Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:1675

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
01-03-2016
Zaaknummer
15/694073-06 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, onderzoek Nervus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/694073-06 (ontneming) (P)

Uitspraakdatum : 18 februari 2016

Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 18 maart 2011 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

hierna: veroordeelde.

1 De vordering

De officier van justitie heeft bij vordering van 18 maart 2011 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vierde lid (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zal vaststellen op € 2.006.246,33 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De vordering wordt onderbouwd met het ‘Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling’ d.d. 2 mei 2011.

De officier van justitie heeft de vordering aanvankelijk mede gebaseerd op de feiten die – in eerste aanleg – bij vonnis van deze rechtbank (destijds: rechtbank Haarlem) van 27 april 2009 bewezen zijn verklaard en waarvoor veroordeelde bij genoemd vonnis is veroordeeld.

2 Het verloop van de procedure

Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek Nervus. Op 24 februari 2011 heeft het gerechtshof Amsterdam arrest gewezen in de strafzaak van veroordeelde.

De officier van justitie heeft de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig gemaakt met de oproeping van veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2011. Dit betrof een zogeheten regiezitting. In verband met het niet aanvragen van transport voor veroordeelde op genoemde zitting, is de behandeling aangehouden tot 28 juni 2011.

Ter terechtzitting van 28 juni 2011 is gehoord de officier van justitie. Veroordeelde en zijn raadsman zijn niet verschenen. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd, waarbij termijnen zijn afgesproken in verband met de schriftelijke voorbereiding van de ontnemingszaak in de zin van artikel 511d, eerste lid (oud) van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Op 4 oktober 2011 is van de raadsman van veroordeelde de conclusie van antwoord ontvangen, gedateerd 30 september 2011.

Op 4 november 2011 heeft deze rechtbank het verzoek van de officier van justitie van 1 november 2011 – inhoudende de vraag om de vastgestelde termijnen op te schorten tot het moment dat duidelijk is of het Bureau Ontnemingswetging Openbaar Ministerie (hierna: BOOM) en veroordeelde tot een schikking kunnen komen - ingewilligd.

Op 13 november 2012 heeft de Hoge Raad het tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam ingediende cassatieberoep verworpen.

Bij conclusie van repliek, gedateerd 19 maart 2015, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 2.127.115,78, zoals berekend in de ontnemingsrapportage, dient te worden bijgesteld naar € 2.063.348,84, te vermeerderen met de gegenereerde rente over conservatoir in beslag genomen geldmiddelen, zekerheidsstellingen en vervreemdingen als weergegeven in het ten tijde van het requisitoir over te leggen overzicht.

Bij conclusie van dupliek, gedateerd 24 september 2015, heeft de raadsman van veroordeelde primair verzocht de vordering af te wijzen en subsidiair dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel in goede justitie zal vaststellen en een matiging van 20% zal toepassen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde gewisselde conclusies.

Nadat de behandeling van de vordering op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2015 was aangehouden, heeft de rechtbank de behandeling op de openbare terechtzitting van 7 januari 2016 opnieuw aangevangen. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, zijn raadsman mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht en de officier van justitie, mr. C.J. Zweers.

Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 18 februari 2016.

3 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en daarbij aangesloten bij hetgeen in haar conclusie van repliek is verwoord. Bij requisitoir heeft de officier van justitie verzocht de vordering van € 2.063.348,84 te verminderen met € 7.500 en te vermeerderen met een bedrag van € 27.832, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend op een bedrag van € 2.083,680,84, te vermeerderen met de gegenereerde rente over de conservatoir in beslag genomen geldmiddelen, zekerheidstellingen en vervreemdingen op 3 maart 2016, te weten € 10.517,43, zodat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 2.094.198,27.

De officier van justitie heeft voorts het standpunt ingenomen dat er primair geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat daar wel sprake van is, de overschrijding dient te worden beperkt tot het bedrag van maximaal € 5.000 dat de Hoge Raad in zijn arrest van 17 juni 2008 heeft aangegeven (ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

4 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van veroordeelde heeft - voor zover sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ingevolge artikel 359a, lid 3, Sv met redenen dient te worden omkleed en voor zover de officier van justitie niet is tegemoet gekomen aan de opgeworpen punten – verweren gevoerd die in de paragrafen 5.3 en 6 worden besproken.

5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel 1

5.1.

Veroordeling

Bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 24 februari 20112 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van het ondergane voorarrest, waarbij is bewezenverklaard dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 3 juli 2007 te Amsterdam en Zandvoort en Velsen-Noord, gemeente Velsen en Haarlem en Rotterdam, en/of elders in Nederland en in Spanje en in Frankrijk en in Luxemburg en/of in Gibraltar, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en verdachtes mededaders telkens van onderstaande voorwerpen, de werkelijke aard en herkomst en/of vindplaats verborgen en/of verhuld, dan wel verhuld en verborgen wie de rechthebbende op die voorwerpen is en onderstaande voorwerpen verworven en voorhanden gehad en/of omgezet of van genoemde voorwerpen gebruik gemaakt, te weten

[zd A05:] - een motorboot van het merk Sunseeker, type Predator 62, voorzien van de naam Luciano en (het gebruiksrecht van) een havenligplaats te Sotogrande (Spanje) en verzekeringspremies voor genoemde boot en een jetski van het merk Sea-Doo en

[zd A09:] - een woning, gelegen aan [adres 1] te Estepona (Spanje) en

[zd A33:] - geldbedragen en

[zd A39] - een of meer geldbedragen van in totaal EURO 44.240,- en

[zd A43] - een woning met parkeerplaatsen en kelder, gelegen in [adres 2] te Valgrande (Spanje) en

- de betaling van woninginrichting ter waarde van in totaal ongeveer EURO 26.429,-

terwijl verdachte en verdachtes mededaders telkens wisten, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

2.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 juli 2007 te Zandvoort en te Amsterdam en/of te Hoofddorp en/of te Zwanenburg en te Velsen-Noord, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland en in Spanje en in Frankrijk en in Luxemburg heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben en binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een middel, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en witwassen.

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat arrest bewezenverklaarde strafbare feiten.

5.2.

De ontnemingsrapportage

Op 2 mei 2011 is door M. de Heus, buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij de afdeling Recherche Ondersteuning, Bureau Financiële Recherche, Divisie Regionale recherche in de functie van strategisch analist FinEC van de regiopolitie Kennemerland, een rapport opgesteld betreffende het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.3 Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ‘ontnemingsrapportage’.

Bij de ontnemingsrapportage is een groot aantal bijlagen gevoegd, ontleend aan onder meer het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde, te weten processen-verbaal van verhoor van veroordeelde (p. 1371-1424), algemene processen-verbaal (p. 54-222), processen-verbaal, gebruikt in de kasopstelling aangaande het beginsaldo contant geld (p. 223-240), processen-verbaal, gebruikt inzake legale ontvangsten (p. 241-249), feitelijke contante uitgaven (p. 250-1285) en overige contante uitgaven (p. 1286-1370), alsook stukken met betrekking tot het (conservatoir) beslag.

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in de ontnemingsrapportage uitgegaan van een bedrag van € 2.127.115,18 (p. F 46). Zoals hiervoor is aangegeven heeft de officier van justitie in haar requisitoir zich op het standpunt gesteld dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld op € 2.083,680,84, te vermeerderen met de gegenereerde rente over conservatoir in beslag genomen geldmiddelen, zekerheidstellingen en vervreemdingen, derhalve een totaalbedrag van € 2.094.198,27.

5.3.

De beoordeling

De rechtbank acht de berekening in de ontnemingsrapportage, met de aanpassing door de officier van justitie bij conclusie van repliek en bij requisitoir, voldoende onderbouwd en maakt deze tot de hare.

De rechtbank zal vervolgens ingaan op hetgeen door de verdediging is aangevoerd. De door de raadsman gedane verzoeken voor het horen van getuigen behoeven geen bespreking meer nu reeds op die verzoeken door de rechtbank op 7 januari 2016 is beslist.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering omdat de verdediging door het tijdsverloop niet meer in staat is tot bewijslevering te komen en daarmee op achterstand is gezet. Hierdoor is er geen sprake van een eerlijk proces, met name voor wat betreft de bewijslastverdeling. Gelet daarop is het gerechtvaardigd dat – in afwijking van de jurisprudentie – het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Hoewel sprake is van tijdsverloop is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde reeds in het jaar 2007 kon weten wat het belang was van bewaring van relevante documenten en van tijdige overlegging van documenten die zagen op grote transacties. Voor zover die stukken ontbreken en in het voordeel van veroordeelde zouden werken, komt de afwezigheid ervan voor risico van veroordeelde wegens niet adequaat handelen van zijn zijde. Niet kan worden gezegd dat de mogelijkheid voor het inbrengen van stukken veroordeelde is ontnomen. De rechtbank wijst daarbij op de passage zoals opgenomen in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 februari 2011 op pagina’s 5 en 6. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie de verdediging steeds gewezen op het belang van tijdige overlegging van documenten. Dit zo zijnde kan niet worden gesteld dat aan veroordeelde het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is ontnomen.

Aanvang periode

Door de raadsman is betoogd dat de onderzoeksperiode ten onrechte op 1 januari 1999 een aanvang neemt, nu niet aannemelijk is gemaakt dat veroordeelde betrokken is geweest bij (andere) strafbare feiten die buiten de ten laste gelegde en bewezen verklaarde periode zouden zijn gepleegd. Door de raadsman is voorts aangevoerd dat het Openbaar Ministerie zich ten onrechte beroept op het bewijsvermoeden van artikel 36e, derde lid, Sr, nu dit bewijsvermoeden eerst in 2011 is ingevoerd en onderhavige vordering ziet op de periode vóór 2011.

Met betrekking tot het bezwaar van de verdediging om 1 januari 1999 als startdatum te nemen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel overweegt de rechtbank dat niet alleen relevant is dat met betrekking tot de negentiger jaren er omvangrijke CIE-informatie beschikbaar was die wezen op betrokkenheid van veroordeelde bij drugsdelicten en op de in 1999 verrichte contante stortingen, maar wijst de rechtbank ook op de overweging op pagina 10 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam, dat het niet aannemelijk is dat veroordeelde “de vermogensbestanddelen, die aan hem kunnen worden gerelateerd, op een andere wijze heeft verkregen dan door de investeringen van (in overwegende mate) uit misdrijf afkomstige gelden (ook al zijn die vermogensbestanddelen verkregen in de jaren, die voorafgaand aan de periode waarin het lidmaatschap van de criminele organisatie bewezen is verklaard).”

Ten aanzien van de vraag of het thans geldende derde lid van artikel 36e Sr van toepassing is, of dat het recht, zoals dat gold vóór 1 juli 2011 moet worden toegepast, overweegt de rechtbank als volgt.

Tot 1 juli 2011 luidde artikel 36e, derde lid, Sr:

‘Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.’

Sinds 1 juli 2011 geldt het in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bewijsvermoeden, inhoudende dat aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf (…) de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Onder a en b van voornoemd derde lid is geregeld dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, alsmede op voorwerpen die hem in die periode zijn gaan toebehoren, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, respectievelijk aan die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.

De rechtbank is van oordeel dat het derde lid van artikel 36e Sr moet worden gezien als een regel van procesrecht. Bij de inwerkingtreding per 1 juli 2011 van het nieuwe artikel is niet voorzien in overgangsrecht. Artikel 1 Sr vormt daarom geen beletsel voor toepassing van het (nieuwe) artikel 36e Sr.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat (ook) artikel 36e, tweede lid, Sr (oud) geen beletsel vormt om in dit geval terug te gaan tot 1 januari 1999 nu dit artikel luidde: ‘De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.’

Geen eigen voordeel uit witwassen

Door de raadsman is gesteld dat geen voordeel is genoten met betrekking tot de motorboot Luciano, de verzekeringspremies voor deze boot, een havenligplaats te Sotogrande (Spanje), een jetski, een woning gelegen aan de [adres 1] te Estepona (Spanje), geldbedragen (waaronder een bedrag van minimaal € 44.240), en een woning en kelder in [adres 2]. te Valgrande (Spanje). Deze vermogensbestanddelen zijn het onderwerp van de strafbare feiten (witwassen) en dienen niet aangemerkt te worden als het voordeel dat daaruit is voortgevloeid (zie HR 19 februari 2013, LJN: BY5217 en bevestigd in HR 3 december 2013, 1559 en HR 4 februari 2014, 233).

De rechtbank merkt aangaande dit verweer op dat bij een kasopstelling zoals de onderhavige geen sprake is van een directe relatie tussen het strafbare feit en de uitgave. Of de uitgave al dan niet is gekoppeld aan bewezenverklaarde witwashandelingen is dus niet van belang. De door de raadsman aangehaalde arresten van de Hoge Raad zien op transactieberekeningen waar heeft te gelden dat het voorwerp van witwassen niet automatisch is het voordeel uit witwassen, hetgeen hier niet aan de orde is. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Beginvermogen

Door de raadsman is aangevoerd dat er zowel op 1 januari 1999 als ook op 1 januari 2002 sprake was van een beginvermogen en dat derhalve ten onrechte in de kasopstelling het beginsaldo op nihil is gesteld. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het Openbaar Ministerie er ten onrechte van uit gaat dat bij de contante storting, gedaan in 1999, sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet op het tijdsverloop kunnen van die periode geen schriftelijke bescheiden meer worden overgelegd en gelet op een redelijke bewijslastverdeling kan dit ook niet meer worden verlangd. Gelet hierop heeft de verdediging diverse verzoeken gedaan om getuigen te horen, welke verzoeken door de rechtbank zijn afgewezen, die kunnen verklaren over de inkomsten van veroordeelde.

De rechtbank overweegt aangaande dit verweer dat de verdediging heeft gesteld dat er sprake is van een beginvermogen van veroordeelde ter grootte van € 200.000, bestaande uit € 65.000 door veroordeelde zelf verdiende gelden en € 135.000 uit de opbrengst van sieraden die veroordeelde voor zijn zoon ([medeveroordeelde]) heeft verkocht. Dit gestelde beginvermogen zou moeten blijken uit verklaringen van getuigen. Hiermee hanteert de raadsman naar het oordeel van de rechtbank een omgekeerde volgorde. Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan van veroordeelde inzicht worden verlangd in de herkomst van zijn vermogen. Dit inzicht is naar het oordeel van de rechtbank door veroordeelde niet gegeven. Daarbij komt dat zowel veroordeelde als diens zoon verschillend hebben verklaard over de hoogte van het bedrag dat ziet op de verkoop van de sieraden die de zoon van veroordeelde van de belastingdienst in 2000 heeft teruggekregen. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat niet uitgegaan kan worden van een beginsaldo van 0 op 1 januari 1999.

Contante inkomsten

De raadsman heeft aangevoerd dat veroordeelde in Spanje gemiddeld en afgerond per jaar een bedrag van € 120.000 verdiende. De inkomsten tussen 2003 en 2006 worden gesteld op in totaal € 475.000. Uitgaande van dit laatste bedrag dienen zijn totale inkomsten over de periode 2002 tot en met medio 2007 te worden vastgesteld op € 660.000.

De rechtbank gaat voorbij aan dit verweer nu nergens uit blijkt dat sprake is geweest van inkomsten door veroordeelde in de periode 2003 – 2006, nog daargelaten dat – als al sprake zou zijn geweest van inkomsten in die periode – diezelfde inkomsten niet behoeven te gelden voor 2002 en de eerste helft van 2007. Daarbij blijkt uit een daartoe strekkend rechtshulpverzoek dat door de Spaanse autoriteiten is vastgesteld dat veroordeelde geen inkomsten afkomstig uit Spanje had.

[adres 2] te Sotogrande (Spanje)

De raadsman heeft aangevoerd dat bij de aanschaf van het appartement [adres 2] te Sotogrande (Spanje) sprake is geweest van legale contante stortingen en dat het Openbaar Ministerie ten onrechte deze bedragen in de kasopstelling als uitgaven heeft opgenomen. Zo is op 20 maart 2001 een bedrag van ƒ 220.000 gestort door mevrouw [getuige 1] van het kantoor van de heer [getuige 2], zijnde de Luxemburgse advocaat van veroordeelde, op de rekening van [bedrijfsnaam 1] in Luxemburg. Genoemd bedrag was afkomstig van de heer [getuige 3] ter participatie in voornoemd appartement. Het bedrag van ƒ 275.000 was afkomstig uit de verkoop van het schip ‘[naam]’ aan de heer [getuige 4] op 2 juni 2001. Tot slot was een bedrag van in totaal € 32.270,03 afkomstig uit huuropbrengsten van het appartement dat is gestort op de Spaanse rekening van [bedrijfsnaam 1] SA.

De rechtbank schuift dit verweer ter zijde wegens gebrek aan onderbouwing, terwijl het onderliggende proces-verbaal met daarachter gevoegde stukken voldoende aannemelijk maakt dat er handelingen zijn verricht, althans pogingen daartoe zijn gedaan om de eigendom af te schermen. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat sprake is van een legale contante ontvangst zodat deze ook niet kan worden opgenomen in de kasopstelling.

[adres 1] te Estepona (Spanje)

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie ten onrechte het wederrechtelijk verkregen voordeel bij dit onderdeel heeft opgehoogd met een bedrag van € 50.852,41. Het grootste deel van de betalingen voor het appartement [adres 1] te Estepona (Spanje) heeft bancair plaatsgevonden. De door het Openbaar Ministerie gestelde contante uitgaven zijn slechts gebaseerd op een betalingsoverzicht waarin staat vermeld dat er contant moet worden betaald, maar van daadwerkelijke contante betalingen is niet gebleken.

De rechtbank merkt allereerst op dat inderdaad sprake is van een bedrag van € 50.852,41 en niet van € 62.849,61 zoals onder punt 3.16 van de conclusie van repliek van het Openbaar Ministerie is vermeld. In de optelling is echter wel van het juiste bedrag uitgegaan. Voorts merkt de rechtbank op dat uit de notariële akte van 20 april 2011 blijkt dat sprake is geweest van een hypothecaire lening. Dit laat echter onverlet dat uit een betalingsoverzicht blijkt dat op meerdere data contant moest worden betaald, waarvan een bedrag van € 154.979,87 contant bij ondertekening van de notariële akte en gelijktijdig met de levering moest worden betaald. Gelet op de notariële akte en het betalingsoverzicht is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat de uiteindelijke aflossing en betaling contant hebben plaatsgevonden voor de aanschaf van voornoemd appartement en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet ten onrechte met € 50.852,41 is verhoogd.

Contante uitgaven aan Porsche, Bentley en Landrover

De raadsman heeft aangevoerd dat ten onrechte is uitgegaan van het bedrag waarvoor de Porsche 911 is besteld, zijnde € 82.996,40, in plaats van de betalingen die feitelijk zijn vastgesteld, zijnde totaal € 66.467,94. Ook is ten onrechte uitgegaan van een contante betaling van € 16.528,46 nu daarvan bewijs ontbreekt. Voorts is in de ontnemingsrapportage geen rekening gehouden met de verkoop van de Porsche voor een bedrag van € 56.250.

De raadsman heeft ten aanzien van de Bentley en Landrover betwist dat bedragen van respectievelijk € 131.500 en € 100.000 contant zijn uitgegeven omdat deze auto’s handelsauto’s betreffen die veroordeelde in consignatie heeft gehad.

Ten aanzien van de Porsche 911 overweegt de rechtbank dat uit het onderliggend strafdossier blijkt dat deze auto voor een bedrag van € 81.806,70 is besteld en voor een bedrag van

€ 82.996,40 is opgenomen in de boekhouding van [bedrijfsnaam 2] SA. Ook is een factuur aangetroffen van ƒ 182.900, omgerekend een bedrag van € 82.996,40. Gelet hierop en het feit dat de Porsche ook is geleverd, acht de rechtbank het aannemelijk dat het bedrag is betaald zoals opgenomen in de boekhouding en de aangetroffen factuur.

Het verweer van de raadsman dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de verkoop van de Porsche voor een bedrag van, omgerekend, € 56.250, verwerpt de rechtbank omdat uit de onderliggende stukken is gebleken dat ook nadien veroordeelde (en diens zoon) gebruik zijn blijven maken van de Porsche.

Ten aanzien van de Bentley en Landrover wijst de rechtbank erop dat uit het onderliggende strafdossier blijkt dat veroordeelde voor deze auto’s een verzekering heeft afgesloten en aan de Bentley reparaties heeft laten uitvoeren. Veroordeelde heeft de Landrover, blijkens het strafdossier, geruime tijd in gebruik gehad en deze is ook onder veroordeelde in beslag genomen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat genoemde contante uitgaven terecht onderdeel uitmaken van de kasopstelling.

In beslag genomen bescheiden, contanten te Zandvoort en uitgaven levensonderhoud

De raadsman heeft aangevoerd dat de bedragen die volgen uit de in beslag genomen bescheiden, het contante geld dat in de woning aan de [adres 3] te Zandvoort en de uitgaven voor levensonderhoud ten onrechte voor de helft aan veroordeelde zijn toegerekend. Die toerekening aan veroordeelde is namelijk gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat veroordeelde op genoemd adres heeft samengewoond.

De rechtbank volgt de raadsman niet in deze drie onderdelen van zijn betoog. Uit de onderliggende stukken en overigens ook door het gerechtshof te Amsterdam in zijn arrest van 24 februari 2011 overwogen, voerden veroordeelde en [partner] een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. Dat veroordeelde wellicht niet doorlopend op genoemd adres fysiek aanwezig is geweest, maakt dit niet anders. De raadsman heeft zijn stelling dat geen sprake zou zijn geweest van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden overigens niet onderbouwd.

Contante betaling [bedrijfsnaam 3]

De rechtbank is van oordeel dat de enkele stelling van de raadsman dat deze contante uitgave van ongeveer € 20.000 voor de huur van de Opel Vectra aan [bedrijfsnaam 3] niet heeft plaatsgevonden omdat veroordeelde reeds over een auto kon beschikken, onvoldoende is om de onderbouwing in de vordering ten aanzien van deze contante uitgave in twijfel te trekken. Daarbij komt dat uit de onderliggende stukken blijkt van facturen aan veroordeelde en dat een bedrag van € 12.703.99 van de rekening van [bedrijfsnaam 3] via veroordeelde is teruggestort naar de rekening van [partner] met als omschrijving ‘terugbetaling borg’. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Appartement en bankrekening Dubai

De raadsman heeft primair aangevoerd dat nu veroordeelde is vrijgesproken van zaaksdossier 11 (Dubai) niet is voldaan aan het vereiste dat het gaat om wederrechtelijk verkregen gelden en daarmee het meetellen van het daarmee verworven voordeel in strijd is met de onschuldpresumptie zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, EVRM. Desondanks zijn de daarop betrekking hebbende bedragen wel opgenomen in de ontnemingsvordering. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat is uitgegaan van betaling van een bedrag van

€ 123.563 op een datum dat veroordeelde niet in Dubai was en voorts van een bedrag aan contante uitgave van € 124.863,10 waarvan niet is vastgesteld wanneer en door wie dit is betaald. Daarmee is dit onderdeel van de ontnemingsvordering onvoldoende onderbouwd en dient derhalve te vervallen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van artikel 36e Sr kan aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze verplichting is een maatregel die strekt tot het ongedaan maken van wederrechtelijk verkregen voordeel. Hoewel de oplegging van die maatregel een plaats heeft gekregen in een strafrechtelijke procedure, doet dit aan het bijzondere karakter van die maatregel niet af. Dat bijzondere karakter komt ook tot uitdrukking in de eisen die aan de oplegging ervan worden gesteld. Die eisen zijn minder streng dan de eisen die bij strafoplegging moeten zijn vervuld. Zo zijn de in strafzaken geldende bewijsvoorschriften niet in volle omvang van toepassing en dat heeft tot gevolg dat in een tenlastelegging opgenomen feiten die tot een vrijspraak hebben geleid, toch ten grondslag kunnen worden gelegd aan oplegging van zo een maatregel. De rechter dient ook in een dergelijk geval vast te stellen ofwel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de in artikel 36e, tweede lid, Sr bedoelde andere strafbare feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, door de betrokkene zijn begaan, ofwel dat aannemelijk is dat de in artikel 36e, derde lid, Sr bedoelde andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Aan een dergelijke vaststelling gaat de in de artikel 511b e.v. Sv geregelde procedure vooraf. Daarmee is gewaarborgd dat de rechter die over een tot ontneming strekkende vordering van het Openbaar Ministerie heeft te beslissen, dit niet doet dan nadat hij heeft onderzocht of en heeft vastgesteld dat de wettelijke voorwaarden, dus onder meer of er aanwijzingen in de zin van het tweede lid zijn, dan wel er aannemelijkheid is in de zin van het derde lid, zijn vervuld.

De omstandigheid dat veroordeelde van bepaalde feiten is vrijgesproken, staat niet zonder meer eraan in de weg dat die feiten in het kader van de ontnemingsprocedure als ‘andere strafbare feiten’ of ‘feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd’ als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr in aanmerking worden genomen.

Voor wat betreft de toepassing van artikel 36e, derde lid, Sr heeft de raadsman miskend dat de wetgever in die bepaling heeft voorzien in de mogelijkheid aan hem die wegens misdrijf is veroordeeld ook voordeel te ontnemen dat hij heeft verkregen uit niet door hemzelf begane strafbare feiten. Aan de oplegging van die sanctie hoeft in die gevallen dus niet het vermoeden ten grondslag te liggen dat veroordeelde die feiten heeft begaan. In zoverre kan de oplegging van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zelfs wanneer veroordeelde ter zake van die feiten is vrijgesproken, niet in strijd komen met het vermoeden van onschuld als bedoeld in artikel 6, tweede lid, EVRM.

Ten aanzien van het door de raadsman in zijn subsidiaire standpunt gevoerde verweer overweegt de rechtbank als volgt.

Uit bescheiden die bij de doorzoeking op 3 juli 2007 zijn aangetroffen, bleek dat op 17 juli 2006 een deelbetaling is gedaan van € 123.563. Uit de uitvoeringsstukken die medio 2010 uit Dubai zijn ontvangen, blijkt dat naast genoemd bedrag een bedrag van € 124.863,10 is betaald. Uit de uitvoeringsstukken blijkt niet op welke datum dat precies is gebeurd.

De rechtbank gaat er op grond van de stukken van uit dat veroordeelde (en diens zoon) tussen 6 en 11 oktober 2006 Dubai hebben bezocht en dat het aannemelijk is dat deze betaling in die periode heeft plaatsgevonden. Overigens merkt de rechtbank op dat voor deze uitgave lijfelijke aanwezigheid niet noodzakelijk is. Uit in beslag genomen stukken blijkt dat veroordeelde (en diens zoon) het appartement op [adres 4] hadden aangekocht waarvoor genoemde betalingen zijn gedaan. Hoewel uit de stukken niet duidelijk wordt wie de betalingen heeft verricht, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat een derde deze aanbetalingen voor dit appartement heeft gedaan, nu dit appartement immers op naam staat van veroordeelde en/of diens zoon. Ook is niet gebleken dat een eventuele derde een dergelijk bedrag schuldig zou zijn aan veroordeelde en/of diens zoon.

Gokken

Voor zover de raadsman zich in dit onderdeel heeft beroepen op artikel 6, tweede lid, EVRM, geldt hetgeen hiervoor door de rechtbank is overwogen.

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat veroordeelde een zeer ervaren gokker is waardoor hij geen verliezen maar winsten heeft behaald. Er is dus ten onrechte een verlies aan gokken van een bedrag ad € 18.550 als contante uitgave in de kasopstelling opgenomen.

De rechtbank overweegt dat uit het onderliggende strafdossier blijkt dat veel verliezen zijn geleden. Daarbij is het – gezien de resultaten van het strafrechtelijk financieel onderzoek – aannemelijk dat de inzet, waarmee de winsten zijn behaald, wederrechtelijk verkregen voordeel belichaamt. De vraag of en hoeveel winst uit het gokken is behaald, kan derhalve buiten beschouwing blijven. Het daartoe gevoerde verweer wordt door de rechtbank verworpen.

6 Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.

De rechtbank gaat uit van de bedragen zoals deze staan vermeld op pagina’s F 049 en F 050, waardoor zij komt tot het volgende overzicht van de contante uitgaven en contante ontvangsten:

Beginsaldo contant geld € 0,00

Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 900,00

Eindsaldo contant geld € 0,00

Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 900,00

Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen € 2.128.015,18

Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) € 2.127.115,18

Tijdens de loop van de procedure zijn al dan niet naar aanleiding van verweren van veroordeelde enkele wijzigingen aangebracht door de officier van justitie met betrekking tot een aantal uitgavenposten. Mede daarmee rekening gehouden komt de rechtbank tot het oordeel dat aannemelijk is dat door veroordeelde met het witwassen van voorwerpen en deelname aan een criminele organisatie een wederrechtelijk voordeel is verkregen van in totaal € 2.083.680,84, zoals bij requisitoir door de officier van justitie is gevorderd. Daarnaast dient dit wederrechtelijk verkregen voordeel te worden vermeerderd met het vervolgprofijt (in de vorm van gegenereerde rente over de in conservatoir beslag genomen gelden, zekerheidstellingen en vervreemdingen). Dit bedrag dient in een concreet bedrag te worden uitgedrukt (zie onder meer: ECLI:NL:HR:2010:BL1454, rov. 4.1.2 en ECLI:NL:HR:2012:BX4704, rov. 3.3). Het bedrag aan vervolgprofijt tot en met 3 maart 2016 is berekend op € 10.517,43.

Draagkracht

De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met een aantal jaren, welke omstandigheid niet aan veroordeelde is toe te rekenen, maar is gelegen in de omstandigheid dat de zaak van veroordeelde een grote verwevenheid vertoont met de zaak van diens zoon. Nu in die laatste zaak sprake is geweest van het voeren van langdurige onderhandelingen om tot een schikking te komen, heeft de zaak van veroordeelde lang stil gelegen. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding het aan de Staat te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel. Overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 hanteert de rechtbank daarbij een kortingspercentage van 10% met een maximum van € 5.000. De rechtbank ziet geen reden een hogere korting toe te passen. Namens veroordeelde is slechts gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en dat een kortingspercentage van 20% in dit geval redelijk is. Niet is aangegeven wat veroordeelde aan nadeel van de overschrijding heeft ondervonden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het te betalen bedrag van het hiervoor vastgestelde voordeel van veroordeelde van € 2.094.198,27 verminderen met € 5.000.

De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 2.089.198,27.

7 Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op

€ 2.094.198,27;

legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 2.089.198,27 ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

9 Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mr. R.A. Otter en mr. E.J. Bellaart, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.L. Meyer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 februari 2016.

1 De hierna door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 24 februari 2011 (S.F.O. dossier, V02, P.J. de Jong, p. F 001-F 505).

3 Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling d.d. 2 mei 2011 met daarachter gevoegde bijlagen (vanaf p. F 049).