedrijfsmiddelen” opgesteld. In het document verklaart [X] dat de kabel is beschadigd en dat de beschadiging een onderbreking van levering tot gevolg heeft gehad. Als schadeveroorzaker is door [X] Schilder vermeld. Verder schrijft [X]: “Bij het plaatsen van schoeing waarschijnlijk met schutpalen van de ponton kabel beschadigd. Kabel heeft waarschijnlijk niet veel dekking gehad in de vaart. Leiding was op voorhand aangespoten en schoeing is hier door aangepast volgens de toezicht houder Provincie“ (sic).

2.4.

De kabel van Liander was aan beide zijden van de vaart op de walkant gemarkeerd met een geel kabelbord met daarop de hoofdletter K.

2.5.

Op 20 februari 2015 heeft Liander Schilder een factuur gezonden waarbij de kosten van herstel van de schade tot een bedrag van € 8.825,05 bij Schilder in rekening worden gebracht. Schilder heeft deze factuur niet voldaan.

3 De vordering

3.1.

Liander vordert dat de kantonrechter Schilder veroordeelt tot betaling van € 9.689,22. Zij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Schilder daags voor 14 september 2014 onrechtmatig jegens Liander heeft gehandeld omdat Schilder bij het uitbaggeren van de vaart de laagspanningskabel van Liander heeft beschadigd. De ontstane schade is aan Schilder te verwijten omdat zij voorafgaande aan haar werkzaamheden onvoldoende maatregelen heeft getroffen. Naast de schade van € 8.825,05 wordt een bedrag van € 700,00 aan vergoeding voor kosten van vaststelling van schade, aansprakelijkheid en verhaal gevorderd. Ten slotte wordt een bedrag van € 164,17 aan wettelijke rente gevorderd.

4 Het verweer

4.1.

Schilder betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat zij daags voor 14 september 2014 in het geheel geen werkzaamheden in de vaart heeft verricht. Voorts voert Schilder aan dat de baggerwerkzaamheden eerst op 24/25 september 2014 hebben plaatsgevonden zodat de schade aan de kabel geen gevolg kan zijn van het baggeren van de vaart. Wel heeft Schilder op 10 en 11 september 2014 een houten beschoeiing (inclusief overkluizing van de kabel) langs de vaart ter plaatste van de kabel aangebracht. Schilder heeft evenwel alle door de WION (Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten) en de Richtlijn zorgvuldig graafproces (december 2011: CROW-publicatie 308: Kabels leidingen rond wateren en waterkeringen: verder het CROW-rapport ) voorgeschreven maatregelen getroffen om schade te voorkomen. Er heeft op 12 februari 2014 kabeloverleg plaatsgevonden en er zijn op 5 februari en 8 september 2014 Klic- meldingen gedaan. Ook heeft Schilder de kabel met de spuitlans exact gelokaliseerd. De schade is mogelijk veroorzaakt doordat een ander schip met de kiel de kabel heeft geraakt. Schilder betwist de hoogte van de schade en voert voorts aan, zo er al sprake is van verzuim, dat verzuim eerst op 6 maart 2015 is ingetreden.

5 De beoordeling

5.1.

Vast is komen te staan dat Schilder niet op 13 september 2014 maar op 10 en 11 september 2014 werkzaamheden ter hoogte van de kabel heeft verricht. Door Liander is gesteld dat de schade aan de kabel ook enkele dagen voor de storing kan zijn veroorzaakt nu de kabel een GPLK kabel betreft. Bij een dergelijke kabel is het mogelijk dat de storing door inwatering eerst dagen of zelfs weken nadien optreedt. Deze stelling is door Schilder aanvankelijk betwist door te stellen dat het een kabel met een PVC buitenmantel betrof waarbij het fenomeen inwatering niet voorkomt. Op de comparitie is door Schilder echter erkend dat het hier om een loodkabel gaat en dat dergelijke kabels na beschadiging kunnen inwateren. Dat Schilder daags voor 14 september 2014 niet aan het werk was, betekent dus niet dat Schilder niet onrechtmatig jegens Liander kan hebben gehandeld.

5.2.

Verder is vast komen te staan dat de schade niet door baggerwerkzaamheden door Schilder kan zijn veroorzaakt omdat Schilder eerst na het ontstaan van de schade eind september 2014 is gaan baggeren. De schade kan volgens partijen ook niet veroorzaakt zijn door het slaan/intrillen van de houten beschoeiing. Schilder heeft, ook volgens Liander, de kabel aan de oeverkant aangespoten en volgens de in acht te nemen zorgplicht aldaar een overkapping geplaatst.

5.3.

Liander stelt uiteindelijk in de nadere akte van 11 januari 2016 dat de schadeplaats elektrisch is uitgemeten in het midden van de vaart en dat de kabel is beschadigd doordat een van de zogenaamde spudpalen van het ponton, waarmee het ponton tijdens het werken op de waterbodem wordt gestabiliseerd, de kabel heeft geraakt. Dit wordt door Schilder betwist. Volgens Schilder zijn de spudpalen niet binnen een afstand van 2 meter aan weerszijden van de in het water gelegen kabel neergelaten. Doordat aan beide zijden van de vaart kabelborden staan, kon tamelijk nauwkeurig de ligging van de kabel worden vastgesteld.

5.4.

De door Liander gestelde botsing van de spudpalen van het ponton met de kabel kan worden gekwalificeerd als een aanvaring (“schadevaring”) in de zin van Afdeling 1 van Titel 11 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Namens Liander is bepleit dat haar een keuzevrijheid toekomt betreffende de juridische grondslag van haar vordering en dat zij kiest voor onrechtmatige daad in plaats van schadevaring. Dat moge zo zijn, een dergelijke keuze kan er niet toe leiden dat de kantonrechter de toepasselijke bepalingen van schadevaring uit Boek 8 van het BW terzijde mag stellen. Deze bepalingen behelzen een lex specialis van de algemene onrechtmatige daad en moeten worden toegepast voor zover deze afwijken van de algemene regeling van de onrechtmatige daad in Boek 6 van het BW. Van een verplichting tot schadevergoeding kan dan ook op grond van artikel 8:1004 van het BW slechts sprake zijn indien de schade is veroorzaakt door schuld van Schilder. Voor toerekening op basis van verkeersopvattingen is geen plaats.

5.5.

Er vooralsnog vanuit gaande dat de schade is veroorzaakt doordat Schilder de spudpalen van het ponton op de kabel heeft gezet, dient vastgesteld te worden dat Schilder ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Volgens Liander bestaat het verwijt eruit dat Schilder niet de gehele ligging van de kabel in de vaart heeft gelokaliseerd maar slechts de ligging van de kabel aan de kanten van de vaart. Schilder had volgens Liander de gehele kabel door de vaart moeten aanspuiten voordat zij de spudpalen van het ponton zou laten zakken. Een in een waterweg gelegen kabel kan in de loop van de tijd omhoog komen en daardoor ook zijwaarts bewegen. Schilder betwist dat de zorgvuldigheidseisen zover gaan dat van haar verwacht kan worden dat zij in deze situatie de gehele kabel aanspuit.

5.6.

De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt. Artikel 2, tweede lid, van de WION bepaalt dat de grondroerder de graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze verricht. In het derde lid staat vermeld wat de grondroerder ten minste moet doen ter uitvoering van het tweede lid. Aan het vereiste van het derde lid, onder a, is voldaan nu tweemaal een graafmelding is gedaan door Schilder. De vraag is of Schilder heeft voldaan aan het gestelde in het derde lid onder b: het verrichten van onderzoek naar de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie. In de MvT behorend bij de WION is onder 3.3 het volgende bepaald:

“Toekomstige situatie

Dit wetsvoorstel omschrijft duidelijk wie welke verantwoordelijkheden heeft. De kabel- en leidingbeheerder moet informatie aanleveren die aan de eisen uit dit wetsvoorstel en de daarop gebaseerde regelgeving voldoet. Omdat wordt vastgelegd wat grondroerders in de gegeven omstandigheden van de verkregen gebiedsinformatie mogen verwachten, wordt ook duidelijker wanneer de informatie niet aan deze eisen voldoet. Dit betekent bijvoorbeeld dat de informatie die op de kaart wordt aangegeven binnen een bepaalde marge moet corresponderen met de feitelijke situatie in de grond. Liggen de kabels of leidingen buiten die marge dan is de beheerder aansprakelijk voor eventuele schade aan de kabels of leidingen. Dit geeft een grote stimulans aan beheerders om de liggingsgegevens op de juiste wijze aan te bieden en ook op orde te krijgen. Deze marge wordt, zoals eerder is aangegeven, opgenomen in lagere regelgeving. Dit ontslaat de grondroerder niet van de plicht om altijd zorgvuldig te graven. Artikel 5, tweede lid, van het Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten (hierna: het besluit) luidt: “de liggingsgegevens die deel uitmaken van de beheerdersinformatie, hebben betrekking op de horizontale ligging en zijn gebaseerd op de meest nauwkeurige metingen die voor de beheerder beschikbaar zijn, met dien verstande dat de metingen ten minste een nauwkeurigheid van een meter hebben.”

5.7.

De kantonrechter leidt uit de MvT in combinatie met artikel 5, tweede lid, van het Besluit af dat een grondroerder als Schilder rekening moet houden met een marge van 1 meter aan beide zijden van de theoretische ligging van een kabel. Binnen die marge dient hij, als hij werkzaamheden wil verrichten, de kabel exact te lokaliseren, bijvoorbeeld met een spuitlans. Zolang hij zich buiten deze marge beweegt, kan hij volstaan met de tekening en hoeft hij de precieze ligging niet te lokaliseren. De wetgever heeft blijkens de MvT beoogd de netbeheerder aansprakelijk te houden voor schade die ontstaat als blijkt dat de kabels buiten de marge liggen.

5.8.

Door Schilder is gesteld dat zij de werklieden op de pontons een strikte instructie heeft gegeven om de spudpalen niet binnen een afstand van twee meter aan weerzijden van de in de watergangen gelegen kabels en leidingen neer te laten en voorts dat deze instructie ook strikt door de werklieden is opgevolgd. Deze stelling van Schilder is niet door Liander betwist. De kantonrechter zal dan ook uitgaan van de juistheid van deze stelling.

5.9.

Ervan uitgaande dat de schade is veroorzaakt doordat de spudpalen van het ponton de kabel heeft beschadigd, oordeelt de kantonrechter dat Schilder geen verwijt kan worden gemaakt van de schade aan de kabel, zodat de vordering van Liander moet worden afgewezen. Schilder heeft de voorgeschreven zorgvuldigheidsnormen in acht genomen. Bij het ontbreken van schuld is het, gelet op artikel 8:1004 van het BW, niet mogelijk Schilder aansprakelijk te houden voor schade aan de kabel van Liander. Het antwoord op de vraag of de schade aan de kabel daadwerkelijk is veroorzaakt door Schilder (en de daarmee verband houdende vraag wie van partijen het verband tussen gedraging en schade moet bewijzen), kan daarmee in het midden blijven.

5.10.

Partijen hebben nog gewezen op de inhoud van het CROW rapport, die door Liander ook deels is overgelegd. Ten aanzien van de vraag wanneer kabels en leidingen moeten worden gelokaliseerd bevat het CROW-rapport handelingsprotocollen. Zo bepaalt paragraaf 2.1. onder meer als volgt: “de grondroerder heeft tot taak om onderzoek te verrichten naar de precieze ligging van onderdelen van netten binnen het invloedsgebied. In de uitvoeringsfase (….) wordt hieraan invulling gegeven door te lokaliseren. Dit gebeurt: 1. Conform de contractafspraken; 2. Als er kabel en leidingen binnen het invloedsgebied van de werkzaamheden liggen. Uit de MvT en artikel 5, tweede lid, van het Besluit volgt dat Schilder alleen verplicht was tot het verrichten van onderzoek naar de precieze ligging van de kabel indien het neerlaten van de spudpalen binnen een meter van de theoretische ligging had plaatsgevonden. Dat is volgens de wetgever in dit geval invloedsgebied van de werkzaamheden.

5.11.

De proceskosten komen voor rekening van Liander omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt Liander tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Schilder worden vastgesteld op een bedrag van € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde van Schilder.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A. Swildens, kantonrechter en op 17 februari 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter